Vrijdag khoetba door dr. Zahid Aziz, voor Lahore Ahmadiyya UK, 29 oktober 2021

Er zijn veel voorvallen in het leven van de profeet Mohammed (s.a.w.s.) die zijn zorg en
bekommering voor het welzijn van dieren en andere wezens laten zien. Zoals ik in een recente
khoetbah zei, wordt hij in de koran ‘een genade voor alle werelden’ (raḥmatun lil-‘ālamīn)
genoemd. En met ‘werelden’ wordt niet alleen uit alle volkeren van de hele mensheid bedoeld,
maar ook de dierenwereld. Hij was dus ook een genade voor de dierenwereld. Zijn zorg en
bekommering om dieren was niet alleen de zachtaardigheid zoals veel mensen van nature
hebben, maar zijn diervriendelijkheid kwam ook voort vanuit de leer van de koran.
Volgens het eerste vers dat ik heb voorgelezen, vormen alle soorten dieren en vogels
gemeenschappen, net zoals mensen een gemeenschap vormen. Je zou ook kunnen zeggen dat
mensen zijn onderverdeeld in een aantal gemeenschappen, bijvoorbeeld op basis van ras. Omdat
de koran dieren en vogels als gemeenschappen erkent, betekent dit dat de koran hen
bestaansrecht geeft en dat de menselijke beschaving hen niet mag uitroeien.
Volgens het tweede vers zorgt Allah zelf voor de middelen van levensonderhoud – voedsel en
water – voor alle dieren. Het vers zegt zelfs dat het verplicht is voor Allah (‘ala-llāh) om in het
levensonderhoud van dieren te voorzien. Hij kent de woonplaats (mustaqarra) van alle dieren
en ook hun bewaarplaats (mustauda‘). Sommige geleerden leggen deze plaatsen uit als de plaats
waar een dier leeft en de plaats waar het sterft. Het kan ook betekenen de plaats waar een dier
in de buitenlucht leeft en de plaats waar het zich verbergt. Aangezien het woord mustauda‘ de
plaats betekent waar iets wordt afgezet, kan het hier ook plaatsen betekenen waar de fossielen
van prehistorische dieren te vinden zijn. Hoe het ook zij, het vers zegt dat Allah, volgens Zijn
wetten, het voedsel en onderkomen van dieren, hun leefgebied van het begin tot het einde van
hun leven, verschaft. ‘Alles staat in een duidelijk register,’ wijst op de kennis van Allah. De
mens kan die kennis ook vergaren door onderzoek en ontdekkingen te doen. Dit vers verbiedt
de mens om dieren van voedsel en water te beroven, en om hun leefgebied en behuizingen te
vernietigen.
Een andere passage in de koran is als volgt:
“En de aarde — Wij hebben haar uitgespreid en er vaste bergen op gemaakt en er alle geschikte
dingen op laten groeien. En Wij hebben daarin middelen van bestaan gemaakt voor jullie en
voor die (wezens) voor wiens onderhoud jullie niet zorgen.” – 15:19-20
Hier wordt opnieuw tegen ons gezegd dat Allah zelf voor de middelen van bestaan zorgt, niet
alleen voor mensen, maar ook voor die (wezens) in de schepping voor wie mensen niet zorgen.
Afgezien van huisdieren of dieren die in een dierentuin zijn opgesloten, geven mensen geen
voedsel aan de andere schepselen van Allah. Allah zorgt voor hen, en daarom mag de mens niet
verhinderen dat deze voorzieningen die dieren bereiken. De koran maakt op een andere plek
gewag van het voedsel dat de aarde voortbrengt en het water op de aarde en zegt dat deze ‘een
voorziening voor u en voor uw vee’ zijn (zie 79:30-33 en 80:24-32).
