Vrijdag khoetba door dr. Zahid Aziz, voor de Lahore Ahmadiyya UK, 10 februari 2023

Ik heb het onderwerp van de theorie van opgeheven verzen in de koran in de vorige khoetba’s
besproken. Ook met betrekking tot deze twee verzen die ik zojuist heb voorgelezen, hebben
sommige commentatoren en geleerden van de koran dezelfde theorie naar voren gebracht.
Klaarblijkelijk zegt het eerste vers dat moslims, joden, christenen en Sabiërs – wiens religie een
mengeling was van de joodse en de christelijke religie – in feite iedereen die in God en in de dag
des oordeels gelooft en het goede doet, hun beloning van Allah zullen krijgen. Ook zullen zij niet
vrezen dat zij hun plichten wellicht niet hebben vervuld, noch zullen zij enig gevoel van verdriet
hebben dat zij hun leven hebben verspild. Het tweede vers lijkt duidelijk te maken dat de islam de
enige godsdienst is die in het hiernamaals voor iemand aanvaardbaar is, en dat iedereen die een
andere godsdienst aanhangt Allah’s gunst in het hiernamaals zal verliezen. Dit heeft ertoe geleid
dat sommige islamitische geleerden geloven dat het tweede vers het eerste vers heeft
opgeheven. Beide conclusies berusten echter op een misverstand. Deze twee verzen spreken
elkaar niet tegen, zoals ik later zal laten zien.
Maar voordat ik de juiste betekenis van deze twee verzen uitleg, wil ik erop wijzen dat het absurd
is om te zeggen dat het tweede vers het eerste heeft opgeheven. Het feit van opheffing of
afschaffing, zelfs als het werkelijk bestaat, is alleen van toepassing op geboden en niet op
principes. Veel moslimgeleerden zeggen bijvoorbeeld dat toen het gebod werd geopenbaard dat
moslims moesten vasten, een moslim eerst de keuze had om te vasten of in plaats daarvan een
arme persoon te voeden, maar dat daarna het vasten verplicht werd gesteld. Hoewel dit
denkbeeld incorrect is, is het in ieder geval geen absurd en belachelijk standpunt. Veel
moslimgeleerden zeggen ook dat de koran in het begin tegen moslims zei dat ze voor hun dood een testament moesten opstellen voor de erfenis van hun bezittingen (2:180), maar dat de koran
daarna de aandelen van de erfgenamen vastlegde en het eerdere vers zo werd opgeheven.
Nogmaals, deze mening is fout, maar het kan tenminste niet absurd en belachelijk genoemd
worden. Maar om van een principe dat Allah heeft geopenbaard te zeggen dat Allah dat principe
later ongedaan maakte, is inderdaad belachelijk.
Opheffing met betrekking tot de verzen die we hier bespreken zou inhouden dat Allah eerst had
geopenbaard dat Hij het geloof van een ieder die “in Allah en de laatste dag gelooft en het goede
doet” accepteert als zijn waar geloof, of hij nu moslim, jood of christen is. Vervolgens zou Allah
dit hebben omgedraaid door te openbaren dat Hij alleen het geloof van een moslim als het ware
geloof zal accepteren. Nu werd het eerste vers geopenbaard in Medina in het 2e jaar n.H. en het
tweede vers werd het jaar daarop geopenbaard in 3 n.H. Bovendien werden beide verzen
verkondigd tot dezelfde groepen mensen die in Arabië woonden. Er had geen verandering
plaatsgevonden in de omstandigheden van al deze mensen in een periode van één jaar, waardoor
het principe dat op hen van toepassing was volledig veranderd moest worden. Als we opheffing
van het vers zouden accepteren, dan zou dat betekenen dat een jaar eerder bepaalde groepen de
toegang tot de hemel was beloofd en dat het hun nu werd ontzegd.
