De relatie tussen koran en hadies – 4

Vrijdag choetba door Dr Zahid Aziz, voor Lahore Ahmadiyya UK, 15 juli 2022 “Zeg: Als jullie Allah liefhebben, volg mij: Allah zal van jullie liefhebben, en julliebescherming schenken tegen jullie zonden. En Allah is Vergevensgezind,Barmhartig.” – 3:31“Zeker begunstigde Allah de gelovigen toen Hij in hun midden een Boodschapperdeed opstaan uit hun midden, die Zijn boodschappen […]

Vrijdag choetba door Dr Zahid Aziz, voor Lahore Ahmadiyya UK, 15 juli 2022

“Zeg: Als jullie Allah liefhebben, volg mij: Allah zal van jullie liefhebben, en jullie
bescherming schenken tegen jullie zonden. En Allah is Vergevensgezind,
Barmhartig.” – 3:31
“Zeker begunstigde Allah de gelovigen toen Hij in hun midden een Boodschapper
deed opstaan uit hun midden, die Zijn boodschappen aan hen voordroeg en hen
zuiverde, en die hun het Boek en de Wijsheid onderwees, terwijl zij daarvóór zeker in
duidelijke dwaling verkeerden.” – 3:164
“Waarlijk hebben jullie in de Boodschapper van Allah een uitstekend voorbeeld voor
degene die hoopt op Allah en de Laatste dag, en die Allah vaak in gedachten houdt.” –
33:21

Ik keer terug naar het onderwerp van mijn drie choetbah’s die ik voor de choetbah van vorige
week heb gehouden, namelijk de relatie tussen de koran en de ḥadīth. Ik heb toen verzen
geciteerd die van moslims verlangen dat zij Allah en de Boodschapper van Allah (v.z.m.h.)
gehoorzamen. De drie verzen die ik zojuist heb voorgedragen geven ons enkele redenen
waarom de profeet Mohammed (v.z.m.h.) zelf gehoorzaamd moet worden. Het eerste zegt dat
wanneer je Allah liefhebt, en je, uiteraard, ook wilt dat Allah jou liefheeft, dan is het voor jou
noodzakelijk dat je de profeet Mohammed volgt. De Profeet was degene van alle mensen die
Allah het meest liefhad. Dus een ieder die Allah liefheeft zou de Profeet van Allah moeten
volgen. Het tweede vers zegt dat het een van de taken van de Profeet was om de gelovigen te
zuiveren. Het derde vers beschrijft hem als een uitstekend voorbeeld, degene die het best
mogelijke voorbeeld gaf, voor diegenen die hun hoop in Allah stellen en hopen dat ze zullen
welslagen op de dag des oordeels.

Deze drie verzen laten zien dat de gehoorzaamheid van een moslim aan de profeet Mohammed
zich niet beperkt tot het volgen van hem in zaken zoals bijvoorbeeld de tijden van het gebed,
het aantal rak‘ah’s van de gebeden, hoe hij zijn vasten begon en eindigde, welke dagen hij
vastte buiten de maand Ramadan etc. Moslims moeten hem volgen in zijn karakter, zijn goede
eigenschappen, zijn omgang met anderen, zijn zuiverheid en zijn liefde voor Allah.

In mijn vorige choetbah over dit onderwerp, twee weken geleden, zei ik dat nadat er enkele
eeuwen na het ontstaan van de islam verstreken waren, moslims de boeken van fiqh, ook
bekend als boeken van islamitische jurisprudentie of wet, begonnen te volgen. Zij zagen die
boeken als de bron van de leer van de islam. Deze boeken behandelden alleen de leerstellingen
van de islam die betrekking hadden op uiterlijke en materiële onderwerpen. Je kon vanuit deze
boeken leren hoe je de uiterlijke handelingen van het gebed, het vasten, liefdadigheid en de
bedevaart moest verrichten. Verder leerden deze boeken de regels van de islam met betrekking
tot huwelijk, echtscheiding, financiële zaken, handel, begrafenis, erfenis, oorlog, enzovoort.
Dit werd de islamitische sharī‘ah genoemd.