In feite maakt de koran het tot een plicht van godvrezende moslims om een deel van hun geld
aan te wenden om dieren te helpen. Zij moeten dit op dezelfde manier doen zoals ze mensen
helpen die om hulp vragen. Nadat de koran zegt dat de vrome gelovigen diegenen zijn die goed
doen en die in de nacht en in de ochtend bidden, zegt de koran over hen: “En in hun rijkdom
was er een rechtmatig deel voor de bedelaar en voor degene die behoeftig is,” (51:19). Met
‘bedelaar’ wordt hier iedereen bedoeld die om financiële hulp vraagt, niet letterlijk wat wij als
bedelaar beschouwen. ‘Degene die behoeftig is’ (maḥrūm) vat men op als iemand die financiële
hulp nodig heeft maar er niet om vraagt. Dat betekent dat degenen die hun geld in liefdadigheid
uitgeven ook de behoeftigen in het oog moeten houden die niet om hulp kunnen of willen
vragen. Maar sommigen interpreteren maḥrūm als ‘verstoken van spraakvermogen’, en dit
omvat dieren.
In het leven van profeet Mohammed (s.a.w.s.) zijn er veel gebeurtenissen geweest waar hij
stelde dat het een goede daad is om dieren te redden en te helpen. Hij veroordeelde mishandeling
van dieren in de meest krachtige bewoordingen en droeg de mensen op om daarmee te stoppen.
Hij vertelde dit verhaal aan de mensen:
“De Boodschapper van Allah (s.a.w.s) zei: ‘Toen een man aan het wandelen was, kreeg hij
dorst en daalde af in een put en dronk er water uit. Toen hij eruit kwam, zag hij een hond hijgen
en modder eten vanwege extreem veel dorst. De man zei: Deze (hond) heeft hetzelfde probleem
als ik. Dus hij (ging de put in en) vulde zijn schoen met water, hield het met zijn tanden vast,
klom omhoog en gaf de hond water. Allah bedankte hem voor die daad en vergaf hem.’ De
mensen vroegen: ‘Boodschapper van Allah (s.a.w.s.), ligt er in (het goed doen aan) de dieren
een beloning voor ons?’ Hij zei: ‘Voor elk schepsel met een verse lever van leven, er is een
beloning (om er goed aan te doen).’” (Bukhari, boek 42: Distributie van water, hoofdstuk 9)
In hetzelfde hoofdstuk in Bukhari staan er twee andere overleveringen waarin staat dat profeet
Mohammed (s.a.w.s.) vertelde dat hij tijdens een gebed een visioen kreeg waarin de hel hem heel dichtbij werd getoond. Hij zag daarin een vrouw die “in de hel was terechtgekomen
vanwege een kat die ze opgesloten had gehouden tot het stierf van de honger.” De Profeet
(s.a.w.s.) voegde eraan toe dat Allah tegen de vrouw zei: “u hebt het niet gevoed of water
gegeven toen u het opsloot, noch hebt u het vrijgelaten om de insecten van de aarde te eten.”
