De waardigheid van de mens

Ik wil graag de leer van de islam bespreken over de plaats en status van zowel de mensheid in zijn geheel als ook van het individu op deze wereld. Er zijn vele ideologieën die beschouwen dat de mens louter een rad in een machine is, en dat zijn doel slechts het dienen van een bepaald […]

Ik wil graag de leer van de islam bespreken over de plaats en status van zowel de mensheid in zijn geheel als ook van het individu op deze wereld. Er zijn vele ideologieën die beschouwen dat de mens louter een rad in een machine is, en dat zijn doel slechts het dienen van een bepaald maatschappelijk systeem of staatsvorm is. Zowel het individu als groepen van mensen zijn eenvoudigweg ondergeschikt aan die ideologie en haar grondregels. Zelfs in wat beweerd wordt een vrije maatschappij te zijn, voelen de mensen alsof zij niet tellen als individuen; wat zij doen of niet doen is van weinig belang. Gegeven de indruk van de islam die algemeen heerst, zullen de meeste mensen denken dat ook deze religie een van deze ideologieën is, die weinig achting heeft voor de mens en haar volgelingen terugbrengt tot een positie van het slechts dienen van de belangen van het systeem.

De positie van de mensheid

Integendeel, de islam onderwijst dat zowel de mensheid als het individu wel degelijk een zeer hoge positie inneemt. Volgens de Heilige Koran zei God, toen Hij de mens schiep:

“Ik ga op de aarde een khalifah maken.” (2:30)

dat wil zeggen, een heerser of een bevoegd gezag van God. Als khalifa kan de mens macht verkrijgen over de stoffelijke natuur, en op het spirituele vlak kan de mens een afspiegeling ontvangen van die voorname, goede en edele eigenschappen die de attributen zijn van God. De aan de mensheid gegeven potenties en het daarvoor gestelde doel, is dus het hoogste wat men zich kan voorstellen. In de Koran wordt gezegd dat God in ieder mens, op het moment van zijn schepping, Zijn eigen Goddelijke geest heeft geblazen (32:9). Dit geeft iedere persoon de bekwaamheid om de nabijheid tot God te bereiken.

Verder zegt de Koran herhaaldelijk dat alles op deze wereld dienstbaar is gemaakt voor de mens, voor zijn nut en voordeel: dingen op de aarde, in de zee, in de lucht, etc. Bijvoorbeeld:

“Ziet u niet dat Allah alles wat in de hemel en alles wat op aarde is dienstbaar heeft gemaakt, en aan u volmaakt Zijn gunsten heeft geschonken, uiterlijk en innerlijk?” (31:20)

God heeft de mensheid dus waardig gemaakt door het de macht te geven om over de stoffelijke wereld te heersen, i.e. uiterlijk, en over zijn eigen zelf, i.e. innerlijk. De mensen hebben, vooral in de afgelopen eeuw of wat, hun macht over de stoffelijke wereld in grote mate ontwikkeld door middel van het verwerven van stoffelijke kennis, maar zij zijn onachtzaam geweest om in staat te zijn te heersen over hun eigen verlangens, emoties en passies. Hoe waardig ziet de mens eruit wanneer u zijn schitterende prestaties en wapenfeiten in de verovering van de natuur ziet, en hoe onteerd en vernederd ziet hij eruit wanneer u zien falen ziet om zijn eigen verlangens te beheersen! Maar de Koran zegt dat God ook Zijn gunsten innerlijk heeft geschonken aan de mens, dat is, de geestelijke leiding om daarmee zichzelf te overwinnen.

Aan de mensen is de kracht van rede gegeven

Een andere manier waarop aan de mens waardigheid is toegekend, is dat aan de mensen hun zintuigen en begrip zijn gegeven. De Koran verwijst herhaaldelijk hiernaar:

“En Hij maakte voor u de oren en de ogen en de harten; weinig is het wat u dankt.” (32:9)

‘Danken’ hier betekent uw zintuigen gebruiken om kennis te vergaren en uw verstand gebruiken om daaruit conclusies te trekken. De Koran benadrukt dat de mensen hun zintuigen en rede moeten gebruiken om zaken te begrijpen, inclusief religieuze geloofszaken. De Koran veroordeelt een blind geloof en volgzaamheid. Degenen die deze vaardigheden niet gebruiken, worden aangeduid als vee, en inderdaad nog verder in dwaling:

