Vrijdag choetba door Dr Zahid Aziz, voor Lahore Ahmadiyya UK, 17 juni 2022
“Het antwoord van de gelovigen, wanneer zij tot Allah en Zijn boodschapper worden
uitgenodigd opdat hij tussen hen oordeelt, is slechts dat zij zeggen: Wij horen en wij
gehoorzamen. En dezen zijn het die slagen. En wie Allah en Zijn boodschapper
gehoorzaamt en Allah vreest en zijn plicht jegens Hem nakomt, dezen zijn degenen die
slagen.” – 24: 51-52
“Zeg: Gehoorzaam Allah en de boodschapper. Maar indien jullie je afwenden is hij
verantwoordelijk voor de plicht die hem is opgelegd en jullie zijn verantwoordelijk voor
de plicht die jullie is opgelegd. En als jullie hem gehoorzamen, dan volgen jullie het
rechte pad. En de plicht van de boodschapper is slechts de boodschap duidelijk over te
brengen.” – 24:54
“En onderhoud het gebed en geef de verschuldigde zakāh (aalmoes) en gehoorzaam de
boodschapper, opdat u barmhartigheid zal worden betoond.” – 24:56
Ik heb een aantal verzen aangehaald die dicht bij elkaar voorkomen in hoofdstuk 24, soerah
Al-N𝑜𝑒r van de heilige koran. Hier en op verschillende andere plaatsen in de koran wordt
gezegd dat moslims ook de boodschapper van Allah moeten gehoorzamen, nadat zij eerst Allah
moeten gehoorzamen. Zij die de boodschapper van Allah gehoorzamen, worden hier
beschreven als ‘succesvol’, als ‘degenen die slagen’ en als zij die op het rechte pad zijn. Het
laatste vers schaart gehoorzaamheid aan de boodschapper onder de basisplichten van een
moslim van bidden en aan liefdadigheid uitgeven.
Wanneer er twee autoriteiten zijn die je moet gehoorzamen, moet de ene voorrang hebben
boven de andere. En die andere autoriteit ontleent zijn gezag aan de eerste. Als het erop lijkt –
en ik benadruk ‘erop lijkt’ – dat zij u verschillende en tegenstrijdige bevelen geven, dan moet
u de eerste gehoorzamen. In een bekend vers zegt de koran:
“O jullie die geloven, gehoorzaam Allah en gehoorzaam de boodschapper en de
gezagsdragers uit jullie midden. Als jullie dan over iets twisten, verwijs het dan naar
Allah en de boodschapper, als jullie in Allah en de laatste dag geloven.” (4:59)
Dus in termen van wie we moeten gehoorzamen, komt Allah op de eerste plaats, dan de
boodschapper en als laatste de personen die ons in verschillende aspecten van ons leven leiden. Met deze laatsten kunnen we het oneens zijn, en dat kunnen we oplossen door te verwijzen
naar Allah en de boodschapper.
Tijdens het leven van profeet Mohammed (v.z.m.h) leerde hij de moslims hoe zij de godsdienst
van de islam moesten volgen. Hij deed dit door in woorden tot hen te spreken en door zijn
eigen voorbeeld en gedrag. Bij sommige gelegenheden wanneer hij de moslims bepaalde
instructies gaf, voegde hij er ook aan toe: “Degenen die aanwezig zijn moeten dit overbrengen
aan degenen die afwezig zijn,” (Boechari, hadith 104). De moslims vonden het dus belangrijk
om zijn instructies niet alleen over te brengen aan de mensen van hun tijd die niet in staat waren
bij de Profeet gaan, maar ook aan toekomstige generaties die hem nooit zouden kunnen
ontmoeten.
Na profeet Mohammad (v.z.m.h.), in de tijd van zijn metgezellen, als zij iemand een uitspraak
hoorden navertellen die aan de Profeet werd toegeschreven, maar zij een reden hadden om te
twijfelen of de Profeet zoiets gezegd kon hebben, of dat het in strijd leek met de koran, dan
accepteerden zij die uitspraak niet als zijnde echt verteld door de Profeet. Zo vertelde een
metgezel, Maḥmoed ibn ar-Rabī‘, eens, lang na de dood van de profeet Mohammed (v.z.m.h.),
toen de moslims tegen de Byzantijnse Romeinen vochten, een voorval van de Profeet dat hij
gehoord had van een andere metgezel, genaamd ‘Itbān ibn Mālik van de stam van Banī Sālim.
