Wie zijn wij

Moslims die tot de Lahore Ahmadiyya Beweging in de Islam behoren geloven dat er geen god is behalve Allah en dat Mohammed de Boodschapper van Allah is. Zij geloven ook in de uitspraak van de heilige profeet Mohammed (moge vrede en de zegeningen van Allah op hem rusten): "Ik ben de laatste der profeten, na mij komt er geen profeet". Dit houdt in dat zij geloven dat de heilige profeet Mohammed (vzmh) de allerlaatste profeet is die door Allah naar de wereld is gezonden. Na hem kan er geen oude of nieuwe profeet meer verschijnen. De stichter van de Ahmadiyya Beweging in de Islam, Hazrat Mirza Ghulam Ahmad »

Boeddha, een profeet van Allah

Beschuldiging andere moslims kafir te noemen

Beschuldiging andere moslims kafir te noemen
  
De volgende vraag werd op deze website (www.muslim.org) ontvangen. Onze geachte vraagsteller had deze citaten van een anti-Ahmadiyya website gekopieerd.
 
Vraag:
 
Met betrekking tot wie een moslim is volgens Mirza sahib, werd het volgende opgemerkt:
 
“Vraag: Huzoor-e Aali (de geachte Mirza Ghulam Ahmad) heeft op duizenden plaatsen gezegd, dat het in het geheel niet juist is een Kalima-go (iemand die de kalima opzegt) en een Ahl-e Qibla een kafir te noemen. Het is zeer duidelijk dat behalve die momineen die een kafir worden door u (Mirza Ghulam) een kafir noemen, niemand een kafir wordt doordat zij u niet aanvaarden. Nu heeft u echter aan Abdul Hakeem Khan geschreven, dat een ieder die mijn boodschap heeft ontvangen en mij niet heeft aanvaard, niet langer meer een moslim is. Er zit een tegenstrijdigheid tussen deze uitspraak en uw uitspraken in vorige boeken. Eerder heeft u in Tiryaq al-Qulub gezegd, dat niemand een kafir wordt door u niet te aanvaarden; nu schrijft u dat hij door u te verwerpen een kafir wordt?!”
 
“Antwoord: Het is vreemd dat u de persoon die mij verwerpt en de persoon die mij een kafir noemt als twee verschillende personen ziet, terwijl ze in de ogen van God van dezelfde soort zijn; want degene die mij niet aanvaardt, doet dat omdat hij mij beschouwt als een verzinner …” (Haqiqat al-Wahy, Ruhani Khaza’in, deel 22, p. 167)
 
En evenzo:
 
“Aan mij is geopenbaard, dat de persoon die mij niet volgt en zich niet bij mij heeft aangesloten, ongehoorzaam is en als zodanig in de Hel zal worden geworpen.” (Miyar al-Akhyar, deel 9, p. 27)
 
Antwoord:
 
Met betrekking tot uw aanhaling uit Haqiqat al-Wahy, schrijft hij in hetzelfde boek enkele pagina’s eerder:
 
“Deze mensen stelden eerst een fatwa van kufr tegen mij op, waarin wij kafirs worden genoemd, en ongeveer 200 Maulavi’s plaatsten hun zegel daarop. In deze fatwa’s werd er zo’n vijandigheid getoond, dat sommige Ulama zelfs schreven dat deze mensen [Ahmadi’s] erger in ongeloof zijn dan joden en christenen; en ze gaven fatwa’s uit die zeiden dat deze mensen niet op moslimbegraafplaatsen mogen worden begraven, dat ze niet met salam en andere groeten mogen worden begroet, en dat het niet gepast is om gebeden achter hen te verrichten, omdat zij kafirs zijn. Ze mogen niet in de moskeeën toegelaten worden, omdat zij ze zullen bevuilen; als ze daar binnen gaan, dan moet de moskee gereinigd worden. Het is toegestaan hun bezittingen te stelen en ze mogen gedood worden …
 