“Zij hebben harten waarmee zij niet begrijpen, en zij hebben ogen waarmee zij niet zien, en zij hebben oren waarmee zij niet horen. Zij zijn gelijk als vee, neen, zij zijn verder in dwaling.” (7:179)

Geloof is iets wat uw harten moeten binnengaan op basis van uw waarneming en kennis. De Koran beschrijft de gelovigen als degenen die:

“Allâh gedenken, staande, zittende of op hun zijden liggende, en nadenken over de schepping van de hemelen en de aarde: Onze Heer, U heeft dit niet vergeefs geschapen.” (3:191)

Het is de bedoeling dat men via het nadenken over de schepping van het universum ontdekt dat er een doel is in de schepping. De Koran verwijst herhaaldelijk naar tekenen in de natuur, via welke de mens het bestaan van God, de noodzaak van Zijn openbaring, en de waarheid van Zijn openbaring in de Koran kan afleiden. Het zegt dat deze tekenen alleen verstaan kunnen worden door mensen die nadenken, die kennis hebben, die horen, en die hun verstand gebruiken. Na verschillende soorten van tekenen te hebben opgesomd in 30:21-24, zegt het aan het einde van opeenvolgende verzen:

“Waarlijk, hierin zijn tekenen voor mensen die nadenken.” (v. 21)

“Waarlijk, hierin zijn tekenen voor de geleerden.” (v. 22)

“Waarlijk, hierin zijn tekenen voor mensen die luisteren.” (v. 23)

“Waarlijk, hierin zijn tekenen voor mensen die begrijpen.” (v. 24)

De Koran vraagt de mens keer op keer: Gebruikt u niet uw rede en verstand? Deze uitdrukking komt vele malen van begin tot eind in de Koran voor op plaatsen waar de Koran een argument voorschotelt. Op een plaats citeert het degenen die straf ondergaan voor hun zonden door te zeggen, dat indien zij geluisterd hadden of indien zijn hun verstand hadden gebruikt, dan zouden zij zichzelf niet in die netelige positie hebben aangetroffen. Op gelijke wijze vraagt de Koran de lezer keer op keer om te peinzen en na te denken over verschillende zaken en op verschillende manieren. De islam verwacht dus niet van een persoon dat hij slechts een stel van aan hem gegeven opdrachten en regels gehoorzaamt zonder te begrijpen en na te denken. Ik ben er zeker van dat vele mensen verkeerdelijk denken dat dit het is wat de islam verlangt van haar volgelingen. Integendeel, een persoon wordt niet alleen aangemoedigd, maar het wordt van hem verlangd om zijn Godgegeven vermogens van rede en overdenking te gebruiken.

Vrijheid van geloof

De waardigheid van de mens staat volgens de Koran ver boven het feit dat hij gedwongen moet worden om een of ander geloof te aanvaarden. De Koran zegt:

“De waarheid is van uw Heer; daarom, laat hem die wil geloven, en laat hem die wil niet geloven.” (18:29)

Geloof is iets dat het hart van een mens moet overtuigen en daar binnen moet gaan. Toen enkele Arabische stammen zich voor het eerst aansloten bij de islam en de uitdrukking gebruikten: ‘Wij geloven’, vertelde de Koran hen om niet te zeggen ‘Wij geloven’, maar veeleer ‘Wij zijn moslims geworden, of ‘Wij hebben ons onderworpen’, omdat, zegt de Koran, ‘het geloof uw harten nog niet binnen is gegaan’. Vandaar dat de islam het niet voldoende acht om louter de voorschriften van de religie in een uiterlijke, mechanische zin te volgen, maar uw harten moeten overtuigd worden van de waarheid van het geloof. De hierboven genoemde passage van de Koran brengt ook een andere zeer belangrijke lering van de islam tot stand. Een persoon die een volmaakte leek is in de islam, die nog slechts een eerste basiskennis heeft van de islam, of iemand die nog niet de diepere geloofszaken kan begrijpen, maar die zegt de waarheid van de islam te accepteren, heeft het recht om bij de mensen als moslim kenbaar te zijn. Hij heeft evengoed het recht om zichzelf een moslim te noemen, een lid van de moslimse broederschap, als een of ander grote moslimgeleerde of een of andere moslim die de praktische plichten van de islam uitvoert.

Individuele verantwoordelijkheid

Een andere manier waarop de islam het individu zijn waardigheid heeft toegekend, is door hem verantwoordelijk te maken voor zijn of haar eigen geloof en daden.