Tijdens dit voorval had de Profeet gezegd:
“Zeker, Allah heeft het vuur (van de hel) verboden voor degene die zegt: ‘Er is geen
god dan Allah,’ en hij zoekt daarbij het welbehagen van Allah,’ (Boechari, hadies 1185-
1186).
In een andere versie van dit verhaal, in Saḥīḥ Moeslim, worden de woorden van onze Profeet
weergegeven als:
“Hij die getuigt dat er geen god is dan Allah en dat ik de boodschapper van Allah ben,
zal de hel niet binnengaan, of, zij zal hem niet verteren,” (Ṣaḥīḥ Moeslim, Boek van
Geloof, hfdst. 10).
Toen Maḥmoed dit vertelde, zei de commandant van het moslimleger, Aboe Ayyoeb Anṣārī:
“Ik betwijfel of de boodschapper van Allah ooit heeft gezegd wat u heeft gezegd.” Maḥmoed
zei dat hij diep gekwetst was door deze opmerking en hij zei: “Ik heb aan Allah gezworen dat
als ik de veldslag mocht overleven, ik ‘Itbān ibn Mālik (hierover) zal vragen indien ik hem nog
in de moskee van zijn volk zal aantreffen.” Maḥmoed overleefde die slag wel en hij keerde
terug naar Madinah en ging naar de stam van Banī Sālim. Hij constateerde daar dat ‘Itbān nog
leefde en de gebeden leidde, hoewel hij al oud was. Maḥmoed vroeg hem naar dat voorval van de Profeet en ‘Itbān herhaalde hetzelfde verhaal met dezelfde woorden van profeet Mohammed
(v.z.m.h.). De moslim legeraanvoerder, Aboe Ayyoeb Anṣārī, kon niet accepteren dat de
Profeet gezegd kon hebben dat als iemand alleen maar opzegt ‘Er is geen god dan Allah,’ of
‘Er is geen god dan Allah en Mohammed is de boodschapper van Allah,’ hij dan gered is van
het vuur van de hel, ongeacht al zijn andere daden. Maḥmoed ibn ar-Rabī‛ schaamde zich dus
voor zijn legeraanvoerder en vrienden en hij ondernam speciaal een lange reis om het verhaal
bevestigd te krijgen van de persoon die het hem had verteld.
Helaas zien we dat sommige mensen, zonder de achtergrond te kennen, de woorden van de
Profeet blijven aanhalen dat als iemand de kalimah (lā ilāha ill-Allāh, er is geen god dan Allah)
reciteert, dat die handeling alleen al hem redt van het hellevuur in het hiernamaals. We zien
hier dat in Boechari de woorden van profeet Mohammed (v.z.m.h.) zijn: “Degene die zegt: ‘Er
is geen god dan Allah,’ en hij zoekt daarbij het welbehagen van Allah.” De voorwaarde om het
welbehagen van Allah te zoeken is daaraan toegevoegd. Degene die het welbehagen van Allah
zoekt, moet ook moeite doen om het pad te bewandelen dat in het boek van Allah wordt
onderwezen, en niet slechts de kalimah reciteren.
Waarom zei de Profeet dit überhaupt bij dit specifieke voorval? ‛Itbān ibn Mālik nodigde eens
profeet Mohammed (v.z.m.h.) uit in zijn huis om zijn huishouden in het gebed te leiden, omdat
hij van plan was zijn huis tot een permanente gebedsplaats voor zijn stam te maken. Na afloop
van het gebed kwamen nog enkele mensen in zijn huis bijeen en zij begonnen te praten over
een persoon die niet was gekomen en noemden hem “een huichelaar die Allah en Zijn
boodschapper niet liefheeft.” Toen hij dit hoorde, zei de Profeet tegen hen: “Zeg dat niet.
Hebben jullie niet gezien dat hij zegt ‘Er is geen god dan Allah,’ en daarbij zoekt naar het
welbehagen van Allah?” Zij zeiden: “Maar wij zien dat hij omgaat met de huichelaars.” Maar
de Profeet bleef bij zijn woorden: “Waarlijk, Allah heeft het vuur (van de hel) verboden voor
degene die zegt: ‘Er is geen god dan Allah,’ en hij zoekt daarbij het welbehagen van Allah.”
