Vrijdag choetba door Dr Zahid Aziz, voor Lahore Ahmadiyya UK, 1 juli 2022
“En wie gehoorzaamt aan Allah en Zijn Boodschapper, Hij zal hem toelaten tot Tuinen
waardoor rivieren stromen, om daarin te verblijven. En dit is de grootse verrichting.”
(4:13)
“Dus voldoe jullie plicht aan Allah en leg jullie geschillen bij. En gehoorzaam aan Allah
en Zijn Boodschapper, als jullie gelovigen zijn.” (8:1)
“O jullie die geloven, gehoorzaam aan Allah en Zijn Boodschapper en keer jullie niet
van Hem af terwijl jullie horen.” (8:20)
“En (gelovigen, mannen en vrouwen) betalen de armenbelasting en gehoorzamen aan
Allah en aan Zijn Boodschapper. Wat hen betreft, Allah zal genade met hen hebben.
Allah is waarlijk Machtig, Wijs.” (9:71)
“Onderhoud dan het gebed en betaal de armenbelasting en gehoorzaam Allah en Zijn
Boodschapper.” (58:13)
Zoals ik in mijn laatste twee choetbah’s heb gezegd, benadrukt de heilige koran op vele plaatsen
dat moslims Allah en Zijn Boodschapper (v.z.m.h.) moeten gehoorzamen. Naast de verzen die
ik aan het begin van die twee choetbah’s heb aangehaald, heb ik hierboven nog vijf van zulke
verzen voorgelezen. Je ziet aan de laatste twee verzen dat het gehoorzamen van Allah en daarna
het gehoorzamen van de Boodschapper van Allah tezamen met het gebed en het geven van
zakaat genoemd worden als de meest fundamentele en primaire plichten van een moslim.
Vorige week vertelde ik vanuit Boechari de gebeurtenis van vlak voor de dood van de Profeet,
toen hij vroeg om schrijfmateriaal te brengen, zodat hij een belangrijke instructie voor de
moslims kon dicteren om te voorkomen dat zij na hem zouden afdwalen. Zoals ik heb verteld,
zei Oemar (r.a.) dat de Profeet overweldigd was door zijn ziekte en dat het boek van Allah voor
ons voldoende is. Hij bedoelde dat het niet nodig was om de profeet Mohammed deze
inspanning te laten leveren als wij de koran hebben, die voldoende is om te voorkomen dat de
moslims afdwalen.
Er staat nog een ander andere gebeurtenis in Boechari vermeld. Daarin weerhield de grootste
van alle metgezellen de Profeet ervan zich nodeloos in te spannen, terwijl hij reeds al het
mogelijke had gedaan. Lang voor de slag bij Badr, jaren daarvoor, had de profeet Mohammed
van Allah de belofte gekregen dat een leger, dat zich zal vormen om tegen de moslims te
strijden, op de vlucht zal worden gejaagd en dat ze hun rug zullen toekeren. Op de dag van die
strijd bij Badr bad hij als volgt in zijn tent met grote hartstocht tot Allah: “O Allah, ik vraag U
om Uw verbond en Uw belofte te vervullen. O Allah, maar als het Uw wil is, zult U na deze dag niet meer aanbeden worden.” Hij bedoelde dat alle moslims, de aanbidders van Allah, van
de aardbodem zullen worden weggevaagd tenzij Allah Zijn belofte nakomt. Aboe Bakr (r.a.)
pakte zijn hand en zei: “Dit is genoeg, o boodschapper van Allah. U hebt een te dringend beroep
gedaan op uw Heer.” Toen ging de Profeet naar buiten, in zijn gevechtskleding, terwijl hij het
volgende vers uit de koran reciteerde: “Spoedig zullen de troepen op de vlucht gejaagd worden
en zij zullen hun rug toekeren,” (54:45). (Boechari, hadith 2915, 4875, 4877).