“Geen lastdrager kan de last van een ander dragen.” (6:165, 17:15)

Ieder individu draagt zijn of haar eigen verantwoordelijkheid en wordt door God behandeld als een persoon die in zijn of haar eigen recht staat:

“Wij hebben de daden van ieder mens aan zijn hals doen kleven, en Wij zullen op de Dag der Opstanding hem een boek voortbrengen, dat hij wijd opengeslagen zal vinden. Lees uw boek. Heden is uw eigen ziel genoeg als rekenaar tegen uzelf.” (17:13-14)

Het individu wordt niet behandeld als slechts één lid van een groep zonder een eigen identiteit. Zelfs indien u tot een groep of een volk behoort, waarvan de leden verkeerd handelen, dan wordt u niet verantwoordelijk gehouden voor hun misdaden indien u als individu niet die verkeerde daden pleegt of hun plegen steunt. Insgelijks, indien u een slechtdoener bent, dan kunt u niet ontsnappen aan de verantwoordelijk voor uw daden door te beweren tot een groep te behoren van goede en rechtschapen mensen, en niemand, hoe goed en heilig dan ook, kan vrijwillig uw verantwoordelijkheid op zijn schouders dragen. Dit beginsel betekent dat elk van ons iets betekent als individu.

Blinde volgzaamheid

Het blindelings volgen van leiders wordt ook in de Koran veroordeeld. Het zegt dat indien een slechtdoener als verdediging het pleit naar voren brengt dat hij slechts opdrachten volgde en gehoorzaamde, dat dit dan geen acceptabele verdediging is. Hoewel de leiders wel verantwoordelijk dragen voor het misleiden van hun volgelingen, wordt niettemin van elk individu verwacht dat hij zijn eigen rede en verstand gebruikt naar zijn vermogens. Op gelijke wijze veroordeelt de Koran het blindelings volgen van iemands voorouders en van geërfde geloofsopvattingen en waarden:

“Wanneer er tot hen wordt gezegd: Volg wat Allâh heeft geopenbaard, zeggen zei: Neen, wij volgen waar wij onze voorvaderen op vinden. Wat! Ofschoon hun voorvaderen geen verstand hadden.” (2:170)

Het leert dat u rede en verstand dient toe te passen om uit te testen of uw geërfde geloofsopvattingen juist zijn of niet. Nogmaals, deze leringen van de Koran geven de positie van het individu waardigheid, omdat hem wordt verteld om niet blindelings zijn leiders of voorvaderen te volgen.

Volgzaamheid van een groep

Een ander beginsel dat de Koran ons leert, is dat een individu niet moet meedoen aan daden van slechtdoen met zijn gemeenschap of zijn landgenoten of geloofsbroeders. Het zegt:

“Help elkaar in rechtschapenheid en goedheid, en help elkaar niet in zonde en agressie.” (5:2)

Het past een mens niet dat hij alleen de massa moet volgen, zelfs de massa van zijn eigen volk, zonder na te denken of een zaak juist of verkeerd is. Het individu dient eerder nog voor zijn rechten op te staan, zelfs tegen zijn eigen volk.

Het principe van beraadslaging

Bij het nemen van beslissingen in een volk of een gemeenschap heeft de Heilige Koran het beginsel van beraadslaging onderwezen. Het zegt dat de aangelegenheden van de moslims door onderlinge beraadslaging moet worden beslist (42:38). Zelfs de Heilige Profeet Muhammad werd opgedragen om zijn volgelingen te consulteren (3:158), en deze openbaring werd aan hem gegeven toen een beslissing m.b.t. een veldslag, die was genomen was op basis van een meerderheid van opinie, fout bleek te zijn. De Heilige Profeet en enkele van zijn volgelingen hadden de voorkeur voor de ene handelswijze, maar de meerderheid had de voorkeur voor een andere handelswijze. De meerderheidsopvatting werd gevolgd, maar dit leidde bijna tot een ramp. Niettemin openbaarde Allâh tot de Heilige Profeet om zijn volgelingen te vergeven, en hen nog steeds als daarvoor raad te plegen bij het nemen van beslissingen. De openbaring luidt:

“Vergeef hen dus en vraag bescherming voor hen, en raadpleeg hen over zaken.”