Met andere woorden, zelfs als iemand een slechte moslim is naar het oordeel van andere
moslims, als hij oprecht is in het opzeggen van de kalimah dan bevindt hij zich op het pad om
gered te worden van het vuur van de hel. Profeet Mohammed (v.z.m.h.) heeft niet gezegd dat
eenieder die de kalimah opzegt gered zal worden van het hellevuur. Hij zei tegen de moslims
dat zij niet het recht hebben om iemand als een huichelaar te bestempelen die de kalimah
opzegt, niet uit werelds gewin of uit angst voor mensen, maar omwille van Allah. En we kunnen
zeggen dat eenieder die de islam vrijelijk belijdt, zonder enige dwang, die niet door dwang tot
de islam is bekeerd, moet worden beschouwd als iemand die de kalimah slechts omwille van
Allah’s welbehagen opzegt.
We kunnen ook een verschil zien in hoe deze woorden van profeet Mohammed (v.z.m.h.)
worden weergegeven in Boechari, de meest authentieke hadiesverzameling, en in Sahih
Moeslim, die minder authentiek is. Er staat in Boechari een hadies dat de Profeet tegen zijn
bekende metgezel Moe’ādh ibn Jabal zei:
“Er is niemand die getuigt dat er geen god is dan Allah en dat Mohammed de
boodschapper van Allah is, met de oprechtheid van zijn hart, of Allah heeft voor hem
het vuur (van de hel) verboden.” (hadies 128)
Deze hadies staat in Saḥīḥ Moeslim. Volgens dat verslag heeft hij gezegd:
“Er is niemand die getuigt dat er geen god is dan Allah en dat Mohammed Zijn dienaar
en Zijn boodschapper is, of Allah heeft voor hem het vuur (van de hel) verboden.”
In de meer authentieke hadiesverzameling wordt de voorwaarde genoemd dat de persoon met
oprechtheid van hart moet getuigen, maar in de minder authentieke verzameling ontbreken de
woorden over ‘oprechtheid van hart’.
Er is een ander interessant voorval dat in Saḥīḥ Moeslim wordt vermeld. Eens was de metgezel
Aboe Hoerairah (r.a), die een groot aantal uitspraken van profeet Mohammed (v.z.m.h.) heeft
overgeleverd, alleen met de Profeet in een tuin. De Profeet zei tegen hem: “Ga, en wanneer u
buiten deze tuin iemand tegenkomt die getuigt dat er geen god is dan Allah, en hij is er in zijn
hart zeker van, geef hem dan het goede nieuws van toegang tot het paradijs.” Aboe Hoerairah
verhaalt dat de eerste persoon die hij ontmoette ‘Oemar (r.a.) was. Toen hij ‘Oemar vertelde
wat de Profeet hem had opgedragen aan de mensen te verkondigen, sloeg ‘Oemar hem en nam
hem mee terug naar de Profeet. Toen zij beiden bij profeet Mohammed (v.z.m.h.) aankwamen
en Aboe Hoerairah de Profeet vertelde wat er gebeurd was, vroeg de profeet aan ‘Oemar:
“Waarom heeft u hem geslagen?” ‘Oemar antwoordde: “Heeft u tegen Aboe Hoerairah gezegd
dat hij de mensen dit goede nieuws moest gaan vertellen?’ De Profeet antwoordde: “Ja.”
‘Oemar zei: “Doe dat niet, want ik vrees dat de mensen alleen hierop zullen vertrouwen (d.w.z.
dat zij alleen het opzeggen van de kalimah als voldoende zullen beschouwen voor toegang tot
het paradijs). Laat hen goede daden verrichten.” Profeet Mohammed (v.z.m.h.) was het eens
met de opvatting van ‘Oemar en zei: “Laat hen goede daden verrichten.”
Uit deze voorvallen kunnen we opmaken dat de metgezellen (en dit geldt ook voor de directe
volgende generaties) vraagtekens zetten bij elk overgeleverde uitspraak van de Profeet als zij
vonden dat die niet in overeenstemming was met zijn andere leringen. En de verzamelaars van
hadies hebben zulke voorvallen in hun verzamelingen opgenomen, daarmee aangevend dat er
sommige verslagen zijn die niet op het eerste gezicht geaccepteerd kunnen worden en dat men
nader moet interpreteren.
Gepubliceerd door: IslamLab
In Nederlands vertaald door: Reza Ghafoerkhan
