Vrijdag khoetba door dr. Zahid Aziz, voor Lahore Ahmadiyya UK, 24 september 2021

Deze verzen leggen uit waarom Allah geen nakomelingen heeft, d.w.z. zonen of dochters. Ze
beginnen met Allah te beschrijven als Badi‘, vertaald als ‘Wonderbare Voortbrenger’. Allah’s
kenmerk van Voortbrenger is iets anders dan zijn kernmerk van Schepper of Khaliq. Badi‘
betekent dat Allah alle dingen op de wereld uit het niets heeft voortgebracht. Sommige religies
leren dat God en de dingen van deze wereld altijd samen hebben bestaan. Ze zeggen dat God
alleen dingen kan scheppen uit bestaand materiaal. Dit is de manier van scheppen die we om
ons heen zien, zoals een plant die uit een zaadje groeit. Maar de islam leert dat Allah bestond
voordat er iets was, en dat Hij de dingen heeft voortgebracht. Als Hij zonen of dochters zou
hebben, dan zouden ze ná Hem zijn ontstaan. Dat zou betekenen dat er een tijd was dat Zijn
zonen of dochters niet hebben bestaan. Daarom ze kunnen in geen enkel opzicht goden zijn.
Het vers gaat verder met te zeggen dat Allah geen zoon of nageslacht kan hebben omdat Hij
geen partner of echtgenote heeft. Nakomelingen ontstaan wanneer twee ouders, een mannelijke
en een vrouwelijke, van dezelfde soort samenkomen. Maar als we kijken naar die personen in
de geschiedenis die als zonen van God werden beschouwd, zoals profeet Jezus (a.s.), werden
ze allemaal geboren via menselijke vrouwen, niet via een echtgenote van God. Wanneer één
van de ouders een mens is en geen God, dan zal het kind enkele menselijke eigenschappen
bezitten die het van zijn menselijke ouder meegekregen heeft. Dat kind, of die zoon, kan nooit
zijn vader kunnen vervangen, want dat is wat zonen uiteindelijk doen. God kan dus geen zoon
hebben, omdat Hij geen echtgenote heeft. Het betekent ook dat Allah niet mannelijk is.
De vraag wordt vaak gesteld: waarom is God mannelijk? De uitspraak van de koran dat Hij
geen partner of echtgenote (ṣâḥibah) heeft, betekent dat Allah niet mannelijk kan zijn, omdat
het bestaan van een man betekent dat er ook een vrouwelijk complement moet zijn. Een man
heeft zijn eigen onderscheidende lichaamsdelen en kenmerken. Hierdoor vormt het mannelijke
een relatie met een het vrouwelijke. En zo ook heeft een vrouw haar eigen onderscheidende
lichaamsdelen en kenmerken die haar in staat stellen een relatie met de man aan te gaan. Als
het vrouwelijke van een bepaald wezen gewoonweg niet bestaat, dan kan dat wezen niet
mannelijk zijn.
Deze verzen vermelden nogmaals dat Allah alles heeft geschapen. De relatie tussen God en de
dingen op wereld is dat al die dingen een schepping zijn en dat Hij de Schepper ervan is.
Niemand kan een speciale relatie met God hebben in de hoedanigheid van een geschapen ding.
Of het nu profeet Jezus (a.s.) is of profeet Mohammed (s.a.w.s), of u en ik, ieder van ons is een
schepping van God. En niemand heeft een speciale en exclusieve relatie met God omdat hij
Zijn schepping is.
In de bijbel komt een boek voor in het Nieuwe Testament dat (Brieven aan de) Hebreeën heet.
Het is geschreven door een vroege christenleraar en maakt gewag van de bewering van Jezus
(a.s.) dat hij de messias voor de joden is. In dit boek staat: “Want elk huis wordt door iemand
gebouwd, maar Hij die alle dingen heeft gebouwd, is God,” (Hebreeën 3:4). Volgens het
principe dat een vroegchristelijke evangelist hier naar voren brengt, is ook Jezus (a.s.) een
schepping van God, omdat Hij alles heeft gemaakt. En zoals de hiervoor genoemde verzen van
de koran ons vertellen, is God de Schepper van alle dingen. Als Schepper heeft Hij alle dingen
onder Zijn controle, inclusief degenen die door mensen worden beschouwd als zonen van God.
