Is de islam antisemitisch? (2)

Vrijdag choetba door Dr Zahid Aziz, voor de Lahore Ahmadiyya UK, 8 december 2023 Ik ga verder met het onderwerp van de choetba van vorige week. Ik wil laten zien dat desuggestie dat de islam aan moslims leert om joden te haten, met andere woorden, antisemitisme,volkomen onjuist is. Het eerste vers dat ik heb opgelezen […]

Vrijdag choetba door Dr Zahid Aziz, voor de Lahore Ahmadiyya UK, 8 december 2023

Ik ga verder met het onderwerp van de choetba van vorige week. Ik wil laten zien dat de
suggestie dat de islam aan moslims leert om joden te haten, met andere woorden, antisemitisme,
volkomen onjuist is. Het eerste vers dat ik heb opgelezen komt in een iets andere vorm ook
voor in hoofdstuk 5, Al-Mā’idah, vers 69. In dit vers wordt aangegeven dat het in Allahs ogen
gaat om het geloof in God, het geloof in de uiteindelijke verantwoording van jouw daden voor
God en het verrichten van goede daden. De volgelingen van de verschillende genoemde
religies, waaronder moslims en joden, beschouwen dit als de belangrijkste principes van hun
religies. Ze zouden dus naar deze principes moeten handelen. Als je jezelf beschouwt dat God
jou speciaal uitverkoren heeft en dat jij alleen Zijn vergiffenis waardig bent enkel omdat je
jezelf moslim, jood, christen of wat dan ook noemt, dan heeft zo’n aanspraak geen enkele
waarde in Gods ogen. Het tweede vers dat ik heb voorgedragen maakt geen gewag van een
beloning van Allah, zoals het eerste vers, maar zegt alleen dat volgelingen van alle religies,
evenals degenen wiens religie alleen afgoderij was, hun verschillen door God zullen laten
beslissen op de dag des oordeels.

Deze beide verzen geven aan dat Allah over iedereen volgens dezelfde maatstaven oordeelt, of
dat nu moslims, joden, christenen of wie dan ook zijn. Het feit dat de joden in dezelfde categorie
worden geplaatst als alle anderen wat betreft hun oordeel door God, toont aan dat de koran de
joden er niet als een groep uitlicht en voor hen hardere en strengere maatstaven hanteert dan
voor moslims of anderen.

In zijn dagelijkse voorbeeld behandelde de profeet Mohammed (v.z.m.h.) joden met dezelfde
menselijkheid en hoffelijkheid die hij aan alle andere mensen toonde. Er is een ḥadīth in de
verzameling van Boechārī waarin iemand vertelt:

”Een begrafenisstoet trok aan ons voorbij en de Profeet (v.z.m.h.) stond op en wij stonden
ook op. We zeiden: ‘O Boodschapper van Allah! Dit is de begrafenisstoet van een jood.’
Hij zei: ‘Wanneer julllie een begrafenisstoet zien, sta dan op.’”

In de volgende ḥadīth staat dat, in een tijd na de verovering van Iran door de moslims, twee
metgezellen van de profeet Mohammed eens op straat zaten toen het volgende gebeurde:

“Een begrafenisstoet trok aan hen voorbij en zij stonden op. Er werd tegen hen gezegd dat
het de begrafenisstoet was van een van de lokale inwoners, dat wil zeggen, van een nietmoslim die leefde onder de bescherming van de moslims (ahl al-zimmah). Deze
metgezellen antwoordden: ‘Er trok een begrafenisstoet langs de Profeet (v.z.m.h.) en hij
stond op. Toen hem verteld werd dat het de begrafenis van een jood was, zei hij: Is het
niet (de begrafenisstoet) van een mens?’” (Boechārī, nr. 1311 en 1312)

De woorden van de profeet Mohammed in het Arabisch zijn: a laisat nafs-an? Slechts drie
eenvoudige woorden: ‘Is het geen menselijke ziel?’ Deze ḥadīth staat ook in de verzameling
van Moeslim (nr. 961). Vandaar dat het een zeer authentieke ḥadīth is. Volgens een versie in
de verzameling van Moeslim antwoordde de Profeet, toen hem verteld werd dat het de
begrafenis van een joodse vrouw was:

“De dood is zeker een zaak van vrees en verontrusting. Dus als jullie een begrafenisstoet
zien, sta dan op.” (nr. 960a)

En een andere versie in de verzameling van Moeslim beschrijft:

“De Profeet en zijn metgezellen stonden voor de begrafenisstoet van een jood totdat de
draagbaar uit het zicht was verdwenen.” (nr. 960c)