Volgens een andere lezing van deze gebeurtenis in Sahih Moeslim, was het op het moment
toen de Profeet zag dat de vijandelijke troepen duizend man telde en zijn eigen metgezellen
ongeveer 300 man, dat hij zijn handen ophief, gericht naar de Qiblah, en dit gebed opzei. Hij
strekte zijn handen zo ver uit bij het aanroepen van Allah dat zijn mantel van zijn schouders
viel. Toen kwam Aboe Bakr en raapte zijn mantel op, legde die weer terug op zijn schouders
en sprak dezelfde woorden tot hem zoals hierboven aangehaald. (Sahih Moeslim, Boek: Jihad
en Expedities, hadith 1763). Ook deze gebeurtenis geeft blijk van de menselijke aard van de
profeet Mohammed, net als dit het geval was bij Oemar. Zijn bekommernis om zijn volgelingen
maakte hem diep emotioneel zodat hij graag meer wilde doen. Maar zijn vooraanstaande
metgezellen die dichter bij hem stonden waren in staat zaken objectiever te beschouwen en
vast te stellen dat de Profeet al het mogelijke al had gedaan. Dit leert ons ook dat het de plicht
is van volgelingen in elke groep om hun leider van advies te voorzien, hoe goed, oprecht of
groot die leider ook moge zijn. Volgelingen mogen niet de houding aannemen dat alles wat de
leider doet goed is, of dat wij, omdat hij Allah aan zijn zijde heeft, niet de verantwoordelijkheid
hebben om onze leider passend advies te geven.
Vorige week heb ik het erover gehad dat toen A’ishah (r.a.) bepaalde mensen hoorde zeggen
dat als een hond, een ezel of een vrouw langs iemand loopt die aan het bidden is, dit zijn gebed
ongeldig maakt, zij toen zei: “Stellen jullie ons (vrouwen) gelijk aan honden en ezels?”
Vervolgens vertelde ze dat zij had gezien dat de Profeet Mohammed haar kamer binnenkwam
en zijn gebeden begon te zeggen terwijl zij voor hem in bed lag, tussen hem en de Qiblah.
Uiteraard kon zij geen getuigen tonen om dat te bevestigen. Niettemin wordt haar verklaring
door iedereen als waar aangenomen. De samenstellers van de Hadith hebben nooit gezegd dat
haar getuigenis niet kan worden aanvaard omdat het de getuigenis is van slechts één vrouw, en
dat die bevestigd moet worden door tenminste nog één andere vrouw. Zij hielden vast aan het
principe dat alles wat door een metgezel, man of vrouw, wordt overgeleverd, waar is.
Natuurlijk kan een of andere mening van een metgezel, of een of andere conclusie die hij of zij
trekt, fout zijn. Maar als een van hen zegt dat hij of zij iets gezien of gehoord heeft, dan is het
zeker dat hij of zij dat inderdaad gezien of gehoord heeft.
Ik heb ook een ander verhaal aangehaald van A’ishah in de vorige choetbah waar ze zei: “De
koran is voldoende voor jullie.” En ik heb ook de gebeurtenis verhaald van Oemar waar hij
tegen de profeet Mohammed zei: “Wij hebben het Boek van Allah bij ons dat voor ons
voldoende is.” Hiermee wordt niet bedoeld dat moslims niets anders nodig hebben dan de
koran. Wat bedoeld wordt is dat als een bepaalde leer of principe is vastgesteld vanuit de koran,
dan kan deze niet teniet worden gedaan door iets buiten de koran. Daarnaast kan die leer ook
niet compleet worden gemaakt of aangevuld worden door iets buiten de koran, alsof de koran
tekortschiet. De stichter van de Ahmadiyya Beweging, Mirza Ghulam Ahmad, heeft ook
verwezen naar deze woorden van A’ishah en Oemar. In zijn boek Ayyam-oes-Soelh heeft hij
een opsomming gegeven van de geloofsopvattingen van hem en zijn volgelingen. Hij schrijft:
“Hoezeer onze tegenstanders vanuit de godsdienstgeleerden ook haat tegen ons creëren onder
de mensen en ons uitmaken voor kafir en als mensen zonder geloof, en proberen de moslims
te laten geloven dat ik, samen met mijn hele gemeenschap, ben afgeweken van de islamitische
geloofsovertuigingen en grondslagen van het geloof, dit zijn allemaal verzinsels van die
jaloerse religieuze leiders. Niemand met ook maar een greintje vrees voor God in zijn hart kan
zulke verzinsels bedenken. Wij geloven in de vijf fundamenten waarop de islam is gebaseerd,
en wij houden ons aan het woord van God, d.w.z. de heilige koran, die wij verplicht zijn te
volgen. Zoals hazrat Oemar zeggen wij, “het Boek van Allah is voldoende voor ons.” En zoals
hazrat A’ishah toen er sprake was van een conflict en een tegenstrijdigheid tussen de Hadith
en de koran, geven wij de voorkeur aan de koran. … Wij geloven dat wat Allah ook heeft gezegd
in de heilige koran, en wat de profeet Mohammed ook heeft gezegd, waar is, in
overeenstemming met wat ik hierboven heb verklaard.”