Bij het weerleggen van de gedachte dat God nakomelingen kan hebben, vertellen de
bovenstaande verzen ons ook dat Allah de Weter of Kenner van alle dingen is. En Zijn kennis
strekt zich uit tot de fijnere, meest subtiele en meest gedetailleerde punten. Als God een zoon
had, dan zou de kennis van de zoon in zijn grote omvang en diepte niet gelijk zijn aan die van
de vader. Een zoon weet in het begin maar weinig en zijn vader moet hem onderwijzen. De
zoon maakt fouten omdat zijn kennis onvolmaakt is, zoals bij ons allemaal het geval is. Jezus
voorspelde vele tekenen van de toekomst waar zijn volgelingen op moesten letten, maar, voegde
hij eraan toe, wanneer ze zullen gebeuren,:
“Van die dag en dat uur weet niemand, zelfs niet de engelen des hemels, noch de Zoon, maar mijn Vader alleen.” (Matteüs 24:36).
In sommige manuscripten ontbreken de woorden ‘noch de Zoon’, maar bevatten nog steeds de woorden
‘alleen mijn Vader’. Dit impliceert dat ‘de Zoon’ het niet weet. Er is een website die 62
verschillende Engelse vertalingen van de bijbel toont. Daarvan bevatten 44 vertalingen de
woorden ‘noch de Zoon’. Dus de persoon die men ziet als de zoon van God, zegt dat hij niet
weet wanneer de voorspellingen die hij doet in vervulling zullen gaan, omdat alleen God die
kennis heeft. Daarom kan men de zoon niet als een gelijke deelgenoot van God beschouwen.
Jezus vertelde ook aan zijn volgelingen ze niet bang moesten zijn voor hun vijanden, omdat
God, Die zelfs om onbeduidende schepsels geeft, hen niet zal verlaten en vergeten. God weet
zo veel over hun behoeften dat: “de haren van uw hoofd zijn alle geteld,” (Lukas 12:7). Ook
hier heeft Jezus het over Gods volledige kennis, en zegt dat Hij zelfs weet hoeveel haren er op
je hoofd zitten. Natuurlijk had Jezus zelf niet die diepgaande kennis om zelfs maar te weten
hoeveel haren er op het hoofd waren van zijn volgelingen.
Er is nog een boek in het Nieuwe Testament, getiteld De eerste brief van Johannes. Hierin staat:
“Als ons hart ons veroordeelt, is God groter dan ons hart en weet Hij alles,” (1 Johannes 3:20).
Een christelijke commentator van de bijbel interpreteert dit als volgt: “Het betekent dat, hoewel
ons geweten niet onfeilbaar is, God dat wel is. Onze harten kunnen worden misleid; Hij kan dat
niet. Hij weet alle dingen” (Pulpit Commentary). Zo geven christelijke boeken toe dat God en
God alleen de kenner van alles is, en dat dit een feit is waar we altijd aan moeten denken. Als
Hij een zoon had, dan zou de zoon als een mens zijn met gebrekkige kennis. De mensen zouden
dan het recht hebben hem te behandelen als een feilbaar mens en niet als een god die zij moeten
aanbidden.
In het laatste vers dat ik aan het begin heb geciteerd, staat: “Het zicht kan Hem niet bevatten,
en Hij bevat (al) het zicht.” Lange tijd wisten de mensen alleen van zicht dat licht nodig heeft,
en wat met het menselijk oog te zien is. Met dat zicht kan men Allah niet bevatten, of Hem in
beeld brengen en zien hoe Hij in fysieke vorm is. Vervolgens werd met de vooruitgang van de
wetenschap ontdekt dat licht slechts een klein deel is van dat wat het elektromagnetische
spectrum wordt genoemd. Men kwam erachter dat er andere manieren zijn om dingen te zien,
zoals door middel van röntgenstralen, infrarood licht, en radiogolven. Röntgenstralen kunnen
ons laten zien wat er binnenin iets zit. Infrarood licht kan ons dingen in het donker laten zien
en radiotelescopen kunnen ons sterren en melkwegstelsels laten zien die onvoorstelbaar ver
weg liggen. Men kan Allah echter met geen van deze middelen zien of binnen hun bereik
brengen. Aan de andere kant, zoals de koran hier zegt, begrijpt Allah alle vormen van zicht. Dit
betekent dat Hij volledige en diepe kennis heeft van al deze manieren van zichtbaar maken.
