Vrijdag choetba door Dr Zahid Aziz, voor Lahore Ahmadiyya UK, 24 juni 2022
“En gehoorzaam aan Allah en de Boodschapper, opdat jullie genade geschonken
wordt.” – 3:132
“Wie de Boodschapper gehoorzaamt, gehoorzaamt inderdaad Allah. En wie zich
afwendt, Wij hebben u niet als een hoeder over hen gezonden.” – 4:80
“En wie gehoorzaam is aan Allah en aan Zijn Boodschapper, hij heeft zeker groot
succes.” – 33:71
‘O jullie die geloven, gehoorzaam Allah en gehoorzaam de Boodschapper en doe jullie
daden niet teniet.” – 47:33
“En gehoorzaam aan Allah en gehoorzaam aan de Boodschapper. Maar als jullie je
afkeren, de plicht van Onze Boodschapper is slechts (de boodschap) duidelijk
overbrengen.” – 64:12
Ik ga verder met mijn choetbah van vorige week. Ik zei daarin dat de heilige koran op vele
plaatsen met nadruk stelt dat moslims Allah en Zijn boodschapper moeten gehoorzamen. Naast
de verzen die ik aan het begin van die choetbah heb aangehaald, heb ik hierboven nog vijf van
zulke vermeldingen opgelezen. De derde die ik zonet heb opgelezen is uit een vers (33:71) dat
bij de huwelijkspreek wordt voorgelezen. Die gelegenheid is zeer belangrijk in het juridische,
morele en sociale systeem van de islam, waarbij families en vrienden samenkomen. Bij die
gelegenheid worden de mensen erop gewezen dat ze door Allah en Zijn boodschapper te
gehoorzamen groot succes in hun leven kunnen bereiken.
Vorige week haalde ik enkele voorvallen uit de tijd van de metgezellen van profeet Mohammed
(v.z.m.h) om aan te tonen, dat als zij hoorden dat iemand tegen andere mensen zei dat de Profeet
een bepaalde uitspraak had gedaan, maar ze enige reden hadden om te twijfelen of profeet
Mohammed zoiets gezegd kon hebben, of dat het in strijd leek met de koran, zij die uitspraak
dan niet accepteerden als werkelijk door de Profeet gezegd. Ze gaven dan aan waarom ze niet
geloofden dat de Profeet zoiets gezegd kon hebben, of dat hij het niet op die manier had bedoeld
zoals men het overbracht.
Ik noem nog zo’n soort voorval. Het heeft betrekking op de gewoonte dat mensen luid
weeklagen en schreeuwen wanneer ze het bericht ontvangen van iemands overlijden. Dit wijst
erop dat ze de wil van Allah niet accepteren, maar in feite daartegen protesteren. Toen de
tweede kalief Oemar was gestorven, vertelde de metgezel Ibn Abbas aan A’ishah, de weduwe
van profeet Mohammed, dat toen Oemar stervende was er iemand begon te huilen en zei: “mijn
broeder! mijn vriend!” Oemar zei tegen hem om daarmee op te houden en zei dat de Profeet had gezegd: “De overledene wordt soms gestraft vanwege het huilen van zijn familieleden om
hem.” Met ‘huilen’ wordt natuurlijk overdreven en onbeheerst geweeklaag bedoeld. In
sommige versies is het woord ‘soms’ weggelaten en wordt de uitspraak van profeet Mohammed
weergegeven als: “De overledene wordt gestraft vanwege het huilen van zijn familieleden om
hem.” Toen A’ishah dit hoorde, zei zij: “Moge Allah Oemar genadig zijn. Maar ik zweer bij
Allah dat de boodschapper van Allah (s.a.w.s.) dit niet heeft gezegd.” Ze zei ook: “De koran is
voldoende voor u: ‘Geen drager van een last draagt de last van een ander,’ (koran, 6:164,
35:18).” (Zie Boechari, hadith 1287-1288.) Ze bedoelde dat het overdreven geweeklaag en
gehuil van de familieleden van de overledene hun eigen daad is en dat de last alleen op hen
rust. De overledene kan niet worden gestraft vanwege hun wangedrag.