“Kijk nu naar deze leugen, nl. dat ze me ervan beschuldigen dat ik 200 miljoen moslims en Kalima-betuigende mensen tot kafirs heb verklaard. Wij hebben niet het initiatief genomen mensen als kafir te brandmerken. Hun eigen religieuze leiders vaardigden fatwa’s van kufr tegen ons uit en brachten een commotie teweeg in Punjab en India dat wij kafirs zijn. Deze verklaringen hebben de onwetende mensen dusdanig van ons doen vervreemden, dat ze het als een zonde zien om zelfs maar met ons een beschaafd gesprek te voeren. Kan enige Maulavi, of enig andere tegenstander, bewijzen dat we hen als eerste tot kafir hebben verklaard? Indien er enig stuk, mededeling of boekje is, door ons uitgegeven, vóór hun fatwa’s van kufr, waarin we onze moslimtegenstanders tot kafir hebben verklaard, dan moeten ze die naar voren brengen. Zoniet, dat moeten ze zich realiseren hoe oneerlijk het is dat terwijl zij degenen zijn die ons kafirs noemen, ze ons beschuldigen dat we alle moslims tot kafir hebben verklaard. … En na ons via hun fatwa’s tot kafir te hebben verklaard, geven ze zelf toe, dat degene die een moslim een kafir noemt, de kufr naar zich teruggekaatst krijgt. Hadden wij onder deze omstandigheden niet het recht hen kafir te noemen volgens hun eigen toegeving?”
(Haqiqat al-Wahy, p. 119-120)
 
Hieruit is het volkomen duidelijk, dat hazrat Mirza sahib nooit een moslim kafir had genoemd, omdat die niet in hem geloofde. Indien hij dat wel had gedaan, dan zou hij de eerste zijn geweest om anderen kafir te noemen. Maar hij stelt hier dat het integendeel zijn tegenstanders waren, die hierin het initiatief namen door hem als kafir te bestempelen en alle moslims op te dragen om de Ahmadi’s te mijden en te verstoten.
 
Tegen deze achtergrond en in deze context dient het antwoord van hazrat Mirza sahib gelezen te worden.
 
In de vraag zelf wordt toegegeven dat hazrat Mirza sahib “op duizenden plaatsen heeft geschreven dat het in het geheel niet juist is een Kalima-go en een Ahl-e Qibla een kafir te noemen”, en er wordt aan hem gevraagd dat wat hij nu op slechts één plaats heeft geschreven hiermee in strijd schijnt te zijn. In antwoord hierop zegt hij niet dat hij het op die duizend plaatsen verkeerd had, maar zegt hij integendeel, dat wat hij heeft geschreven op die ene plaats niet in strijd is met die “duizenden plaatsen”.
 
Zijn antwoord omvat ongeveer drie pagina’s, waarvan onze critici slechts het begin hebben aangehaald. Het antwoord in het geheel laat zien, dat zijn woorden “degene die mij niet aanvaardt” niet algemeen zijn, maar van toepassing zijn op diegenen, die volgelingen waren van de ulama, die hazrat Mirza sahib en de Ahmadi’s tot kafir hadden verklaard. Zoals hij aan het einde schrijft van zijn antwoord op deze vraag:
 
“Ik zie al die personen die niet in mij geloven, behalve degenen die mij tot kafir hebben verklaard, als mu’min (gelovigen).” (Ruhani Khaza’in, deel 22, p. 169, voetnoot)
 
Neem nu notie van zijn volgende woorden in ditzelfde antwoord:
 
“Tweehonderd maulavi’s hebben mij tot kafir verklaard en een fatwa van kufr tegen mij geschreven. Hun fatwa toont aan dat een ieder die een mu’min (gelovige) een kafir noemt, zelf een kafir wordt, en een ieder die een kafir een mu’min noemt, ook een kafir wordt.” (p. 168)
 
De maulavi’s verklaarden niet alleen harat Mirza sahib en zijn volgelingen tot kafir, maar meer dan dat nog is ook degene die hem of Ahmadi’s als moslims beschouwt (nl. een kafir als mu’min beschouwt) ook een kafir. Dit betekent dat het van een gewone moslim die hazrat Mirza sahib niet aanvaardt zelfs niet door de maulavi’s wordt toegestaan om hem als moslim te beschouwen, omdat indien hij dat zou doen, dan zou hijzelf door de maulavi’s tot kafir worden verklaard!
 