Deze werken allemaal volgens Zijn wetten. Hij heeft een grens gesteld in hoe verre ze werken,
en Hij kent andere manieren die de mensen nog niet hebben ontdekt.
Er staat in de koran de volgende simpele uitspraak over Allah: “Niets is zoals Hij,” (42:10).
Letterlijk staat er dat er niets is wat op Hem lijkt (laisa ka-mithlihî shai’un). Dit betekent dat
we niets op de wereld kunnen zien wat op Hem lijkt, maar ook dat we ons met onze verbeelding
niet eens iets kunnen voorstellen wat op Hem lijkt. De stichter van de Ahmadiyya Beweging,
hazrat Mirza Ghulam Ahmad, schreef in een lezing die werd gehouden in Lahore:
“Er staat in de heilige koran dat God één is en zonder enige deelgenoot in Zijn voortreffelijke
eigenschappen, en dat Hij vrij is van welk gebrek dan ook. In Hem treft men alle volmaakte
eigenschappen aan en via Hem worden alle krachtige machten getoond. Door Hem komt de hele schepping tot bestaan en tot Hem keren alle zaken terug (voor beslissing en oordeel).
Hoewel Hij ver weg is, is Hij heel dichtbij, en hoewel Hij dichtbij is, is Hij nog steeds ver weg.
Hij staat boven alles, maar toch men niet zeggen dat er zich iets onder Hem bevindt. En Hij is
de meest verborgen van alle dingen, maar men kan van niets zeggen dat het duidelijker op de
voorgrond is dan Hij. Hij zelf is levend en alles dankt leven aan Hem. Hij houdt zichzelf in
stand en alles wordt door Hem in stand gehouden. Hij draagt (d.w.z. onderhoudt) alles en er is
niets wat Hem draagt. Niets is onafhankelijk van Hem ontstaan en niets kan zonder Hem blijven
voortbestaan. Hij begrijpt alles, maar de manier waarop Hij dat doet, kan men niet beschrijven.
Hij is het licht van alles wat op aarde en in de hemel is, en elk licht is vanuit Zijn hand
uitgestraald en is een weerspiegeling van Zijn persoon. Hij is de Heer van alle werelden en er
is geen ziel die niet door Hem is voortgebracht of uit zichzelf is ontstaan. Noch is er enig
vermogen van een ziel die niet door Hem in bestaan is gebracht en uit zichzelf is ontstaan.”
(Ruhani Khaza’in, v. 20, p. 152-153)
Iets later in zijn lezing maakt hij gewag van het bekende hoofdstuk 112 van de koran dat begint
met qul huwal-lahu aḥad (Zeg, Hij, Allah is één). Hij legt de betekenis ervan als volgt uit:
“Uw God is de God Die één is in Zijn persoon en in Zijn eigenschappen. Geen enkel wezen is
eeuwig en voor altijd zoals Hij, noch heeft enig wezen zijn eigenschappen zoals Zijn
eigenschappen. … Zoals er niets is zoals Hij, zo is er ook niets waarvan de eigenschappen zijn
zoals Zijn eigenschappen. Als er een gebrek zou zijn in een van Zijn eigenschappen, zouden al
Zijn eigenschappen gebrekkig zijn. Daarom kan men Zijn eenheid niet vestigen tenzij men Hem
beschouwt als één en zonder enige deelgenoot in Zijn persoon en zonder Zijn eigenschappen.
… God is noch een zoon, noch een vader, want Hij heeft niemand nodig, zelfs geen vader of
zoon. Dit is de leer van het één-zijn die de heilige koran onderwijst en die nodig is voor een
perfect geloof.” (blz. 154-155)
We bidden dat Allah ons in staat stelt de ware betekenis van de leer te volgen van ‘er is geen
god dan Allah’.
Amin.
Gepubliceerd door: IslamLab
Vertaald door: Reza Ghafoerkhan