In de hadithverzameling Sahih Moeslim staan ook versies van deze hadith. Daarin zegt A’ishah
ook, toen aan haar werd verteld dat Oemar en zijn zoon Ibn Oemar beiden deze uitspraak van
de Profeet hadden overgeleverd: “U hebt mij verhaald van de twee (Oemar en Ibn Oemar) die
noch leugenaars zijn noch onwaarheden spreken, maar ze moeten het verkeerd gehoord
hebben,” (Moeslim, boek: Begrafenissen, hoofdstuk 9). Ze zei ook dat Ibn Oemar misschien
iets was vergeten of een fout had gemaakt. In Sahih Moeslim wordt uitgelegd dat profeet
Mohammed deze uitspraak in werkelijkheid alleen bij één bepaalde gelegenheid en in één
bepaald geval had gedaan. Hij zei: “De overledene wordt gestraft voor zijn fouten en zonden,
terwijl zijn familieleden nu om hem huilen en weeklagen.” Volgens deze uitleg wil dit niet
betekenen dat, in het algemeen, elke overledene zal worden gestraft vanwege het huilen van
zijn familieleden om zijn dood. Het betekent dat specifiek deze overledene werd gestraft voor
zijn zonden, terwijl zijn familieleden huilden dat zo’n goed en groot mens hen had verlaten.
We kunnen voorbeelden bedenken waarbij dit zo zou kunnen zijn. Een machtig persoon, de
leider van een land bijvoorbeeld, gaat dood. Tijdens zijn leven deed hij aan wat we nepotisme
noemen. Dat wil zeggen, hij bewees zijn familieleden gunsten die oneerlijk, niet te
rechtvaardigen, onethisch en onwettig waren. Zijn familieleden huilen en klagen nu dat hij er
niet meer is om hen onterechte gunsten te bewijzen, hen oneerlijk te belonen met contracten en
banen, op illegale wijze de rijkdom van de natie aan hen uit te geven, enz. Waar de familieleden
om huilen, is precies waar hij voor wordt gestraft door Allah na zijn dood. Hoe meer ze hem
missen, hoe meer ze huilen, en hoe meer het laat zien hoe slecht hij was.
Een ander voorbeeld zou kunnen zijn dat een persoon tijdens zijn leven een goed karakter aan
zijn familieleden liet zien, maar dat ze niet op de hoogte waren van zijn slechte daden, die zeer
talrijk en zeer ernstig waren. Ze huilen oprecht dat ze iemand hebben verloren die goed was,
maar Allah houdt hem verantwoordelijk voor zijn wandaden.
Hoe het ook zij, het belangrijke punt hier is dat A’ishah vond dat deze uitspraak van de Profeet
in tegenspraak is met de koran als je er een algemeen geldend principe van maakt. Maulana
Muhammad Ali heeft als volgt deze correctie van A’ishah toegelicht:
“Aldus staat vast dat de metgezellen de gewoonte hadden, dat wanneer ze ontdekten dat een
zekere hadith in strijd was met de heilige koran, ze deze dan onmiddellijk verwierpen, ook al
was de verteller ervan iemand van hoog kaliber en had hij die uitspraak rechtstreeks van de
Profeet. Ze wendden zich tot de heilige koran omdat die volmaakt en zonder fouten bewaard
was gebleven. Aan de andere kant werden de hadith-verslagen niet bewaard volgens deze hoge
standaard en was er een grote kans op fouten bij het horen, vertellen en begrijpen ervan. Dus
elke hadith die tot ons is gekomen via verschillende overleveraars, van wie de meesten geen
metgezellen waren, hoewel de overlevering zelf zinvol kan zijn, maar niet verbonden is met
enige praktijk van de moslims, en een beschrijving is van geschiedenis of gebeurtenissen, als
zo’n hadith in strijd is met de koran, dan is het verwerpen ervan perfect in overeenstemming
met het gebruik van de metgezellen.”
