Vrijdag-khoetba door Dr Zahid Aziz, voor Lahore Ahmadiyya UK 3 September 2021

“En jullie God is één God; er is geen God behalve Hij! Hij is de Weldadige, de
Barmhartige.” – 2:163

“Allah getuigt dat er geen god bestaat behalve Hij, en (dit doen ook) de engelen en degenen in het bezit van kennis, (zij) handhaven gerechtigheid. Er is geen god behalve Hij, de Machtige, de Wijze.” – 3:18
De verzen die ik net heb gereciteerd, waarvan soortgelijke in de hele heilige koran voorkomen,
maken de meest fundamentele grondleer van de islam kenbaar, namelijk, dat er maar één God
is en dat is naast Hem geen enkele andere god bestaat. De missie van de islam bestaat eruit om
deze leer aan de mensen te prediken. Het spoort mensen aan om dit denkbeeld te accepteren en
hieraan vast te houden in hun geloofsopvattingen, aanbidding en manier van leven. Hun geloof
in die leer, dat er geen god is dan Allah, wordt dan versterkt door hun daden in praktijk. Door
te getuigen dat er geen god is dan Allah en dat Mohammed de boodschapper van Allah is (de
kalimah), treedt een persoon toe tot het geloof van de islam. Maar ondanks dat de kalimah uit
twee delen bestaat, beschouwt men het eerste deel, ‘er is geen god dan Allah’, als de basis ervan.
In vele overleveringen in de Hadies worden alleen de woorden ‘er is geen god dan Allah’
gebruikt als een verkorte vorm van de hele kalimah. Grote moslimgeleerden uit het verleden
hebben gezegd dat als iemand alleen maar ’er is geen god dan Allah’ opzegt, dan kan men hem
beschouwen als iemand die de volledige kalimah heeft opgezegd.
Het allerbelangrijkste van deze leer ligt in het feit dat het geloof in één God aan de basis ligt
van menselijke vooruitgang, of het nu materiële toename, intellectuele ontwikkeling of morele
groei betreft. Dit geloof doet een persoon vooruitgaan tot het hoogste waartoe hij in staat is.
Zoals we zullen zien, wanneer een persoon andere zaken als god beschouwt in plaats van, of
naast de ene God, dan limiteert en beperkt dit de kijk van die persoon. Dit verhindert hem om
zijn vermogens die in zijn menselijke natuur zijn geplaatst volledig te ontwikkelen .
Natuurlijk is deze stagnatie in jezelf ten volle ontwikkelen niet alleen van toepassing op iemand
die werkelijk de opvatting voorstaat dat er andere goden zijn dan de Ene God. Het is ook van
toepassing op een persoon die er dan wel van uit mag gaan dat er maar één God is, maar wiens
daden in de praktijk laten zien dat hij tegen andere dingen aankijkt alsof die goden zijn.
Toen profeet Mohammed (s.a.w.s.) op de wereld verscheen, was het geloof in één God, of
tauḥeed, op de hele wereld sterk in verval geraakt. Het geloof in en de aanbidding van andere
zaken (dit wordt shirk genoemd) had overal de overhand. Zijn eigen volk, de Arabieren,
aanbaden, hoewel ze wel in één God geloofden, ook stenen afgoden. Ze dachten dat die stenen
hun gebeden konden verhoren. De islam leerde dat dit soort afgoden zelf geschapen dingen zijn,
en geen scheppers. Deze zaken zijn onderworpen aan de natuurwetten, net als degenen die deze
aanbidden. Deze afgoden waren hulpeloos, en geen helpers. En wat nog erger was, was dat de
afgoden hun volgelingen geen morele leiding konden geven. Deze afgodenaanbidders bleven
dus gevangen in hun onwetendheid, bijgeloof, immorele en barbaarse praktijken, en
onderdrukking van en onrechtvaardigheid tegenover de zwakken. Ze zagen hun afgoden als
rechtvaardiging voor hun eigen egoïstisch en slecht gedrag. Zoals de koran zegt:
“En zo doen hun afgoden vele polytheïsten het doden van hun kinderen schoonschijnend
lijken,” – 6:137-140, als ook andere slechte praktijken, zoals het brengen van mensenoffers. De koran daagde hen uit om kennis en bewijs te geven dat hun opvattingen en walgelijke praktijken gerechtvaardigd waren. Worden ze hierin gesteund door een of ander natuurverschijnsel, of door rede en
verstand, of door een of ander gezaghebbend geschrift? Nee, deze opvattingen van hun waren
gebaseerd op hun eigen vermoedens en hun eigen lage verlangens en bijgeloof. (Zie 6:148,
10:34–36, 10:66, 22:71, 37:157, 46:4, 53:23.)
