De koran stelt:

Aangezien alle mensen één volk vormen, heeft Allah zich ook aan de gehele mensheid geopenbaard. Onder alle volken, die die mensheid van ‘één volk’ vormen, werden profeten gestuurd. En aan elk van die volken werd een geopenbaard boek gegeven om hen de rechte weg te wijzen. ‘Het boek’ wil niet persé betekenen een geschreven boek met een naam. De richtsnoer die aan een profeet werd geopenbaard en die hij aan de mensen overbracht, is ook zijn ‘boek’.
Oordelen ‘tussen mensen in datgene waarin zij verschilden’ betekent dat de profeten, door hun openbaring, oordeelden over wie van hun volk gelijk of ongelijk had in hun geloofsovertuigingen en morele waarden.
De eerste woorden van het bovenstaande vers luiden: “De mensheid vormt één volk (oemmah)”. Het woord oemmah wordt door moslims over het algemeen beschouwd als “de moslimgemeenschap” op de wereld. Sommigen weten misschien dat het ook kan worden toegepast op volgelingen van andere religies; joden zijn bijvoorbeeld de oemmah van profeet Mozes (v.z.m.h.).
Het woord oemmah, zoals gebruikt in de koran, wordt toegepast op elke groep waarvan de leden iets gemeenschappelijks hebben. Er staat dat dieren en vogels gemeenschappen vormen, net zoals ook mensen dat vormen (6:38). Een groep binnen de islam, opgericht voor een bepaald doel, zoals het prediken van de waarheid van de islam, wordt ook een oemmah genoemd:

Een groep dwalende ongelovigen wordt een oemmah genoemd (43:33). Een groep van rechtschapen joden wordt een oemmah genoemd (7:159). En alle mensen, de mensheid, wordt één enkele oemmah genoemd, zoals hierboven in 2:213.
De woorden “de mensheid vormt één volk (oemmah),” worden door bijna elke vertaler vertaald in de verleden tijd als “de mensheid was één volk”. Dit komt omdat er het woord kāna in staat, dat meestal “was” betekent. Zij leggen dit vers dan zo uit, dat in het verre verleden de hele mensheid één kleine gemeenschap was. Toen die zich verspreidde over de wereld, bleef het niet langer één volk. De verschillende groepen daaruit begonnen leiding nodig te hebben, en daarom stuurde Allah profeten onder hen.
De Lahore Ahmadiyya vertaler van de koran, maulana Muhammad Ali (overleden 1951), schrijft echter dat wanneer het woord kāna wordt gebruikt voor iets, dat het niet persé betekent dat “het was” of “het vroeger was”, maar dat het kan ook betekenen “het is altijd geweest”. Daarom betekent deze zin dat de mensheid altijd één volk is geweest, nog steeds één volk is, en altijd één volk zal blijven.
Aangezien de mensheid altijd één volk vormt, heeft elk van haar groepen dezelfde behoefte aan leiding. En ze maken dezelfde aanspraak op Allah om hen de rechte weg te wijzen. Vóór de tijd van profeet Mohammed (v.z.m.h.) stuurde Allah onder elk volk van de wereld afzonderlijk profeten om hen het goede nieuws te brengen dat zij zullen slagen als zij goede daden verrichten, en om hen te waarschuwen dat zij Allah’s gunst zullen verliezen als zij zich overgeven aan slechte daden.
Later ontstonden er tussen deze verschillende volken zelf verschillen in hun geloofsovertuigingen. Dat ging zelfs zover dat het ene volk soms blijkbaar volledig het tegenovergestelde geloofde van het andere. Toen stuurde Allah profeet Mohammed om een definitief oordeel te geven, zodat alle volken als één mensheid konden worden samengebracht.
De islamitische leer dat onder alle volken profeten verschenen, wordt verschillende keren in de koran genoemd:

Een ander vers zegt:

De afsluitende woorden “voor elk volk een gids” kunnen betekenen dat profeet Mohammed een gids is voor elk volk. De formulering is echter zodanig dat veel vertalers er de betekenis aan geven dat ieder volk of natie haar gids heeft gehad. Voorbeelden van zulke vertalingen zijn: “voor elk volk is er een gids,” en “elk volk had een gids”.
Islamlab
