Vrijdagpreek door dr. Zahid Aziz, voor Lahore Ahmadiyya UK, 12 december 2025

In een eerdere khoetbah heb ik een vers geciteerd dat slechts enkele verzen vóór deze verzen voorkomt en waarin de Heilige Profeet Mohammed (vrede en zegeningen van Allah zij met hem) wordt opgedragen tegen de mensen te zeggen:
“Zeg: Ik vind in datgene wat tot mij is geopenbaard niets verboden voor een eter om te eten, behalve als het is wat vanzelf doodgegaan is, of uitgestort bloed, of varkensvlees — want dat is waarlijk onrein — of datgene wat een overtreding is, een andere (naam) dan (die van) Allah zijnde daarover aangeroepen. Maar wie door de nood gedrongen is, niet wensende, noch de grens overschrijdende, dan waarlijk, uw Heer is Vergevensgezind, Genadig.” – 6:145
Dit vers maakte ons duidelijk welk voedsel precies verboden of ḥarām is, en dat ons in de Koran niets verboden wordt om te eten behalve de specifieke zaken die hier worden opgesomd. Vervolgens wordt ons in de verzen die ik zojuist heb gereciteerd verteld wat in het leven werkelijk verboden is. Dit neemt het misverstand uit de weg dat bij de meeste moslims leeft, namelijk dat ‘verboden’ of ḥarām voornamelijk betrekking heeft op zaken die met eten en drinken te maken hebben.
Het eerste wat als verboden wordt genoemd, is dat iemand iets anders dan Allah als Zijn deelgenoot beschouwt, of meent dat iets anders deelt in bepaalde eigenschappen of vermogens die alleen Allah toebehoren. Dit wordt het plegen van shirk genoemd. Met shirk wordt niet alleen bedoeld dat men naast de ene God daadwerkelijk ook iets anders als een god aanbidt, bijvoorbeeld een afgodsbeeld, een historische persoonlijkheid of een mythische, denkbeeldige figuur. Onder moslims is er niemand die tijdens het gebed daadwerkelijk iets anders dan Allah aanbidt.
Er zijn echter vele moslims die religieuze leiders, politieke leiders of rijke en machtige mensen gehoorzamen in alles wat zij hun zeggen te doen. Velen van hen zijn zeer trots op hun volledige onderwerping aan zulke leiders. In het geval van religieuze leiders geloven hun volgelingen dat Allah tevreden met hen zal zijn wanneer zij de leider, geleerde of imam zonder iets in twijfel te trekken gehoorzamen. Wat de wereldse machthebbers betreft, geloven hun volgelingen dat zij hen moeten gehoorzamen om in deze wereld succesvol te zijn, hogere posities te bereiken of zelfs maar te overleven. Dit alles is verboden, omdat het ervoor zorgt dat iemand zich in de praktijk gedraagt alsof hij gelooft dat deze leiders iets van de macht en eigenschappen van Allah bezitten.
Ik wil hieraan toevoegen dat de geschiedenis van de godsdiensten vele voorbeelden kent van religieuze leiders die de daden van de koning van het land op religieuze gronden rechtvaardigden, terwijl die daden in werkelijkheid waren ingegeven door zijn eigen verlangens en politieke doeleinden. Deze religieuze leiders waren uit op gunsten van hun koning of waren in feite betaalde dienaren van de staat. Moslimkoningen hadden ulama, oftewel religieuze geleerden, in dienst die uitspraken of fatwa’s uitvaardigden om hun daden te rechtvaardigen.
Zo werd het houden van concubines — slavinnen die voor seksuele doeleinden werden gebruikt — in de islamitische wetgeving geoorloofd verklaard. Koningen wilden zich uit hun eigen, lage verlangens aan deze praktijk overgeven en deden daarom een beroep op de ulama die bij hen in dienst waren om haar aan de hand van de leerstellingen van de islam te rechtvaardigen.