Het vragen om kennis en bewijs en argumenten laat ook zien dat de koran vereist dat juiste
geloofsopvattingen door deze criteria worden ondersteund. Dit is de reden waarom de vroege
moslims een beschaving opbouwden die nadruk legde op kennis, onderwijs, onderzoek, logica
en rede op alle gebieden van het leven.
Veel critici van de islam geven weliswaar toe dat profeet Mohammed (s.a.w.s.) zeer succesvol
was in het hervormen van de verkeerde opvattingen en praktijken van zijn mede-Arabieren die
gebaseerd waren op afgodenaanbidding. Maar ze beweren dat dit kwam, omdat hun afgoderij
een heel grove vorm van afgoderij was die hij gemakkelijk met argumenten kon weerleggen.
Ze beweren dat de geloofsopvattingen van meer ontwikkelde volken, zoals christenen en joden,
gebaseerd zijn op subtiele filosofieën en dat de Profeet (s.a.w.s.) die niet kon begrijpen of
weerleggen.
Dit is natuurlijk niet correct. De islam identificeerde niet alleen de grove en simplistische
afgodenaanbidding, maar ook de meer subtiele vormen van shirk of geloven dat andere zaken
of wezens Gods eigenschappen bezitten.
In de grote beschavingen van de geschiedenis, zoals de Babylonische, Griekse en Romeinse
beschavingen, geloofde men dat er verschillende goden bestonden die verschillende aspecten
van de natuur of van het leven bestuurden. Zo was er bijvoorbeeld een god van de oogst, god
van het water, god van het weer, god van de oorlog, god van rijkdom, god van de zon, god van
de maan en god van een bepaalde stam of volk. De islam leerde dat het één en dezelfde God is
die alles bestuurt. Na het eerste vers dat ik hierboven heb gereciteerd: “En uw God is één God;
er is geen God dan Hij! Hij is de Weldadige, de Barmhartige”, volgen deze twee verzen:
“In de schepping van de hemelen en de aarde, en de afwisseling van nacht en dag. En
de schepen die de zeeën bevaren met dat waar de mens baat bij heeft. En het water dat
Allah uit de hemel naar beneden stuurt, en daarmee dan leven schenkt aan de aarde na
haar dood en daarop allerlei (soorten) dieren verspreidt. En in het draaien van de winden
en de wolken, dienstbaar gemaakt tussen hemel en aarde, daarin schuilen waarlijk
tekenen voor een volk dat begrijpt. Toch zijn er onder de mensen diegenen die voor
zichzelf buiten Allah voorwerpen van aanbidding aannemen, die zij liefhebben zoals zij
Allah zouden moeten liefhebben.” – 2:164-165
Al deze verschillende verschijnselen wijzen in de richting van één God, en niet naar
verschillende goden die verschillende zaken besturen. Het is bijvoorbeeld dezelfde God die
‘s nachts de maan en overdag de zon tevoorschijn laat komen, en niet twee verschillende goden.
Ooit dachten de mensen dat de maan haar eigen licht voortbracht dat wij van haar zien stralen.
Maar de wetenschap ontdekte dat het licht van de maan niet haar eigen licht is, maar dat de
maan wordt verlicht door de zon. En dat is het maanlicht dat wij zien. Dit heeft in ieder geval
bewezen dat de God die zorgt voor het zonlicht, ook degene is die de maan licht laat geven. Het
licht van de maan is namelijk van de zon afkomstig! De koran zegt ook:
“Hij is het Die jullie de bliksem laat zien die angst en hoop veroorzaakt en (Die) de
dichte wolken brengt. En de donder roemt Zijn glorie.” – 13:12-13
Dit vers zegt dat bliksem, wolken, regen en donder worden veroorzaakt door de ene God.