Het is een misverstand om het eerste vers op zo’n manier te begrijpen dat Allah erkent dat
moslims, joden, christenen en bepaalde anderen zich op het rechte pad bevinden enkel vanwege
het feit ze beweren in God en in de dag des oordeels te geloven en goede daden te verrichten. Wat
het vers zegt is dat het deze principes zijn die van wezenlijk belang zijn, en dat het niet zo is dat
door het dragen van de naam moslim, jood of christen Allah iemand aanvaardt. De mensen die
hier genoemd worden, die tot verschillende religies behoren, accepteren allemaal deze
principes. Maar de vraag is: zijn deze principes op een juiste manier in hun gedachten
vormgegeven, geloven zij ook in andere zaken, en doen zij andere dingen die hen ervan
weerhouden om op de beste en meest volmaakte wijze naar deze principes te handelen? Welnu,
de geestelijke staat die in dit vers genoemd wordt, van geen angst of verdriet hebben,
tevredenheid vinden in het feit dat je je plichten nagekomen hebt, is in feite een dynamische
staat. Het is niet iets binairs, iets dat je het hebt of niet hebt. Daarom moeten we het zo begrijpen,
dat in de mate of graad dat iemand deze principes volgt, of hij nu moslim, jood of christen is, in
die mate bereikt hij deze staat van innerlijke tevredenheid en aanvaarding door God. De koran
stelt dat het deze principes, aangaande wie God is, wat het hiernamaals is, en wat goede daden
zijn, in hun meest perfecte vorm presenteert, en dat het de mensen voorziet van een manier om
er in de hoogste graad naar te handelen, door alle belemmeringen weg te nemen die hen ervan
weerhouden dit te doen.
Iemand kan bijvoorbeeld in God geloven, maar hij kan ook geloven dat God zijn ras of volk boven
anderen heeft uitverkoren als zijn speciale gunstelingen. Zijn vermogen om rechtvaardig met
mensen van andere volkeren om te gaan en goed voor hen te doen zal door zulke opvattingen
ondermijnd worden. Zijn denkbeeld over het hiernamaals is, dat hij in dat volgende leven
barmhartiger en milder door Allah zal worden behandeld dan mensen van andere volkeren of
rassen.
Als iemand in God gelooft, maar ook gelooft dat de last van zijn zonden van hem is weggenomen
door de stichter van zijn religie, en vanwege zijn geloof in de stichter van zijn religie zijn al zijn
zonden al vergeven nog voordat hij ze heeft begaan, dan zal ook zijn opvatting over het
hiernamaals zijn dat hij zich in het hiernamaals voor geen van zijn zonden hoeft te verantwoorden
of rekenschap hoeft af te leggen. Dus zijn geloof in het hiernamaals houdt op te fungeren als een
afschrikmiddel voor wandaden en als een stimulans om goed te doen aan anderen.
Dit vers betekent dus dat het bij Allah niet gaat om de naam, maar om de onderliggende realiteit
wanneer je de lagen afpelt, of je nu moslim, jood of christen bent. En om die onderliggende
realiteit van ons geloof in Allah en het hiernamaals en wat goede daden zijn te perfectioneren,
werd de profeet Mohammed (vrede zij met hem) gezonden met de leer van de koran. Merk ook op
dat dit vers, behalve geloof, ook het verrichten van goede daden vereist. Niemand kan de staat
van geen vrees of verdriet bereiken door alleen maar geloof te hebben in bepaalde
geloofsartikelen. Dat geloof moet hem of haar ertoe brengen goede daden te verrichten.
Wat betreft het tweede vers:
“En wie een andere godsdienst dan de islam wenst, het zal van hem niet worden aangenomen.