Dit is in feite de wettelijke toestand in Pakistan op dit moment, namelijk dat iedere persoon die als ‘moslim’ erkend wil worden onder de Pakistaanse wet, op een formulier moet verklaren dat hij/zij hazrat Mirza sahib als een “bedrieger” beschouwt en alle Ahmadi’s als niet-moslims. Elke moslim in Pakistan die hazrat Mirza sahib niet aanvaardt, verklaren dus ook hem en de Ahmadi’s tot kafir door een verplicht formulier te ondertekenen die hierop neerkomt.
 
Een ander voorbeeld is de moslimgemeenschap van Kaapstad, Zuid-Afrika. De ulama aldaar hebben bepaald dat wat zij “Ahmadi sympathisanten” noemen ook net als Ahmadi’s kafir zijn. Een “Ahmadi sympathisant” is iemand die Ahmadi’s als moslims behandelt. Een soennitische imam werd afgezet door de ulama, omdat hij Ahmadi’s toestond zijn moskee binnen te treden voor het gebed, en dit leidde tot de beroemde burgerrechtzaak in de jaren 1980. Zij verlangen dat alle moslims Ahmadi’s tot niet-moslims worden verklaard.
 
Het is de oorspronkelijke fatwa van de maulavi’s en de huidige wet van Pakistan die “degene die mij niet aanvaardt” in dezelfde categorie plaatst als “de persoon die mij een kafir noemt”.
 
In ditzelfde antwoord stelt hazrat Mirza sahib de volgende oplossing voor met betrekking tot degenen die niet in hem geloven. Onmiddellijk na de regels van p. 168 die hierboven zijn aangehaald, schrijft hij:
 
“De eenvoudige oplossing hiervoor is nu, dat indien er andere mensen zijn die eerlijk en oprecht zijn, en geen hypocrieten zijn, dan moeten ze een aankondiging uitvaardigen over deze maulavi’s, en elke maulavi bij naam noemen, en zeggen dat zij allen kafir zijn, omdat ze een moslim tot kafir verklaren. Dan zal ik geloven dat zij moslims zijn. … Als het niet correct is dat een persoon door iemand anders een kafir te noemen, zelf een kafir wordt, laat me dan een fatwa van jullie maulavi’s zien die hierop neerkomt en ik zal die accepteren. In het andere geval, wanneer zo’n persoon wel een kafir wordt, dan moeten ze een aankondiging uitvaardigen over de kufr van tweehonderd maulavi’s bij naam. Daarna zal het voor mij verboden zijn om twijfels te koesteren of ze moslims zijn, mits zij zich niet hypocriet gedragen.” (p. 169)
 
Als zij deze aankondiging uitvaardigen, dan zegt hij dat hij zal geloven dat ze moslims zijn en nooit eraan zal twijfelen dat ze moslims zijn, zelfs als zouden ze hem niet aanvaarden. Het is de fatwa van de maulavi’s die het voor deze moslims onmogelijk heeft gemaakt om hem en als moslim te beschouwen, alsook de maulavi’s als moslims te beschouwen.
 
Hazrat Mirza sahib eindigt zijn antwoord als volgt:
 
“Zelfs nu noem ik de Ahl-i Qibla geen kafir, maar wat betreft degenen die zelf een reden voor hun eigen kufr hebben gecreëerd, hoe kan ik hen mu’min noemen?” (Ruhani Khaza’in, deel 22, p. 169, voetnoot)
 
Dit is in het kort het antwoord op de vraag: dat hij zelfs nu niet de Ahl-i Qibla kafir noemt, net zoals hij dat op die “duizenden plaatsen” heeft geschreven.
 