De Profeet had een vrouw die tot een joodse stam behoorde. Haar naam was Ṣafiyyah. Ook
Ḥafṣah, dochter van ‘Oemar, was een van de vrouwen van de Profeet uit zijn eigen stam van
de Qoeraisj. Eens betitelde Ḥafṣah Ṣafiyyah als ‘dochter van een jood’. Wat er toen gebeurde
wordt beschreven in een ḥadīth in de verzameling van Tirmizī:

“Het bericht bereikte Ṣafiyyah dat Ḥafṣah had gezegd: ‘de dochter van een jood,’ waarop
zij huilde. Toen kwam de Profeet naar haar toe terwijl ze aan het huilen was. Hij zei toen:
’Waarom huilt u?’ Zij zei: ‘Ḥafṣah zei tegen mij dat ik de dochter van een jood ben.’
Daarop zei de Profeet: ‘U bent de dochter van een Profeet (dat wil zeggen Aaron), en uw
oom is een Profeet (dat wil zeggen Mozes), en u bent getrouwd met een Profeet. Dus waar
schept zij over op tegenover u?’ Toen zei hij (tegen Ḥafṣah): ‘Vrees Allah, o Ḥafṣah.’”
(nr. 3894).

Volgens een andere versie van deze overlevering hadden de vrouwen van de profeet
Mohammed ‘Ā’ishah en Ḥafṣah (dochters van Aboe¯ Bakr en ‘Oemar) over Ṣafiyyah gezegd:
“Wij zijn meer geëerd door de Boodschapper van Allah dan zij,” en: “Wij zijn de vrouwen
van de Profeet en zijn nichten.” Hierop zei de Profeet tegen Ṣafiyyah:

“Waarom hebt u niet gezegd (tegen hen): Hoe kunnen jullie beter zijn dan ik, terwijl mijn
man Mohammed is, mijn vader Aaron en mijn oom Mozes?” ( nr. 3892).

De profeet Mohammed gaf Ṣafiyyah het advies om tegen Ḥafṣah en ‘Ā’ishah (moge Allah
tevreden over hen zijn) te zeggen dat zij gerelateerd was aan drie profeten – twee van hen door
afstamming en één door huwelijk, terwijl zij slechts aan één profeet gerelateerd waren!

Er is een ander voorval dat door ‘Ā’ishah zelf is overgeleverd. Het gaat als volgt:

De kameel van Ṣafiyyah was uitgeput geraakt, en Zainab had een rijdier over. De
Boodschapper van Allah zei tegen Zainab: ‘Geef haar de kameel.’ Zij zei: ‘Moet ik (die)
aan die jodin geven?’ Daarop werd de Boodschapper van Allah boos en bleef weg van
haar gedurende (de maanden) zoe-l-ḥidjdjah, moeḥarram en een deel van safar.” (Aboe¯
Dāwoe¯ d, h. 4602).

Deze gebeurtenissen tonen aan dat de profeet Mohammed het beledigen van joden sterk
afkeurde en hij berispte zijn eigen volgelingen en zijn eigen vrouwen voor het beledigen van
hen.

Een ander voorval, dat gaat over een geschil tussen een jood en een moslim, staat in
verschillende versies in de verzameling van Boechārī. Eén versie gaat als volgt:

“Twee mannen, een moslim en een jood, hadden ruzie. De moslim zei: ‘Bij Hem (d.i. God)
Die Mohammed superieur maakte aan alle mensen!’ De jood antwoordde: ‘Bij Hem Die
Mozes superieur maakte aan alle mensen!’ Daarop hief de moslim zijn hand op en sloeg
de jood in het gezicht. De jood ging naar de Profeet (v.z.m.h.) en vertelde hem over wat
er tussen hem en de moslim was gebeurd. De Profeet (v.z.m.h.) liet de moslim komen en
vroeg hem erover. De moslim vertelde hem over de gebeurtenis. De Profeet (v.z.m.h.) zei:
‘Maak mij niet superieur aan Mozes.’” (nr. 2411, 3408, 6517 en 7472)

Volgens een andere versie was het de jood die de woordenwisseling begon omdat hij iets aan
het verkopen was en de moslim hem slechts een lage prijs ervoor bood waar hij niet tevreden
mee was. De jood zei toen: “Nee, bij Hem Die Mozes superieur maakte aan alle stervelingen!”
Toen hij hem hoorde, stond een man van de Anṣār (bewoners van Medina) op en sloeg hem in
het gezicht en zei: “U zegt: bij Hem Die Mozes superieur maakte aan alle stervelingen, terwijl
de Profeet (Mohammed) (v.z.m.h.) onder ons aanwezig is!” De jood ging naar de Profeet en
zei:

“O Aboe¯ -l-Qāsim! Ik sta onder de bescherming en de overeenkomst van veiligheid (met
u). Welk recht heeft die-en-die daarom om mij te slaan?”

