De omgang van profeet Mohammed met mensen

Vrijdag khoetba door dr. Zahid Aziz, voor Lahore Ahmadiyya UK, 22 oktober 2021 Meteen aan het begin van de koran wordt Allah beschreven als ‘de Heer der werelden’, Heervan de ‘ālamīn. Dit wordt gevolgd door de beschrijvingen Raḥmān en Raḥīm. Deze beidewijzen op de grote barmhartigheid van Allah. Het bovenstaande vers brengt Allah’sbarmhartigheid of raḥmat […]

Vrijdag khoetba door dr. Zahid Aziz, voor Lahore Ahmadiyya UK, 22 oktober 2021

Meteen aan het begin van de koran wordt Allah beschreven als ‘de Heer der werelden’, Heer
van de ‘ālamīn. Dit wordt gevolgd door de beschrijvingen Raḥmān en Raḥīm. Deze beide
wijzen op de grote barmhartigheid van Allah. Het bovenstaande vers brengt Allah’s
barmhartigheid of raḥmat in verband met de ‘ālamīn, d.w.z. ‘de werelden’ of ‘de volkeren’.
Allah toont Zijn barmhartigheid tegenover alle werelden en alle volkeren door profeet
Mohammed (s.a.w.s.) als een genade van Hem naar hen allemaal te sturen. Profeet Mohammed
(s.w.a.s.) weerspiegelde dus Allah’s barmhartigheid op de wereld in hoe hij andere mensen
behandelde.

Een ander vers over de Profeet (s.a.w.s.) gaat als volgt:

“Waarlijk is er een Boodschapper uit jullie midden tot jullie gekomen; erg pijnlijk voor hem
(of, zeer moeilijk voor hem te dragen) is dat jullie in leed verkeren, hoogst bezorgd (is hij) om
jullie, voor de gelovigen (is hij) vol compassie, barmhartig.” — 9:128

Vóór de afsluitende woorden, ‘voor de gelovigen (is hij) vol compassie, barmhartig’, worden
alle mensen aangesproken via het woord ‘jullie’. Profeet Mohammed (s.a.w.s.) is zelf een van
die mensen, zoals aan het begin van het vers wordt gezegd. De moeilijkheden en problemen
waarmee de mensen werden geconfronteerd, hun verslechterde morele toestand en hun
verkeerde daden, drukten zeer zwaar op hem. Hij maakt zich vooral zorgen om hun welzijn. En
als laatste wordt zijn relatie met de gelovigen genoemd, dat hij vol compassie en barmhartig
tegenover hen was, ra’ūf-un raḥīm-un. Vele andere verzen van de koran zeggen ons dat Allah
zelf deze twee eigenschappen bezit, namelijk vol compassie en barmhartig, ra’ūf-un raḥīm-un,
tegenover de hele mensheid (2:143, 22:65). Een ander vers maakt via andere woorden zeer
duidelijk dat Allah compassievol en barmhartig, ra’ūf-un raḥīm-un, is tegenover de hele
mensheid. Er staat in dat vers (16:7) dat Allah dieren heeft geschapen die ‘uw zware lasten naar
streken dragen die u niet zou kunnen bereiken, maar met leed voor uzelf. Waarlijk, jullie Heer
is vol compassie, Barmhartig,’ (16:7).

In hetzelfde hoofdstuk 16 wordt het volgende gezegd over degenen die profeet Mohammed
(s.a.w.s.) en de moslims vervolgden en boze plannen tegen hen koesterden. Het vers zegt dat
Allah hen op deze wereld zou vernederen, of hen zou verrassen met Zijn straf, of hen zou
vastgrijpen zodat ze niet konden ontsnappen, of dat Allah hun aantal en macht geleidelijk zou doen afnemen. Maar onmiddellijk daarna zegt de koran: ‘Uw Heer is zeker vol compassie,
genadig,’ (16:47). Deze verzen werden geopenbaard vóór de Hidjra van de Profeet (s.a.w.s.)
toen hij nog in Mekka woonde. En dit is alles kwam later ook zo uit. De tegenstanders verloren
de verschillende veldslagen die ze tegen de moslims voerden. En tegen de tijd dat Mekka werd
veroverd was hun aantal, hun macht en moreel zo ver afgenomen, dat ze zich zonder te vechten
overgaven. Het was op dat moment dat Allah Zijn eigenschappen van compassie en genade
toonde via profeet Mohammed (s.a.w.s.). De Profeet (s.a.w.s) vergaf toen al hun misdaden en
liet hen zonder enige straf ongemoeid. Allah is ra’ūf-un raḥīm-un en profeet Mohammed
(v.z.m.h.) weerspiegelde deze kwaliteiten door ook ra’ūf-un raḥīm-un te zijn tegenover de
mensen, zowel tegenover zijn eigen volgelingen als tegenover zijn vijanden.