Eens wilde een soennitische koning een naburig sjiitisch koninkrijk aanvallen, maar hij besefte dat het een moslim niet was toegestaan een andere moslim te doden. Daarom wendde hij zich tot zijn ulama en bracht hij hen ertoe de sjiieten tot ongelovigen, of kafirs, te verklaren, zodat het hem volgens de islam toegestaan zou zijn dat koninkrijk aan te vallen.
Het volgende voorschrift dat in deze verzen wordt genoemd, en waarvan het niet naleven een ḥarām-daad is, luidt: “Doe goed aan uw ouders.” Een soortgelijk voorschrift staat ook in de Tien Geboden van de Bijbel, en wel op dezelfde plaats in de volgorde. De eerste vier van de Tien Geboden hebben betrekking op het uitsluitend aanbidden van de ene God, het niet aanbidden van iets anders dan God, het eerbiedigen van Zijn naam en het in acht nemen van de heiligheid van de dag van de week die God als heilig heeft verklaard. Het vijfde gebod luidt:
“Eer uw vader en uw moeder.” – Deuteronomium 5:16
De vader en de moeder brengen een mens lichamelijk ter wereld, en het ligt in hun aard dat zij het als hun liefdevolle plicht beschouwen hun kind lichamelijk tot volwassenheid groot te brengen. Als zij verantwoordelijke ouders zijn, geven zij hun kinderen ook morele leiding. Het is alsof zij op aarde het werk van Allah in Zijn plaats verrichten en als Zijn vertegenwoordigers optreden. Maar niet alle ouders geven goede morele leiding. Daarom heeft Allah de heilige profeet Mohammed (vrede en zegeningen van Allah zij met hem) aangesteld als de geestelijke vader van alle moslims en zijn vrouwen als hun geestelijke moeders, van wie zij tot op de dag van vandaag leiding kunnen ontvangen.
Daarna volgt dit voorschrift:
“En dood uw kinderen ook niet uit (vrees voor) armoede — Wij voorzien in uw onderhoud en van hen.”
Nadat de plicht van de kinderen jegens hun ouders is genoemd, wordt onmiddellijk het recht van het kind op zijn of haar leven genoemd. Er zijn twee punten die bij dit gebod opvallen. In het Arabië van die tijd werden alleen babymeisjes door hun ouders gedood, en geen jongens. Dit vers heeft echter betrekking op alle kinderen, zowel jongens als meisjes. Bovendien werd een babydochtertje in zulke gevallen niet gedood uit vrees voor armoede, maar uit schaamte en vanwege de schande die men in de samenleving meende te ondervinden. Deze wrede gewoonte in het Arabië van die tijd wordt op meer dan één plaats in de Koran genoemd. Op een van die plaatsen staat:
“En wanneer tot een van hen (de geboorte van) een dochter aangekondigd wordt, wordt zijn gezicht donker en hij is vol van toorn. Hij verbergt zich voor de mensen vanwege het kwaad van wat hem is aangekondigd. Zal hij het met schande behouden, of het (levend) in het stof begraven? Nu waarlijk, slecht is wat zij oordelen.” – 16:58-59
Het doden van kinderen, zowel jongens als meisjes, uit vrees voor armoede was dus niet volledig van toepassing op de samenleving waarin de Koran werd geopenbaard. Maar de Koran geldt voor alle omstandigheden en alle tijden. Er zijn culturen in de wereld waarin ouders de geboorte van een dochter beschouwden — en nog steeds beschouwen — als een financieel verlies en een nadeel voor de toekomst. Zij zal hen geld kosten wanneer zij trouwt en deel gaat uitmaken van een andere familie, terwijl een zoon bij hen blijft en bijdraagt aan de vergroting van hun inkomen en vermogen. Zij doden hun dochters misschien niet wanneer zij nog baby’s zijn, maar in de moderne tijd proberen veel ouders met zo’n denkwijze, door wetenschappelijke ontwikkelingen, de geboorte van dochters te voorkomen door de zwangerschap af te breken wanneer uit een echo blijkt dat het ongeboren kind een meisje is.