De Profeet vroeg aan de moslim: “Waarom heeft u hem geslagen?” Hij vertelde hem het hele
verhaal. De Profeet (s.a.w.s.) werd zo boos dat er woede op zijn gezicht verscheen, en zei:

Maak geen enkele profeet onder de profeten van Allah superieur.” (nr. 3414, 4638
en 6917).

Dit voorval komt in zoveel versies voor in de verzamelingen van Boechārī en Moeslim dat het
absoluut zeker is dat deze overlevering authentiek en waar is.

Laten we niet vergeten dat dit allemaal gebeurde onder islamitische heerschappij in Medina,
waar de profeet Mohammed het staatshoofd was. Joden leefden onder de bescherming van die
moslimstaat. Daarom ging deze jood met zijn klacht naar de Profeet en had hij er het volste
vertrouwen in dat de Profeet hem recht zou doen. De twist ging over de naam van de profeet
Mohammed zelf. De Profeet zei tegen de moslim dat hij niet had moeten zeggen wat hij had
gezegd. Dit betekent natuurlijk niet dat de profeet Mohammed moslims voorhoudt dat ze hem
niet als superieur aan alle andere profeten moeten beschouwen. Wat het betekent is dat we zijn
superioriteit niet kunnen bewijzen door dit soort twisten, die ertoe leiden dat een moslim zijn
zelfbeheersing verliest en de ander iets begint aan te doen.

Een ander voorval luidt als volgt. Een joodse geleerde had eens wat geld geleend aan de profeet
Mohammed. Later vroeg hij zijn geld bij hem terug. De Profeet zei: ‘Ik heb geen geld dat ik u
kan geven.” Hij zei: “Mohammed, ik ga hier niet weg voordat u hebt betaald wat u me schuldig
bent.” De Profeet zei: “Goed, ik zal bij u blijven.” Zo bleef hij bij hem tijdens de ẓoehr-, ‘aṣr,
maghrib- en ‘ishā-gebeden, en de volgende ochtend tijdens het fadjr-gebed. Zijn metgezellen
waren geïrriteerd en zeiden tegen de jood hem dat ze hem buiten zouden zetten. Toen de Profeet
dit zag, hield hij hen tegen. Zij zeiden: “O Boodschapper van Allah, kan een jood u ophouden?”
Hij zei:

“Allah heeft mij verboden om onrecht te doen aan een ieder die onder ons verdrag van
veiligheid staat, en zulke mensen.”

De woorden ‘zulke mensen’ kunnen ook betekenen ‘en ieder ander’.

Toen de zon opkwam, zei de jood opeens:

“Ik getuig dat er geen God is dan Allah, en ik getuig dat u de Boodschapper van Allah
bent. Ik geef de helft van mijn bezit op de weg van Allah. Ik zweer bij Allah dat ik deed
wat ik deed alleen omdat ik u testte om te zien of de deugden die in de Thora over de
beloofde profeet zijn opgetekend in u aanwezig zijn of niet. De Thora zegt: ‘Hij zal niet
grof zijn in taal noch hard van hart, noch zal hij luid schreeuwen op straat, noch zal hij zich overgeven aan vuile praat.’ Hier is mijn eigendom. U mag er elk bevel over geven.’”
(Mishkāt, Kitāb-oel-Fitan, hfst. Deugden en gewoonten van de Heilige Profeet, sec. 3)

De Profeet bevestigde hier dat joden onder zijn heerschappij leefden waarbij hun veiligheid
werd gegarandeerd op grond van een overeenkomst met hen. Hij verleende dus volledige
rechten aan hen en behandelde hen rechtvaardig, vriendelijk en tolerant. Het is daarom vanuit
de heilige koran en het leven van de profeet Mohammed absoluut duidelijk en onmiskenbaar
dat de islam antisemitisme in elke vorm verwerpt, inclusief het gebruik van sarcastische en
kwetsende taal tegen joden. Moge Allah de wereld in het algemeen en de moslims zelf in staat
stellen om te beseffen dat de islam de hoogste normen van beschaving, gedrag en
mensenrechten stelt aan de manier waarop moslims volgelingen van andere geloven moeten
behandelen – āmīn. Deze hoge normen van de islam kunnen we nu in schril contrast stellen
met de normen die de huidige materialistische en wereldse staten aanhouden bij het nastreven
van hun lage en bekrompen nationale belangen.

Gepubliceerd door IslamLab
Vertaald door Reza Ghafoerkhan

Select the fields to be shown. Others will be hidden. Drag and drop to rearrange the order.
  • Image
  • SKU
  • Rating
  • Price
  • Stock
  • Availability
  • Add to cart
  • Description
  • Content
  • Weight
  • Dimensions
  • Additional information
Click outside to hide the comparison bar
Compare