Bidden en uitgeven op de weg van Allah en hun verband met morele en spirituele ontwikkeling

Djoemoe‘ah choeṭbah door Maulana Muhammad Ali – 26 augustus 1927 Geloof in praktijk brengenDeze verzen heb ik vorige week in mijn vrijdagpreek voorgedragen. Wat betreft het vers: “diegeloven in het ongeziene,” (2:3) wees ik op de buitengewone kracht die geloof in Allah metzich meebrengt. Verder worden er twee praktische stappen aangegeven als kenmerken van degelovigen. […]

Djoemoe‘ah choeṭbah door Maulana Muhammad Ali – 26 augustus 1927

Geloof in praktijk brengen
Deze verzen heb ik vorige week in mijn vrijdagpreek voorgedragen. Wat betreft het vers: “die
geloven in het ongeziene,” (2:3) wees ik op de buitengewone kracht die geloof in Allah met
zich meebrengt. Verder worden er twee praktische stappen aangegeven als kenmerken van de
gelovigen. Zij worden beschreven als degenen die:

“Het gebed onderhouden en uitgeven van wat Wij hen hebben gegeven.” (2:3)

Alle andere zaken die in de volgende verzen genoemd worden, gaan over de grondbeginselen
van het geloof. Waar ook in de heilige koran een samenvatting van de islam wordt gegeven,
samen met het geloof in Allah, worden deze twee zaken genoemd, namelijk het gebed en het
uitgeven op de weg van Allah oftewel liefdadige handelingen. Het is daarom van groot belang
om na te denken over de werkelijke betekenis van deze twee praktische zaken. Vandaag de dag
zien we veel mensen bidden, hoewel het aantal mensen liefdadige handelingen verrichten
misschien niet zo groot is. Je vraagt je af waarom er, naast het geloof, zoveel nadruk wordt

gelegd op deze twee praktijken. Als we erover nadenken, komen we erachter dat de islam heeft
geprobeerd om twee revolutionaire maatschappelijke veranderingen teweeg te brengen: de
morele of spirituele verheffing, en de wereldse vooruitgang. De islam is geen religie die ons
alleen maar iets vertelt over Allah en ons geen leidraad geeft in wereldse zaken. Het geeft ons
richtlijnen voor aanbidding én leert ons het juiste gedrag in materiële zaken. De heilige koran
vertelt ons veel over onze relatie met andere mensen en werpt licht op de meest onbeduidende
aspecten van ons wereldse gedrag.

Hoe bereikt men spirituele en wereldlijke vooruitgang?
Vóór de islam en de heilige koran moesten er aan twee noodzakelijke doelen voldaan worden.
Zoals ik al zei, zijn deze doelen het bewerkstelligen van spirituele en van wereldse vooruitgang
in de samenleving. Het doel van morele vooruitgang werd gepresenteerd door het gebod: “en
onderhoud het gebed,” terwijl wereldse vooruitgang tot stand kwam door het in praktijk
brengen van het gebod: “en uitgeven van wat Wij hen hebben gegeven.”

De islam heeft het onderhouden van het gebed aangewezen als een middel voor onze morele
vooruitgang. Maar als we in deze tijd waarin we leven kijken naar de biddenden, dan kunnen
we ons afvragen of het gebed inderdaad wel leidt tot morele en spirituele vooruitgang. Maar
in werkelijkheid is het zo, dat het onderhouden van het gebed een nauw verband heeft met onze
spirituele en morele vooruitgang. De heilige koran erkent dit verband in deze woorden:

“Zeker, het gebed houdt (een persoon) weg van onfatsoenlijkheid en kwaad.” (29:45)

Bovendien wordt het gebed in de Hadith de spirituele opstijging (mi‘rādj) van de gelovige
genoemd.

Iedereen is het erover eens dat in goed gezelschap verkeren een goede invloed op ons kan
hebben. Dit is niet zozeer het gevolg van de aanmoedigingen van het goede gezelschap om
goed te doen, maar vaak laat het uitmuntende karakter van zulke personen een positieve indruk
op ons achter. Van de vele zaken die ervoor zorgden dat de Arabieren vooruitgang boekten,
was een van de belangrijkste oorzaken de indruk die de goedheid van de profeet Mohammed
(v.z.m.h.) op hun achterliet als ze samen met hem in zijn gezelschap verkeerden. De relatie
tussen Allah en de mens tijdens het gebed is als de relatie tussen twee mensen. Hoewel we
Allah niet met onze ogen kunnen zien, is het alsof we Zijn aanwezigheid kunnen voelen, mits
we onze harten voor Hem openen. Met andere woorden, gebed voert ons mee naar Allah’s
aanwezigheid. Ongetwijfeld is Allah de bron van alle goedheid, voortreffelijkheden en
verheven eigenschappen. Een persoon die de mogelijkheid heeft gekregen om vijf keer per dag
voor Allah in gebed te mogen staan zal ongetwijfeld morele en spirituele vooruitgang boeken
door zich bewust te worden van Zijn goedheid en deze in praktijk te brengen.