Ik zal in dit verband enkele voorvallen uit zijn leven noemen. Een joodse geleerde had eens wat
geld geleend aan profeet Mohammed (s.a.w.s.). Hij vroeg toen zijn geld terug. De Profeet
(s.a.w.s.) zei: ‘ik heb geen geld dat ik u kan geven.’ Hij zei: ‘Mohammed, ik ga hier niet weg
voordat u hebt betaald wat u me schuldig bent.’ De Profeet (s.a.w.s.) zei: ‘goed, ik zal bij u
blijven.’ Dus bleef hij bij hem tijdens de ẓuhr-, ‘aṣr-, maghrib- en ‘ishā-gebeden, en de
volgende ochtend tijdens de fadjr-gebeden. Zijn metgezellen bedreigden de jood en zeiden hem
dat ze hem buiten zouden zetten. Toen de Profeet (s.a.w.s.) dit zag, hield hij hen tegen. Ze
zeiden: ‘O Boodschapper van Allah, kan een jood u ophouden?’ Hij zei: ‘Allah heeft mij
verboden om onrecht te doen aan een ieder die onder ons verdrag van veiligheid staat, en zulke
mensen [de woorden ‘zulke mensen’ kunnen ook betekenen ‘en ieder ander’].’

Toen de zon opkwam, zei de jood: ‘Ik getuig dat er geen God is dan Allah, en ik getuig dat u
de Boodschapper van Allah bent. Ik geef de helft van mijn bezit op de weg van Allah. Ik zweer
bij Allah dat ik deed wat ik deed alleen omdat ik u testte om te zien of de deugden die in de
Thora over de beloofde profeet zijn opgetekend in u worden gevonden of niet. De Thora zegt:
‘Hij zal niet grof zijn in taal noch hard van hart, noch zal hij luid schreeuwen op straat, noch
zal hij zich overgeven aan vuile praat.’ Hier is mijn eigendom. U mag er elk bevel over geven.’
(Mishkat, Kitab-ul-Fitan, hfst. Deugden en gewoonten van de Heilige Profeet’, sec. 3)

In deze hadies maakte de joodse geleerde gewag van een profetie over de Profeet (s.a.w.s.) die
in de Thora staat. Het is mogelijk dat hij verwijst naar het volgende in het boek Jesaja, waar
God zegt: ‘Hier is Mijn dienaar, die ik hooghoud, mijn uitverkorene in wie ik genoegen heb; Ik
zal mijn Geest op hem leggen, en hij zal gerechtigheid brengen aan de volken. Hij zal niet
uitroepen of schreeuwen, of zijn stem verheffen op straat. … In getrouwheid zal hij
gerechtigheid voortbrengen; hij zal niet aarzelen of ontmoedigd worden totdat hij gerechtigheid
op aarde vestigt. In zijn leer zullen de eilanden hun hoop vestigen,’ (Jesaja, 42:1–4). Jesaja
leefde ongeveer 1300 jaar voor de profeet Mohammed (s.a.w.s.).

Safiyyah was een van de vrouwen van profeet Mohammed (s.a.w.s.) en zij was een joodse.
Hafsah was een andere vrouw van de Profeet (s.a.w.s.). Zij was van zijn eigen stam van de
Qoeraish en een dochter van ‘Oemar. Hafsah betitelde Safiyyah ooit minachtend als ‘dochter
van een jood’. Er staat in een hadies: ‘Het nieuws bereikte Safiyyah dat Hafsah zei: ‘de dochter
van een jood’. Dus huilde ze. Toen kwam de Profeet (s.a.w.s.) naar haar toe terwijl ze aan het
huilen was. Toen vroeg hij: ‘waarom huilt u?’ Ze zei: ‘Hafsah zei tegen mij dat ik de dochter
van een jood ben.’ Toen zei de Profeet(s.a.w.s.): ‘En u bent de dochter van een profeet, en uw
oom is een profeet, en u bent getrouwd met een profeet. Waar pocht zij dan tegenover u over?’
Toen zei hij: ‘vrees Allah, O Hafsah.’ (Tirmidhi, boek 49: ‘Deugden’, hadies 4268)