Een andere interessante hadith is de volgende, hoewel profeet Mohammed er niet bij betrokken
was. Er waren in de aanwezigheid van A’ishah enkele mensen aan het praten over de vraag wat
er kan langslopen voor iemand die aan het bidden is wat zijn gebed ongeldig maakt. Ze zeiden:
“Een hond, een ezel en een vrouw; als een van deze langsloopt voor iemand die aan het bidden
is, dan maakt dit hun gebed ongeldig.” A’ishah zei: “Jullie hebben ons (vrouwen) tot honden
gemaakt. Zeker, ik zag de Profeet (s.a.w.s.) gebeden zeggen en ik lag op bed tussen hem en de
qiblah. Als ik iets nodig had glipte ik stilletjes weg, omdat ik het niet prettig vond om voor hem
langs te gaan,” (Boechari, hadith 511). In een andere versie van deze hadith is haar antwoord:
“Stellen jullie ons (vrouwen) gelijk aan een hond en een ezel? En werkelijk heb ik het zelf
gezien dat ik in bed lag en de Profeet (s.a.w.s) kwam binnen en ging in het midden van de
bedstee staan en zegde zijn gebeden. Ik vond het niet prettig om voor hem te blijven, dus glipte
ik naar het voeteneinde van mijn bed waarna ik onderuit mijn sprei wegglipte,” (hadith 508).
Maulana Muhammad Ali geeft hierover de volgende toelichting:
“Aisha hechtte er sterk aan om de verkeerde opvatting van sommige mensen te weerspreken
dat er een uitspraak van de Profeet bestond die luidde dat als een vrouw, een hond of een ezel
voor iemand langsloopt in gebed dat zijn gebed dan ongeldig wordt. Ze maakt dat denkbeeld
belachelijk. Hieruit blijkt dat er zelfs al in de tijd van de metgezellen van profeet Mohammed
door een gebrek aan begrip bepaalde verkeerde opvattingen onder de moslims waren
binnengeslopen.”
Er is een ander interessant, en ook controversieel, verslag in Boechari dat als volgt gaat:
“Toen de ziekte van de Profeet (s.a.w.s) ernstig werd, zei hij: ‘Breng mij schrijfmateriaal en ik
zal voor u een document schrijven waarna u niet meer zult dwalen.’ Oemar zei: ‘De Profeet
(s.a,w,s.) is door ziekte getroffen en wij hebben het boek van Allah bij ons dat voor ons
voldoende is.’ Toen werden de mensen het oneens en het rumoer nam toe. Hij (de Profeet) zei:
‘Ga uit mijn buurt, want het is niet gepast dat er in mijn nabijheid wordt getwist.’” (Boechari,
Boek der Kennis, hadith 114).
Onze sjiitische moslimbroeders beweren dat Oemar profeet Mohammed belette zijn testament
voor de moslims op te stellen. Maar Oemar kon de Profeet niet hebben belet dezelfde instructies
uit te spreken die hij op schrift wilde stellen. En in werkelijkheid was het door te spreken, en
niet door te schrijven, dat de Profeet zijn leringen en instructies aan zijn volgelingen gaf. Het
was de zeer ernstige staat van de ziekte van de Profeet die Oemar ertoe bracht te zeggen dat hij
in die toestand zich niet mocht bezighouden met het dicteren van een document. Hij zei niet
tegen de mensen om niet naar de Profeet te luisteren. Toen Oemar zei: “Wij hebben het boek
van Allah bij ons dat voor ons voldoende is,” zei de Profeet niets meer. Het enige wat de
moslims kon behoeden voor dwaling was het naleven van de koran. Dat was wat Oemar zei,
omdat hij besefte dat dit het testament was dat de Profeet wilde achterlaten. Persoonlijk denk
ik dat het probleem met een geschrift dat gedicteerd zou zijn door de heilige Profeet dat het
natuurlijk geen openbaring van Allah zou zijn, maar woorden van de Profeet. Het zou echter
even belangrijk kunnen worden als de koran.
Ook weten we dat profeet Mohammed tegen zijn volgelingen had gezegd dat hij ook maar een
sterveling was, en dat, zoals bij iedere andere sterveling, zijn uitspraken door zijn lichamelijke
en emotionele toestand beïnvloed konden worden. Oemar kan dus hebben beseft dat de ernst
van de ziekte van de Profeet invloed kon hebben gehad op zijn uitspraken over een belangrijke
zaak.
Ook deze gebeurtenis illustreert de relatieve positie van de koran en de uitspraken van profeet
Mohammed zelf.
Gepubliceerd door: IslamLab
In Nederlands vertaald door: Reza Ghafoerkhan