Wat betreft uw tweede citaat (“Aan mij is geopenbaard, dat de persoon die mij niet volgt en zich niet bij mij heeft aangesloten, ongehoorzaam is en als zodanig in de Hel zal worden geworpen”) zijn er in dit geval twee groepen van woorden weggelaten en ook de rest van de vertaling is verdraaid. Het moet als volgt luiden:
 
“… God heeft aan één man geopenbaard, dat degene die u niet volgt en uw bai’at niet binnentreedt en uw tegenstander blijft, diegene is ongehoorzaam aan Allah en de Boodschapper en zal naar de hel gaan”.
 
Hier wordt duidelijk gezegd: “en uw tegenstander blijft” (wat ik heb onderstreept). Een ieder die de missie van hazrat Mirza sahib als mujaddid tegenwerkt, hetgeen het verdedigen van de islam is en die laten zegevieren over zijn lasteraars, is ongehoorzaam tegenover de bevelen van Allah en de heilige profeet Mohammed en komt in aanmerking voor de straf van de hel zoals Allah die moge bepalen. Die moslims die door de geschiedenis heen de islam en de moslim-umma hebben geschaad, zullen zeker voor hun wandaden Allahs straf ontvangen, alhoewel zij moslims zijn en geen kafir.
 
Merk ten tweede op dat hazrat Mirza sahib dit zijn openbaring noemt. Zijn openbaringen vormen geen onafhankelijk gezag, maar zijn onderworpen aan de leringen van de islam in de Koran en de Hadies. De Koran vertelt ons in 24:55, na de moslims beloofd te hebben dat er onder hen khalifa’s van de profeet Mohammed zullen verschijnen, dat degenen die hen tegenwerken overtreders (fasiq) zijn. In Bukhari wordt gezegd dat Allah Zelf zegt:
 
“Ik zal de oorlog verklaren tegen degene die vijandigheid toont tegenover een vrome aanbidder (wali) van Mij.” (Muhsin Khans vertaling, deel 8, boek 76, no. 509)
 
De openbaring van hazrat Mirza sahib is hiermee in overeenstemming.
 
Als derde, wanneer we de context lezen waarin deze citaat voorkomt, zien we dat hazrat Mirza sahib een weerlegging schreef tegen een moslimtegenstander, die ook beweerde openbaringen te ontvangen. De tegenstander beweerde dat God hem een openbaring had gezonden dat hazrat Mirza sahib een “fir’aun [Farao], kazzab (leugenaar), musrif (iemand die de grenzen overschrijdt in zonde), fasiq (slechtdoener) en kafir” etc. was. Hazrat Mirza sahib schrijft als reactie hierop dat God aan hem had geopenbaard, dat hij “de gekozene van God … de Beloofde Messias en mujaddid van de 14e eeuw … “ was. Op gelijke wijze beweerde die persoon een openbaring te hebben ontvangen, dat degenen die Mirza sahib volgen zich op het pad van geestelijke vernietiging bevinden, en hazrat Mirza sahib wierp hier de openbaring tegenin die we bespreken.
In deze zelfde bron heeft hazrat Mirza sahib dus gezegd, dat God aan hem heeft geopenbaard dat hij de mujaddid van de 14e is. Vandaar dat wanneer hij zegt dat God aan hem heeft geopenbaard dat “degene die u niet volgt en uw tegenstander blijft … “, dit dan verwijst naar wat er gebeurt met degenen die een mujaddid verwerpen en tegenwerken. Er komt hier geen vermelding voor door hazrat Mirza sahib van enige aanspraak door hem een profeet te zijn, of dat degenen die niet in hem geloven kafir zijn. (Noot: Zelfs de Qadiani’s geloven dat hij er geen aanspraak op maakte een profeet te zijn ten tijde dat hij dit schreef in 1899.)
 
Daarbij komt dat de uitspraak over wat er gebeurt met “degene die u niet volgt …” van toepassing is op die soort van tegenstander, tegen wie hazrat Mirza sahib hier schrijft, de persoon die aan de wereld verkondigt dat God aan hem heeft geopenbaard dat Mirza sahib “een fir’aun, kazzab, musrif, fasiq, kafir” is.
 
Zahid Aziz.