Iemand kan een goed persoon worden door gezelschap te houden met een ander goed persoon.
Op dezelfde manier, maar dan in nog grotere mate, kan men een voortreffelijk persoon worden
door je in Allah’s aanwezigheid te begeven. Dit is niet slechts een bewering. Diegenen die het
doel van het gebed tot in de finesses begrepen, de metgezellen van de Profeet en een grote
getale van moslims in de generaties na hem, waren zich niet alleen bewust van de realiteit van
het gebed, maar vervulden, door het onderdeel van hun praktische leven te maken, ook de
onderliggende bedoeling ervan. Hoe verkregen deze mensen hun hoge morele zeden? Alleen
door een connectie te maken met Allah, de bron van alle goedheid. Door het gebed te
onderhouden, werden ze morele en spirituele leraren voor de rest van de wereld.

Sommige mensen denken dat ze al een hoge zeden bezitten; waarom is het dan nog nodig om
te bidden? Niets kan moreel schadelijker zijn dan zo’n gedachtegang. Alleen mensen die de
noodzaak van spirituele vooruitgang inzien, kunnen vooruitgang boeken. Het maakt niet uit
hoeveel vooruitgang iemand boekt, op het moment dat hij voelt dat hij geen vooruitgang hoeft
te boeken stagneert hij. De heilige koran heeft geen limiet gesteld aan de menselijke
vooruitgang. Het paradijs is niet slechts een plaats van comfort en rust, maar het begin van een
hoger stadium van spirituele vooruitgang.

Zelfs in deze wereld voelt men de behoefte voor meer nadat men vooruitgang heeft geboekt.
Omdat we enigszins controle hebben over enkele van de natuurkrachten, kunnen we niet
beweren dat we volledige vooruitgang hebben geboekt. Wie weet hoeveel ontdekkingen er over
vijftig jaar gedaan zullen worden en welke hoogten van wereldse vooruitgang de mensheid zal
bereiken? Hetzelfde geldt voor spirituele vooruitgang die we in dit leven kunnen bereiken en
die zich verder uitbreidt in het leven na de dood. Deze uitbreiding is onbegrensd. Kortom,
gebed is het middel om dit doel te bereiken en dichter bij Allah te komen. Dit wordt uitgedrukt
door de woorden, “die het gebed onderhouden.” En de woorden, “en uitgeven van wat Wij hen
hebben gegeven,” geven aan hoe we progressie bereiken op de wereld.

De woorden, “die in het Ongeziene geloven,” wijzen ons op het geloof in Allah. Maar dit geloof
is vruchteloos als men geen band met Allah vormt. Het onderhouden van het gebed is het
middel om deze band tot stand te brengen. En wat is het bewijs van deze band? Degenen die
daarin slagen, doen dat door uit te geven van wat Allah hen gegeven heeft. Waarom kiest de
mens ervoor om moeilijkheden te trotseren, hard te werken en allerlei ontberingen te
doorstaan? Dat doet hij om een relatie met anderen op te bouwen. Zolang men niet de passie
en het verlangen heeft om het leven van anderen te verbeteren, kan men geen vooruitgang
boeken in het doen van het goede.

De heilige koran, het woord van Allah
We vinden vaak een antwoord voor onze religieuze grondbeginselen door de geschiedenis te
bestuderen. Door naar de geschiedenis te kijken ontdekken we dat het kenmerk van het karakter van die mensen die dicht bij Allah stonden niet hun grote devotie aan Hem was, maar de dienst
die ze aan de mensheid bewezen. Wereldse mensen zijn altijd bezig met hoe ze aan macht en
rijkdom kunnen komen. Het doel van de islam was om de gedachte over te brengen dat ware
eer niet voortkomt uit rijkdom en macht, maar uit het laten zien van een hoog moreel karakter.

De heilige koran vertelt het verhaal van een blinde man. De profeet Mohammed (v.z.m.h.) was
eens in gesprek met de leiders van Qoeraisj. Er kwam toen een blinde man aangelopen die, niet
door hebbende dat de Profeet met anderen aan het praten was, zijn gesprek onderbrak en vroeg,
“o boodschapper van Allah, maak mij (enkele zaken) duidelijk.” De profeet Mohammed vond
zijn onderbreking ongepast, waarop hij deze openbaring van Allah ontving:

“Hij fronste en keerde zich af. Omdat de blinde man bij hem kwam.” (80:1-2)

Mensen zeggen dat de heilige koran een verzameling is van gedachten die in het hoofd van de
profeet Mohammed opkwamen. Als dat zo is, waarom staan deze verzen dan in de heilige
koran? De Profeet wist heel goed dat de mensen deze heilige koran zouden lezen. Is er iemand
die in zijn eigen woorden zijn handelingen zou willen vastleggen die Allah de Verhevene niet
bevallen? Vooral als dat boek over de hele wereld verspreid zou worden en in de dagelijkse
gebeden gereciteerd? Dit kan geen creatie van iemands eigen gedachten zijn! Na deze verzen
volgen de volgende verzen:

“Nee, het is waarlijk een Herinnering. Dus laat degene die dat wil haar in acht nemen.
In geëerde boeken. Verheven, gezuiverd. In de handen van schrijvers. Edel,
deugdzaam.” (80:11-16)

Dit betekent dat de heilige koran is geopenbaard om een persoon van een lagere naar een hogere
morele staat te verheffen. Zo’n eer en verheven staat die voortkomen uit een hoge moraal zijn
van duurzame aard. Dit is de echte eer waar men terecht trots op kan zijn.