Maar veel moslims waren op zoek naar spirituele tevredenheid, contact met Allah en innerlijke
zuivering. Dat is per slot van rekening de kern van de religie en wat de menselijke natuur zoekt
in een religie. Voor de spirituele begeleiding van de moslims verschenen er dus in de loop der
eeuwen vele heiligen in verschillende landen. Velen van hen zijn welbekende namen, zoals
Djalal-oed-Din Roemi, Moe’in-oed-Din Chishti, Shaikh Ahmad van Sirhind, bekend als
Moedjaddid Alf Sani, en Ali Hoedjwiri, bekend als Data Ganj Bakhsh van Lahore. Zij richtten
zich op het begeleiden van de mensen tot de geest van de islam. Hun werkterrein staat bekend
als ṭarīqah. Net zoals er vier grote scholen van fiqh zijn in de islamitische wet, zo bestaan er
verschillende ṭarīqah’s of soefi bewegingen of ordes. Deze ordes bestaan uit gidsen met hun
discipelen of leerlingen. Een gids staat bekend als een moershid of pir en een discipel wordt
een moerid genoemd. In deze bewegingen werden verschillende methoden onderwezen om
dichter tot Allah te komen, in het bijzonder door het verrichten van zikr, d.w.z. het continu
reciteren van bepaalde woorden die je aan Allah doen denken.

De stichters van deze spirituele ordes verrichtten zeer goed werk door niet-moslims binnen de
islam te brengen en moslims te leiden om goede werken te doen ten dienste van hun medemens
en de armen. Maar helaas, met het verstrijken van de tijd raakten bepaalde verkeerde
opvattingen en wijzen van aanbidding ingeburgerd in deze ordes. Deze opvattingen en
praktijken vinden geen basis in de koran of in het leven van de profeet Mohammed. Een van
die praktijken was het vereren van de graftombes van heiligen (auliyā) en hen vragen om
zegeningen. Het kan zijn dat sommige van die praktijken nuttig waren voor bepaalde mensen
in bepaalde omgevingen om hen te helpen betere moslims te worden. Op die grond zouden
zulke praktijken tijdelijk gerechtvaardigd geweest kunnen zijn. Een van hun opvattingen was
dat je je spirituele leider, pir of moershid, absoluut en zonder vragen gehoorzaamt, omdat hij
degene is die je leidt naar de Profeet en naar Allah. Dat werkte misschien voor sommige
mensen toen hun leider een grote heilige of een moedjaddid was. Maar zoals we allemaal
weten, worden de gewone volgelingen heel vaak uitgebuit door gewetenloze pirs en worden ze
tot blinde mentale slaven van hun meester gemaakt.

Hoe het ook zij, in het praktische leven van de moslim, of het nu religieus of werelds was, had
de fiqh de overhand gekregen. Maar toen, honderd jaar voor de tijd van de stichter van de
Ahmadiyya Beweging, begonnen sommige moslimgeleerden zich af te vragen hoe zij de wetten
en regels van de fiqh konden volgen als die soms in strijd waren met de koran en de ḥadīth. Of,
hoe is het mogelijk dat heiligen (auliyā) werden vereerd op een manier die tegen de koran en
de hadith inging? Zo ontstonden de groeperingen die bekend staan als Wahhabi’s of Ahl-i
Hadith. Tegenwoordig worden ze ook salafisten genoemd. Zij plaatsen de koran en hadith
boven de conclusies van de imams van de fiqh. Zij beschouwen de ḥadīth echter als een
correcte uiteenzetting van de koran en zij interpreteren de koran in het licht van de ḥadīth.
Wanneer zij, bijvoorbeeld. een overlevering in de ḥadīth van Boechari lezen, waarin staat dat
de profeet Mohammed (vrede zij met hem) zei: “Wie van godsdienst verandert, doodt hem,”
(ḥadīth nummer 3017 en 6922), concluderen zij onmiddellijk dat elke moslim die de islam
verlaat in een islamitische staat ter dood veroordeeld moet worden. Ze negeren het feit de koran
duidelijk leert dat iedereen vrij is om de religie aan te nemen die hij of zij wenst. En verder
negeren ze het feit dat wanneer de koran spreek van mensen die de islam verlaten nadat ze
moslim zijn geworden, dat de koran dan geen enkele opdracht geeft, direct noch indirect, dat
ze gestraft moeten worden, laat staan ter dood veroordeeld. Zij nemen deze ḥadīth aan voor
wat de koran werkelijk bedoelt te zeggen.