(Bukhari, boek 42: Distributie van water, hoofdstuk 9)
Hij onderwees een eenvoudig principe met betrekking tot het gebruik van dieren door de mens:
“De Boodschapper van Allah (s.a.w.s.) kwam een uitgemergelde kameel tegen (letterlijk, ‘zijn
rug was tegen zijn maag’). Hij zei: ‘vrees Allah met betrekking tot deze dieren die niet kunnen
spreken. Berijd ze als ze in goede conditie zijn en eet ze als ze in goede conditie zijn.’” (Abu
Dawud, boek 15: Jihad)
Na de bovenstaande hadies wordt het volgende voorval verteld: “Hij (profeet Mohammed
(s.a.w.s.)) ging de tuin van een man van de Ansar binnen. Plotseling, toen een kameel de Profeet
(s.a.w.s.) zag, begon het teder te huilen, bracht een hunkerend geluid voort en zijn ogen
vloeiden. De Profeet ging ernaartoe en streek over de slaap van zijn hoofd. Zo bleef het stil. Hij
zei toen: ‘wie is de baas van deze kameel? Wiens kameel is dit?’ Een jongeman van de Ansar
kwam en zei: “dit is van mij, Boodschapper van Allah.’ Hij zei: ‘vreest u Allah niet vanwege
dit dier dat Allah in uw bezit heeft gegeven? Het heeft bij mij geklaagd dat u het hongerig laat
en het zwaar belast waardoor het uitgeput raakt.’” (Abu Dawud, boek 15: Jihad). De laatste
twee overleveringen staan in een hoofdstuk in de Abu Dawuds hadiesverzameling met de titel
‘Wat er is bevolen met betrekking tot de juiste zorg voor rijdieren en vee’. Deze titel laat zien
dat dit geboden zijn van profeet Mohammed
Een ander voorval in hetzelfde hadiesboek van Abu Dawud gaat als volgt: “We waren bij de
Boodschapper van Allah (s.a.w.s.) tijdens een reis. Hij ging rust nemen. We zagen een vogel
met haar twee jongen en we hebben haar jongen gevangen. De vogel kwam en begon zijn
vleugels uit te spreiden. De Boodschapper van Allah (s.a.w.s) kwam en zei: ‘wie heeft haar van
streek gemaakt om haar jongen? Breng haar jongen naar haar terug.’ Hij zag ook een
mierenkolonie die we hadden verbrand. Hij vroeg: ‘wie heeft dit verbrand?’ Wij antwoordden:
‘wij’. Hij zei: ‘Het is voor niemand gepast om met vuur te straffen, behalve voor de Heer van
het vuur’.” (Abu Dawud, boek 15: Jihad)
Profeet Mohammed (s.a.w.s.) vertelde eens het verhaal van een vroegere profeet: “Toen een
profeet van de profeten (van Allah) onder een boom aan het uitrusten was, beet een mier hem.
Hij beval daarom dat zijn bagage van onder die boom moest worden weggehaald en beval
vervolgens dat de nest van de mieren in brand moest worden gestoken. Toen zond Allah hem
een openbaring: ‘was het niet voldoende om slechts één mier te verbranden?’” (Bukhari, boek
59: Begin van de schepping, hoofdstuk 16) In een andere versie van dit verhaal staat dat Allah
aan hem openbaarde: “omdat een mier u heeft gebeten, hebt u een gemeenschap (ummah)
vernietigd van onder de gemeenschappen die Allah verheerlijken?” (Bukhari, boek 56: Jihad, hoofdstuk 153). Wat bedoelde hij toen hij mieren omschreef als ‘een gemeenschap die Allah
verheerlijkt’ of tasbīḥ doet? Hij moet het volgende vers van de koran in gedachten hebben
gehad: “Zien jullie niet dat Allah Hij is Die allen verheerlijkt die in de hemelen en op de aarde
zijn, en de vogels met uitgespreide vleugels? Ieder kent zijn gebed en zijn verheerlijking
(tasbīḥ)” (24:41). Met andere woorden, mieren zijn een schepping van Allah en vormen een
gemeenschap of ummah in termen van het vers dat ik aan het begin van deze khoetbah heb
opgelezen. Hoewel het mogelijk is dat wij individuele leden van een gemeenschap, die een
gevaar vormen of die ons schade berokkenen, desnoods doden, is het echter verkeerd om een
hele groep uit te roeien vanwege het gevaar van een of enkelen van die groep.
Dit doet ons denken aan hoe heersende machten in de menselijke beschaving door de
geschiedenis heen, en zelfs nu, op brede schaal straffen uitdelen als hun macht of heerschappij
wordt bedreigd door een of enkele mensen. Een paar mensen van een dorp of stad verontrusten
de regering, en de regering straft het hele dorp of stad. Hier verklaart profeet Mohammed een
dergelijke vergeldingsmaatregelen ongeldig.
We bidden dat Allah ons in staat zal stellen de ware leringen van Zijn heilige Boek en Zijn
Profeet te volgen. Âmîn.
Gepubliceerd door: IslamLab
Vertaald door: Reza Ghafoerkhan