Een ander voorbeeld in de moderne tijd is het overheidsbeleid in China, waar de bevolking ooit te snel groeide en de vrees bestond dat het land hierdoor binnen enkele jaren ernstig zou verarmen. Rond het jaar 1980 voerde de regering een eenkindbeleid in, dat getrouwde stellen dwong niet meer dan één kind te krijgen. De regering handhaafde dit beleid streng door gedwongen abortussen en sterilisaties, boetes en het verlies van uitkeringen en andere voordelen wanneer men meer dan één kind kreeg. Vanwege de schadelijke gevolgen moest dit beleid vanaf 2013 echter worden versoepeld. Volgens het Amerikaanse instituut voor sociaal en economisch onderzoek Brookings waren vanaf het jaar 2000 “de schadelijke gevolgen van het voortzetten van het ondoordachte eenkindbeleid” zichtbaar. Er was sprake van een krimpende jongere generatie en een afnemende beroepsbevolking in vergelijking met de oudere generatie. In hun onderzoek staat:
“Het eenkindbeleid van China zal de geschiedenis ingaan als een van de kostbaarste lessen van onoordeelkundige overheidsbeleidsvorming. … De door dit beleid veroorzaakte schade is langdurig en onherstelbaar.” (Link)
Dit artikel uit 2016 meldt dat dit beleid in 2015 was gewijzigd in een tweekindbeleid. Later, in 2021, werd het gewijzigd in een driekindbeleid. Ook is gebleken dat sommige andere landen in Azië erin zijn geslaagd hun snelle bevolkingsgroei onder controle te houden door de scholing en emancipatie van vrouwen te bevorderen, en niet door gedwongen geboortebeperking.
Sommige Korangeleerden van enkele eeuwen geleden hebben geschreven dat “het doden van uw kinderen” in dit vers betekent dat men hun onderwijs en kennis onthoudt. Maulana Muhammad Ali schrijft bij een ander vers (17:31), waarin hetzelfde verbod wordt herhaald:
“Kindermoord, in het geval van dochters, kwam voor bij de Arabieren, maar dit gebeurde niet uit vrees voor armoede. Volgens Raghib betekent het doden van kinderen hier dat men hun geen behoorlijk onderwijs geeft; onwetendheid, of intellectuele dood, wordt daarbij gezien als de dood. Het woord aulād (kinderen) omvat zowel jongens als meisjes, en deze uitleg is daarom redelijker.’
In zijn Urdu-commentaar op de Koran schrijft maulana Muhammad Ali bij het vers dat ik aan het begin van deze khoetbah heb voorgelezen, dat veel mensen hun kinderen geen onderwijs laten volgen, louter omdat zij arm zijn en de kosten daarvan niet kunnen dragen, of uit vrees dat zij arm zullen worden als zij geld uitgeven aan het onderwijs van hun kinderen. Nadat in dit vers de rechten zijn genoemd die ouders van hun kinderen toekomen, worden de rechten genoemd die kinderen van hun ouders toekomen, namelijk dat zij goed onderwijs moeten krijgen.
Na maulana Muhammad Ali te hebben geciteerd, wil ik hieraan toevoegen dat moderne westerse regeringen inzagen dat de armoede van het gezin als belemmering voor het onderwijs van kinderen moest worden weggenomen. Daarom voerden zij tot een bepaalde leeftijd gratis, algemeen toegankelijk onderwijs in. In die zin handelden zij overeenkomstig het voorschrift: “Dood uw kinderen ook niet uit (vrees voor) armoede.”
Zoals jullie kunnen zien, volgen vanaf dit punt in de verzen die ik aan het begin heb voorgelezen nog verschillende andere essentiële eigenschappen die moslims in hun omgang met anderen moeten tonen. Deze zullen we in latere khoetbah’s behandelen. We sluiten hier af met de bede dat Allah ons in staat stelt naar deze gedragsnormen te leven — Ameen.
Vertaald door Reza Ghafoerkan
Gepubliceerd voor IslamLab