Verdergaande met het onderwerp van deze serie choetbah’s moet ik nu het volgende uitleggen.
Hadith-verzamelingen zoals Boechari en Moeslim, die de aan de profeet Mohammed
toegeschreven overleveringen en uitspraken die in omloop waren goed hebben onderzocht en
geclassificeerd, werden ongeveer 250 jaar na de tijd van de profeet Mohammed samengesteld.
Deze verzamelingen waren volledig en uitvoerig wat betreft de daarin genoemde onderwerpen.
Voordat deze verzamelingen waren opgesteld, waren er in de eeuw daarvoor al enkele
verzamelingen gemaakt, maar deze bevatten slechts hadith-verslagen over een beperkt aantal
onderwerpen en alleen die overleveringen die bekend waren in de regio waar de samensteller
woonde. Gedurende deze tijd kon je geen enkele goed erkende verzameling van Hadith vinden.
Daarom brachten moslimgeleerden in die periode boeken over islamitisch recht voort, bekend
staand als de boeken van fiqh. Deze boeken behandelden vragen over bidden, vasten,
liefdadigheid, hadj, handel, oorlog, huwelijk, scheiding, erfenis enz. Zij beantwoordden deze
vraagstukken op basis van de koran en de overleveringen van de Profeet die ze voorhanden
hadden. Er waren vier belangrijke geleerden die, afzonderlijk en onafhankelijk, hun eigen
boeken van fiqh voortbrachten. Er waren dus vier verschillende soorten islamitisch recht die
zich in verschillende landen verspreidden, en deze zijn genoemd naar hun stichters. We hebben
dus Hanafi, Shafi‘i, Maliki en Hanbali vormen van fiqh. Op het Indiase subcontinent werd de
Hanafi fiqh algemeen gevolgd. Vele eeuwen later, onder het Moeghal-bewind van India, bracht
keizer Aurangzeb, ongeveer 300 jaar geleden, bijna 500 geleerden van de Hanafi fiqh bijeen
om de officiële islamitische wet voor zijn rijk op te stellen. Dit boek staat bekend als Fatawa
al-Alamgir. Later, onder de Britse overheersing van India, werd dit gebruikt als wetboek om
de islamitische wet toe te passen op moslims in persoonlijke en burgerlijke zaken zoals
huwelijk, scheiding en erfenis.
De situatie in de moslimwereld werd dus dat de praktijk van de islam, dus wat je in de praktijk
deed om de islam te volgen, begrepen werd als wat er in deze boeken van fiqh stond. Mensen,
waaronder ook geleerden, gingen niet meer na of de conclusies in deze boeken, en de uitspraken
en fatwa’s daarin, gerechtvaardigd waren vanuit de koran, of dat ze wel van toepassing waren
in de omstandigheden van duizend jaar geleden, maar niet meer in de later veranderde
omstandigheden. Over sommige onderwerpen gingen de boeken van Fiqh uit van één verkeerd
idee dat zij verkeerd begrepen van de werkelijke leer van de islam. Maar vervolgens bouwden
zij op basis van dat ene verkeerde idee een hele wetsstructuur op. Praktijken zoals een man die
van zijn vrouw scheidt door drie keer tegen haar te zeggen ‘ik scheid van jou,’ zijn gebaseerd
op fiqh. Een ander voorbeeld is de doodstraf voor afvalligheid, dat de islam leert dat als een
moslim de godsdienst van de islam verlaat, hij gedood moet worden. Meer in het algemeen is
het verkeerde begrip over jihad, als het voeren van een oorlog tegen alle niet-moslims,
grotendeels gebaseerd op fiqh, en niet op de koran en Hadith.
Moge Allah daarom het werk van de geleerden van de islam die geprobeerd hebben deze
misvattingen weg te nemen, met succes bekronen en ons in staat stellen hun werk voort te
zetten.
Ameen.
Gepubliceerd door: IslamLab
In Nederlands vertaald door: Reza Ghafoerkhan