Volgens een andere versie van deze hadies hadden de echtgenotes van profeet Mohammed
(s.a.w.s.) ‘A’ishah en Hafsah (die dochters waren van Aboe Bakr en ‘Oemar) over Safiyyah
gezegd: ‘wij zijn meer geëerd bij de Boodschapper van Allah dan zij,’ en ‘wij zijn de vrouwen
van de Profeet en zijn nichten’. Hierop zei de Profeet (s.a.w.s.) tegen Safiyyah: ‘waarom zei u
niet (tegen hen): hoe kunnen jullie beter zijn dan ik als mijn man Mohammed is, mijn vader
Aaron is en mijn oom Mozes is?’ (Tirmidhi, boek 49: ‘Deugden’, hadies 4266)

Profeet Mohammed (s.a.w.s.) vroeg Safiyyah om tegen Hafsah en Aishah (Allah zij tevreden
met hen allen) te zeggen dat zij familie was van drie profeten. Van twee profeten via afstamming
en van één door huwelijk, terwijl Hafsah en ‘A’isha familie waren van slechts één profeet! Over
dit zelfde onderwerp, over de joodse vrouw van de Profeet (s.a.w.s.), op wie de andere vrouwen
neerkeken, is er een andere hadies van ‘A’ishah: ‘De kameel van Safiyyah was uitgeput en
Zainab had een overschot aan rijdieren. De Boodschapper van Allah (s.a.w.s.) zei tegen Zainab:
‘geef haar de kameel.’ Ze zei: ‘moet ik die jodin (iets) geven?’ Daarop werd de Boodschapper
van Allah (s.a.w.s.) boos en hij bleef bij haar weg tijdens (de maanden van) Dhu al-Hijjah,
Muharram en een deel van Safar.’ (Abu Dawud, boek 42: Kitab-al-Soennah, hoofdstuk 4, hadies
4602). Dit laat zien hoe ontevreden profeet Mohammed (s.a.w.s.) was dat men op zo’n wijze
sprak over een persoon, omdat die tot een bepaalde religieuze groep behoorde.

Profeet Mohammed (s.a.w.s.) was altijd nederig met betrekking tot zijn status. Het volgende is
overgeleverd: ‘Er kwam een man bij de Boodschapper van Allah (s.a.w.s.) en zei (hem
aansprekende als): ‘o beste van de schepping (khair al-bariyya)!’ Daarop zei de Boodschapper
van Allah (s.a.w.s.): ‘Dat is Abraham, vrede zij met hem.’ (Sahih Muslim, boek 43: ‘Deugden’,
hoofdstuk 41, hadies 2369a)

Een andere overlevering gaat als volgt: ‘’Oemar zei: ik hoorde de Profeet zeggen: ‘overdrijf
niet door mij te prijzen zoals de christenen de zoon van Maria prezen, want ik ben slechts een
dienaar van Allah. Noem mij daarom de dienaar van Allah en Zijn Boodschapper.’ (Bukhari,
boek 60: Profeten, hoofdstuk 48, hadith 3445)

Hiermee in overeenstemming verwijzen moslims naar de Profeet (s.a.w.s.) als ‘abdoe-hoo wa
rasooloeh. Moslims hebben hem nooit verheven in een categorie die verder gaat dan die van
een sterfelijk mens. Er zijn echter bepaalde moslims die overdrijven en hem bepaalde
bovennatuurlijke eigenschappen toedichten die de koran niet ondersteunt.

We bidden dat Allah ons in staat zal stellen de ware leringen van Zijn Heilige Boek en Zijn
Profeet te volgen. Âmîn.

Gepubliceerd door: IslamLab
Vertaald door: Reza Ghafoerkhan

Select the fields to be shown. Others will be hidden. Drag and drop to rearrange the order.
  • Image
  • SKU
  • Rating
  • Price
  • Stock
  • Availability
  • Add to cart
  • Description
  • Content
  • Weight
  • Dimensions
  • Additional information
Click outside to hide the comparison bar
Compare