Profeet Mohammed (s.a.w.s.) wist zelf niet in welke goden volkeren zoals de Babyloniërs,
Grieken, Romeinen, hindoes of Chinezen geloofden. Ze geloofden in goden van het weer,
goden van de storm, goden van de donder en bliksem, goden van de regen, goden van de wind,
enz. De koran maakt gewag van deze activiteiten in de natuur, waarvan deze volken dachten
dat ze door verschillende goden in gang werden gebracht, en het vertelt ons dat de ene God dit
alles laat gebeuren.
Deze gedachte die de koran leert, namelijk, dat het één God is die alles bestuurt, leidde ertoe
dat de moslims de wereld om hun heen wetenschappelijk begonnen te bestuderen. Hun
studieresultaten verschaften vervolgens westerse wetenschappelijke onderzoekers de basis
waarop zij de moderne wetenschap konden bouwen. De koran leert dat de mensen in plaats van
de zon, maan of sterren te aanbidden, God moeten aanbidden die ze heeft geschapen (41:37).
En dat houdt in, bestuderen hoe Hij ze laat werken en ze voor ons eigen welzijn gebruiken.
Want dat is waar ze voor zijn geschapen (31:20).
Zowel joden als christenen beweren vrij krachtig dat zij in één God geloven. Maar zij kennen
aan de andere kant ook enkele van Gods krachten toe aan anderen. De koran geeft argumenten
tegen de christelijke bewering dat Jezus (a.s.) de zoon van God was. Het hebben van zonen is
iets wat menselijke wezens nodig hebben. Een zoon staat zijn vader bij en neemt uiteindelijk
de plaats van zijn vader in. Maar God kan niet permanent een vader voor zijn zoon blijven,
noch kan de zoon permanent zijn zoon blijven. Op een dag moet de zoon zijn vader vervangen,
en zo moet deze cyclus doorgaan. Bovendien, als iemand gelooft dat de ‘zoon’ stierf voor de
zonden van de mensheid en de straf onderging voor ieders zonden, dan vermindert en neemt dit
iemands eigen motivatie weg om zijn zonden de baas te worden.
Net als de aanhangers van andere religies maakten ook de joden andere soort van personen tot
een god. En dat waren hun geestelijken, priesters of religieuze leiders. Natuurlijk aanbaden ze
zulke individuen niet letterlijk, maar toch zegt de koran:
“Ze nemen hun wetgeleerden en hun monniken als heren buiten Allah.” – 9:31
Ze gehoorzaamden blindelings hun religieuze leiders in alles wat ze hen opdroegen over wat
God wilde dat ze deden, wat God toestond en wat Hij verbood. Degenen die hun religieuze
leiders op deze manier vereren, verzuimen hun rede en verstand te gebruiken die God aan alle
mensen heeft geschonken. Zo verlagen zij zichzelf tot een lagere positie dan die welke God hun
heeft gegeven.
Op deze manier anderen mensen als god beschouwen, komt natuurlijk niet exclusief voor bij
de volgelingen van andere religies. We zien dat veel moslims hetzelfde doen. In sommige
moslimsekten geloven de gewone leden dat ze Allah alleen maar kunnen behagen als ze de
leider van hun sekte behagen. Ze denken dat ze in deze wereld kunnen ontdekken of Allah
tevreden met hen is, want als hun leider tevreden met hen is, dan moet, volgens hun denken,
ook Allah tevreden met hen zijn. Zonder letterlijk hun leider of priester te aanbidden, of hem
daadwerkelijk God te noemen, kennen ze hem juist die positie toe, omdat al hun inspanningen
erop gericht zijn hun geestelijke leider te behagen. In feite verbannen ze Allah naar de
achtergrond, alsof Allah Zijn gezag aan hun religieuze hoofd heeft overgedragen.
Profeet Mohammed (s.a.w.s) heeft zichzelf nooit op zo’n voetstuk geplaatst. Het gebeurde eens
dat een van zijn metgezellen respectvol tegenover de Profeet (s.a.w.s) wilde zijn, en over iets
wat was gebeurd of over een bevel van Allah tegen hem zei: ”Het is zoals Allah het heeft
behaagd en zoals het u heeft behaagd.” Toen hij deze woorden hoorde, zei de Profeet (s.a.w.s):
“Maakt u mij tot een deelgenoot van Allah?”
Laten we bidden dat Allah ons in staat stelt de ware betekenis van de leer dat ’er geen god is
dan Allah’ te volgen.
Aameen.
Vertaald door: Reza Ghafoerkhan
Uitgegeven door: IslamLab