Op dezelfde manier verhaalt de heilige koran een voorval over een bepaalde vrouw:

“Waarlijk, Allah heeft het geval gehoord van haar die (haar zaak) bij u bepleit over haar
echtgenoot.” (58:1)

De vrouw naar wie verwezen wordt is Choewailah, de vrouw van Aus ibn Samit. Hij scheidde
van haar op de manier van een oud Arabisch gebruik, wanneer een man tegen zijn vrouw zei:
“u bent voor mij als de rug van mijn moeder.” Zij deed haar beklag bij de profeet Mohammed,
die zei dat hij zich niet kon mengen in hun privé-kwestie, omdat hij er geen openbaring over
had gekregen. Vervolgens wilde Aus ibn Ṣāmit dat zij echtelijke gemeenschap met hem zou
hebben. Maar zij weigerde en kwam naar de Profeet om te klagen over zijn slechte aard. De
Profeet wilde dat ze toegeeflijker zou zijn, maar ze was daartoe niet bereid. Op dat moment
ontving de profeet Mohammed deze openbaring: “Waarlijk, Allah heeft het geval gehoord van
haar die (haar zaak) bij u bepleit over haar echtgenoot.” Er werd bepaald dat de echtgenoot in zulke gevallen een boetedoening moest doen voordat de echtelijke rechten werden hersteld
(koran, 58: 4) (Ah, vol. VI, 410). Dit laat zien dat elke persoon altijd belangrijk is voor Allah,
hoe onbeduidend hij of zij ook is. De vrouw bepleitte haar geval in dit voorval bij de Profeet,
maar Allah de Verhevene verhoorde de zaak die zij naar voren bracht.

In de tijd van de kalief Oemar (r.a.) is er over hem verhaald dat hij met een aantal mensen op
de markt stond. Er kwam een vrouw naar hem toe die zei dat ze enkele dingen met hem wilde
bespreken. De mensen waren aan het wachten terwijl zij een hele tijd met de kalief praatte.
Men vroeg daarna aan Oemar: “O leider der gelovigen, u heeft zoveel mensen laten wachten
omwille van een oude vrouw!” Zijn antwoord was: “Weten jullie niet dat dit de vrouw is wier
smeekbeden door Allah in de hemel zijn gehoord? Wie is Oemar om niet te luisteren naar wat
zij te zeggen heeft?” Dit betekent niet dat kalief Oemar alleen luisterde naar wat deze vrouw te
zeggen had en dat hij andere vrouwen negeerde. Wat bedoeld wordt om te laten zien is hoe de
islam mensen die onbeduidend leken verhief en een positie van eer gaf.

Deze twee praktijken: die het gebed onderhouden en uitgeven van wat Wij hen hebben
gegeven, zijn in werkelijkheid de twee grondbeginselen van de religie; het onderhouden van
het gebed voor spirituele en morele ontwikkeling, en het uitgeven van wat Wij hen gegeven
hebben voor wereldse vooruitgang. “Wat Wij hen hebben gegeven” omvat alle middelen van
bestaan die Allah hun heeft gegeven, zoals kennis, rijkdom, bezittingen, enzovoort. Waarom
worden deze twee samen genoemd? Omdat ze de basis vormen van alle vooruitgang. Het
uitgangspunt is het geloof in Allah. Vervolgens wordt ons verteld dat dit niet genoeg is, tenzij
men een band opbouwt met Allah, en dit moet men doen door het onderhouden van het gebed.
Tenslotte wordt ons verteld dat wie een band heeft met Allah de mensheid dient. Onder de
eigenschappen van Allah, de Verhevene, is de eigenschap van Rabb, het bevorderen van groei
ontwikkeling tot het punt van volmaaktheid. Dit is Zijn grootste eigenschap. Daarom
bevorderen en ontwikkelen diegenen die een relatie met Hem hebben opgebouwd de
eigenschap van “uitgeven van wat Wij hen gegeven hebben.”

Gepubliceerd door IslamLab
Vertaald door Reza Ghafoerkhan

Select the fields to be shown. Others will be hidden. Drag and drop to rearrange the order.
  • Image
  • SKU
  • Rating
  • Price
  • Stock
  • Availability
  • Add to cart
  • Description
  • Content
  • Weight
  • Dimensions
  • Additional information
Click outside to hide the comparison bar
Compare