En in het hiernamaals zal hij (een) van de verliezers zijn.” (3:85)
Wat wordt bedoeld met “een andere godsdienst dan de islam” zijn de leringen die volgelingen van
vroegere godsdiensten hebben toegevoegd aan dezelfde grondbeginselen die de islam ook
onderwijst, en die zij belangrijker en fundamenteler hebben gemaakt dan de grondbeginselen
zelf. Dit heeft in het bijzonder betrekking op het geloof in openbaring en in de profeten die deze
openbaring brachten. Om te zien wat er bedoeld wordt met “islam” in dit vers, dat vers 85 van
hoofdstuk 3 is, hoeven we alleen maar vers 84 te lezen, het vers dat natuurlijk direct voor vers 85
komt. In dat vers wordt moslims opgedragen het volgende geloof te verklaren:

De laatste woorden van dit vers zijn: wa naḥnu lahū muslimūn, letterlijk: “en wij zijn moslims voor
Allah”, wat betekent “wij onderwerpen ons aan Allah”. Aangezien het woord “moslim” hier wordt
gebruikt als iemand die zich aan Allah onderwerpt, kan het woord “islam” in het volgende vers
ook worden opgevat als “onderwerping aan God”.
De vertaling van vers 85 wordt dan: “En wie een andere godsdienst dan de onderwerping (aan
God) wenst, het zal van hem niet worden aangenomen”. In de religies vóór de islam hadden de
godsdienstgeleerden en de priesters van die religies, naast de onderwerping aan God, ook de
onderwerping aan bepaalde religieuze figuren en leiders ingevoerd. Zij stonden tussen de mensen
en God in. Je moest je aan hen onderwerpen als voorwaarde om je aan God te kunnen
onderwerpen. Dan is er ook nog de onderwerping aan je eigen verlangens. Al deze vormen van
onderwerping kwamen ook bij moslims in zwang, ook al aanbaden zij naar buiten toe alleen de
Ene God. Dus dit vers over degenen die “een andere religie dan de islam” zoeken, omvat ook
moslims.
Als een andere interpretatie kunnen we ook zeggen dat het vers vóór dit vers, vers 84 dat ik
hierboven heb geciteerd, definieert wat de islam is in termen van haar geloof. Na het geloof in
Allah en in het zenden van openbaring naar al Zijn profeten te hebben genoemd, en het geen
onderscheid maken tussen de profeten, moeten moslims zeggen dat dit hetgeen is wat ons tot
moslims maakt. Maar de joodse en christelijke religies maken wel onderscheid tussen bepaalde
profeten van Allah. Beide beweren dat Allah’s profeten verschenen onder het Israëlitische volk en
verder onder geen enkel ander volk ter wereld. Bovendien wordt er in de christelijke religie een
enorm onderscheid gemaakt tussen Jezus en de eerdere Israëlitische profeten zoals Mozes, door
Jezus te erkennen als de enige zoon van God en de enige die zondeloos was, wat een status is die
geen enkele andere profeet bereikte of kon bereiken. Dus als vers 85 zegt dat “wie een andere
godsdienst dan de islam wenst, het zal van hem niet worden aanvaard en in het hiernamaals zal
hij een van de verliezers zijn”, dan betekent de “andere godsdienst dan de islam” een godsdienst
die een onderscheid maakt tussen de profeten van Allah. Omdat hij dat onderscheid maakt en
sommige volkeren superieur maakt aan andere, wordt zo’n godsdienst door Allah niet
geaccepteerd.
Tot slot, de twee verzen die ik aan het begin van deze khoetba heb opgelezen spreken elkaar niet
tegen. Het is niet zo dat het ene vers zegt dat joden en christenen net als moslims verlossing
zullen bereiken, en het andere vers zegt dat alleen de religie van moslims door Allah wordt
aanvaard. De eerste zegt dat Allah je accepteert als je bepaalde principes volgt, en die regel
geldt voor iedereen, of je nu moslim, jood, christen of iemand anders bent. Het tweede zegt
eigenlijk iets heel vergelijkbaars, namelijk dat als iemand een religie wenst die compromissen
creëert in die principes en ze aantast, dan zal God niet erkennen dat hij het bij het rechte eind
had in zijn geloofsovertuigingen. Ter herhaling, degenen die een andere religie dan de islam
wensen, een andere religie dan het zich onderwerpen aan Allah, zij kunnen moslims of joden of
christenen zijn.
Vertaald door: Reza Ghafoerkhan, 8 november 2024
Gepubliceerd door: IslamLab