Het proces van beraadslaging geeft het individu waardigheid, omdat er rekening wordt gehouden met de opvatting van ieder persoon, terwijl een autocratische heerschappij het individu degradeert, omdat de mening van één mens allesbepalend is. De moslims hebben helaas dit beginsel zowel in hun regeringen als in hun geestelijke en religieuze beweging verbannen. In dit tijdperk heeft hazrat Mirza Ghulam Ahmad dit beginsel van besturen via beraadslaging weer doen opleven. Vóór zijn dood installeerde hij een orgaan bestaande uit zijn volgelingen om de zaken van de beweging te leiden, en gaf hij de schriftelijke instructies dat de beslissingen van dit orgaan, tot stand gekomen via een meerderheid van opinie, definitief en bindend zou zijn voor de beweging. In vroegere spirituele ordes in de islam, enige tijd na de dood van de oorspronkelijke heilige Stichter, kwam de absolute macht in de handen van één man, en hij werd blindelings gevolgd. Dit leidde tot de ergste vorm van machtsmisbruik door die geestelijke leiders, en het leidde ertoe dat die bewegingen verdorven raakten. De uitspattingen en kwaden van enkele van die religieuze leiders die de absolute macht hadden over hun volgelingen, en de gewetenloze manier waarop zij de religie gebruikten om hun misdaden te rechtvaardigen, is gewoonweg onbeschrijflijk en verbijsterend, op z’n zachts gezegd. Het gebeurde allemaal vanwege de onachtzaamheid van het beginsel van beraadslaging en omdat de gewone mensen de leiders blindelings volgden, die geen benul hadden van de waardigheid van de mensheid.

De waarde van het minste individu

Ik zal nu twee voorvallen opnoemen opgenomen in de Heilige Koran, die de waarde zullen aantonen van het meest gewone individu. Tijdens de eerste dagen van zijn missie legde eens de Heilige Profeet Muhammad de islam uit aan enkele hoofden van zijn stam, toen een blinde man tot hem kwam en hem onderbrak met een vraag. De Heilige Profeet fronste en keerde zich van hem af, aangezien hij belangrijke mensen toesprak. God stuurde toen de openbaring tot de Heilige Profeet, vervat in hoofdstuk 80 van de Koran, die afkeuring uitdrukte en hem vertelde dat het misschien de blinde man was die baat zou hebben van zijn leringen. De openbaring vertelde hem dat die hoofden, tot wie Profeet zich richtte, niet eens vonden dat zij enige noodzaak hadden om de islam te volgen, terwijl de blinde man de moeite had genomen om naar hem te komen en Godvrezend was. De blinde man verdiende, volgens de openbaring, meer de aandacht van de Heilige Profeet dan de verzameling van de stamhoofden van Qoeraish. Dit toont aan hoezeer een individu, zelfs het meest onbeduidende individu, wordt gewaardeerd. Het andere voorval is dat van een vrouw die zich beklaagde bij de Heilige Profeet dat haar echtgenoot, door het volgen van een Arabisch gebruik bekend als zihar, alle banden met haar had verbroken, maar dat zij nog steeds niet vrij was om hem te verlaten. Volgens dat gebruik bracht de man zijn vrouw in een toestand waarin zij haar positie als echtgenote had verloren maar ook niet van hem was gescheiden. De vrouw pleitte bij de Heilige Profeet om iets de doen, maar hij was niet van zins om tussenbeide te komen zonder openbaring. God openbaarde toen tot de Heilige Profeet, zeggende dat Hij het pleit van de vrouw had gehoord, en dat Hij de echtgenoten veroordeelde die zich met dat gebruik inlieten en schreef een straf van gemeenschapsdienst voor aan elke man die zijn vrouw op zo’n wijze mishandelde (58:1-4). De klacht van een gewone vrouw werd door God Zelf gehoord en Hij zond een openbaring ten gunste van haar tot Zijn Profeet.

De leringen van de islam die ik hier heb geschetst maken van de islam een hoogst relevante en belangrijke ideologie voor de komende eeuw. Deze leringen worden naar voren gebracht en benadrukt en onderstreept door de Ahmadiyya Beweging in het bijzonder, en dit maakt het werk van deze Beweging zeer belangrijk voor de komende jaren.

Vertaald door Reza Ghafoerkhan

Geef een reactie
Select the fields to be shown. Others will be hidden. Drag and drop to rearrange the order.
  • Image
  • SKU
  • Rating
  • Price
  • Stock
  • Availability
  • Add to cart
  • Description
  • Content
  • Weight
  • Dimensions
  • Additional information
Click outside to hide the comparison bar
Compare