En als ze, bijvoorbeeld, de ḥadīth-overlevering lezen, vlak in het begin van Boechari, dat de
Profeet (vrede zij met hem) zei: “Mij is bevolen dat ik tegen de mensen moet strijden totdat zij
getuigen dat er geen god bestaat dan Allah en dat Mohammed de Boodschapper van Allah is
en het gebed onderhouden en de zakaat betalen,” (hadith 25), dan trekken zij de overhaaste
conclusie dat een moslimstaat oorlog moet voeren tegen andere mensen op de wereld totdat zij
de islam accepteren. Ook hier negeren ze dat de koran alleen toestaat dat moslims mogen
strijden tegen degenen die de moslims als eerste aanvallen. Deze groepen en bewegingen
hadden dus in eerste instantie gelijk hadden toen ze de koran en de ḥadīth boven door mensen
opgestelde oordelen en wetten in de boeken van fiqh plaatsten. Maar met betrekking tot de
respectievelijke posities van de koran en de ḥadīth meenden ze, dat de ḥadīth een meer
volledige uitleg gaf van wat de koran eigenlijk bedoelt te zeggen. Ze namen dus als feit en als
letterlijk waar aan wat er in de ḥadīth staat en interpreteerden de koran op een wijze om deze
in overeenstemming te brengen met de ḥadīth.

Deze groepen hechten ook geen waarde aan de spirituele kant van de islam. Ze hekelen en
vallen de heiligen aan die door de islamitische geschiedenis heen verschenen door te zeggen
dat ze afwijken van de islam. Zij beschouwen hen als bedriegers die de gewone massa voor de
gek hielden. Ze geloven niet dat heiligen in de islam na de profeet Mohammed nog steeds een
soort openbaring van Allah kunnen ontvangen. Ze zijn van mening dat een paar eeuwen
geleden een geleerde de ḥadīth die spreekt over de komst van moedjaddids populair maakte
onder de mensen om te bewijzen dat hij een moedjaddid was.

Ik heb in grote lijnen vier belangrijke zienswijzen onder soennitische moslims genoemd die
door de eeuwen heen zijn ontstaan. De eerste twee zijn:

(1) Volgelingen van de boeken van de fiqh of de van de grote imams van de islamitische wet,
en,
(2) de soefi spirituele ordes die hun oorsprong vinden in de grote heiligen van de islam en hun
heiligdommen. Deze twee zijn in meerderheid onder de moslims te vinden, vooral op het
Indiase subcontinent.
(3) Ten derde, degenen die bekend staan als Ahl-i Hadith, Wahhabi en Salafi. Deze wijzen de
beide eerdergenoemde groepen af en zeggen dat zij de koran en ḥadīth boven de regels van
fiqh en boven eerbied voor heiligen plaatsen. Maar zij beschouwen de ḥadīth als de definitieve
uitleg van de koran en zelfs als gezag te hebben boven de koran.
(4) Ten vierde, degenen die zeggen dat ze alleen de koran als de enige autoriteit in de islam
aannemen en alles daarbuiten verwerpen, inclusief de autoriteit van de profeet Mohammed om
zijn eigen boodschap te interpreteren en uit te leggen. Deze vormen een kleine minderheid en
hebben verschillende namen gehad zoals Ahl-i Qur’an. Natuurlijk vormen deze vier groepen
geen scherp omlijnde categorieën, zodat iemand slechts tot één van de vier kan behoren en
niets met de anderen deelt. Er bestaan groepen die hun standpunten uit meer dan één van deze
categorieën halen.

De stichter van de Ahmadiyya Beweging, Mirza Ghulam Ahmad, stond op als de moedjaddid
om een oordeel uit te spreken over al deze standpunten, en uit te leggen in hoeverre elke groep
juist is en in hoeverre ze onjuist zijn.

Moge Allah daarom succes schenken aan zijn werk en het werk van de geleerden die hem
volgden om zijn missie voort te zetten.
Ameen.

Gepubliceerd door: IslamLab
In Nederlands vertaald door: Reza Ghafoerkhan

Select the fields to be shown. Others will be hidden. Drag and drop to rearrange the order.
  • Image
  • SKU
  • Rating
  • Price
  • Stock
  • Availability
  • Add to cart
  • Description
  • Content
  • Weight
  • Dimensions
  • Additional information
Click outside to hide the comparison bar
Compare