Het voornaamste doel van de islam is het creëren van mededogen en liefde voor de mensheid

Vrijdagspreek door Maulana Muhammad Ali, 28 januari 1921 Ik getuig dat niemand het verdient om gediend te worden behalve Allah, en ik getuig dat Mohammed de dienaar en boodschapper van Allah is. Hierna vraag ik Allah om bescherming tegen de vervloekte duivel. In de naam van Allah, de Weldadige, de Barmhartige. “O jullie die geloven! […]

Vrijdagspreek door Maulana Muhammad Ali, 28 januari 1921

Ik getuig dat niemand het verdient om gediend te worden behalve Allah, en ik getuig dat Mohammed de dienaar en boodschapper van Allah is. Hierna vraag ik Allah om bescherming tegen de vervloekte duivel. In de naam van Allah, de Weldadige, de Barmhartige.

“O jullie die geloven! laat de mensen geen (andere) mensen bespotten: wellicht zijn zij beter dan zij. En laat de vrouwen geen (andere) vrouwen (bespotten): wellicht zijn zij beter dan zij. En spreek geen kwaad over elkaar, en noem elkaar niet bij (kwetsende) bijnamen; kwaad is een slechte naam na het geloof. En wie zich niet afwendt, dezen zijn het die de onrechtvaardigen zijn.” – 49:11

“O jullie die geloven! vermijd de meeste verdenkingen, want waarlijk, verdenking is in sommige gevallen een zonde. En bespied niet. En laat sommigen van u niet over anderen roddelen. Houdt een van u ervan het vlees van zijn dode broeder te eten? Maar u hebt er een gruwel van. En wees oppassend voor (uw plicht jegens) Allah. Waarlijk, Allah is Veelweerkerend (tot genade), Barmhartig.” – 49:12

Daden die leiden tot de ontwikkeling van het collectieve karakter

Ik heb deze verzen voorgelezen uit de tweede paragraaf van hoofdstuk Al-Ḥujurāt van de Heilige Koran. In deze verzen leidt Allah de Allerhoogste de moslimgemeenschap naar daden die kunnen leiden tot de ontwikkeling van hun karakter als gemeenschap. De Heilige Koran en de Heilige Profeet Mohammed (vrede en zegeningen van Allah zij met hem) bezitten het unieke kenmerk dat zij een alomvattende leidraad bieden die alle aspecten van de morele ontwikkeling van de mens omvat. De reikwijdte van deze leidraad strekt zich uit van het meest elementaire
tot het hoogste niveau die nodig is voor de ontwikkeling van het menselijk karakter. Deze richtlijnen vinden we in de Heilige Koran en komen tot uiting in het voorbeeld van de Heilige Profeet Mohammed.

De verzen die ik heb voorgelezen, verwijzen naar menselijke gedragingen die voor ons misschien niet zo belangrijk lijken.

“… Laat de mensen geen (andere) mensen bespotten: wellicht zijn zij beter dan zij. … En spreek geen kwaad over elkaar, en noem elkaar niet bij (kwetsende) bijnamen. …”

Toch vormen juist deze ogenschijnlijk onbeduidende tekortkomingen de maatstaf voor de morele hervorming van de moslimgemeenschap. Wat, zo kunnen wij ons afvragen, is het Goddelijke doel achter deze voorschriften van de Heilige Koran?

Bevordering van universele broederschap

Naar mijn inzicht bezit de Heilige Koran het karakteristieke kenmerk dat, zelfs wanneer er op het eerste gezicht geen verband lijkt te bestaan tussen twee hoofdstukken, een zorgvuldige beschouwing van de afsluitende verzen van het vorige hoofdstuk de onderlinge samenhang alsnog duidelijk maakt. Op dezelfde wijze geldt dat, wanneer het verband tussen twee paragrafen niet onmiddellijk zichtbaar is, men het laatste vers van de voorafgaande paragraaf goed moet beschouwen.

Het doel van de voorschriften in de verzen 49:11 en 49:12 wordt dan ook verduidelijkt door het vers dat eraan voorafgaat en het vers dat erop volgt, namelijk 49:10 en 49:13. Het voorafgaande vers luidt:

“De gelovigen zijn slechts broeders; derhalve, breng verzoening teweeg tussen uw broeders en wees oppassend voor (uw plicht jegens) Allah, opdat u barmhartigheid betoond zal worden.” – 49:10

In dit vers (49:10), dat aan de paragraaf voorafgaat, wordt dus gesproken over verzoening binnen de geloofsgemeenschap. Het doel van de paragraaf die erna komt (49:11-12), is eveneens om dat streven te bevorderen door een broederschap tot stand te brengen waarin alle oorzaken van tweedracht volledig worden uitgebannen.

Uit het vers dat erna komt (49:13), kunnen we verder het doel van al deze richtlijnen afleiden.

“O mensen! waarlijk, Wij hebben u van een mannelijk en een vrouwelijk persoon geschapen, en u tot stammen en gezinnen gemaakt, opdat u elkaar zult kennen. De meest achtenswaardige van u bij Allah is degene onder u die het best zijn plichten vervult. Waarlijk, Allah is Wetend, Zich bewust.” – 49:13

Aan het begin van deze paragraaf worden de gelovigen expliciet aangesproken met de woorden: “O jullie die geloven” (49:11). In dit vers (49:13) worden daarentegen de woorden: “O mensen” gebruikt. Dit toont aan dat de Heilige Koran een universele broederschap tot stand wil brengen, gebaseerd op onderlinge genegenheid en liefde onder alle mensen.

Mededogen onder de mensheid
Om mededogen onder de mensheid te bevorderen, bevat de Heilige Koran vele verboden waarvan de reden op het eerste gezicht niet helder lijkt. Zo is bijvoorbeeld woeker verboden voor moslims. Aangezien iedereen geld investeert om er winst uit te halen, rijst de vraag: waarom zou degene die geld uitleent geen winst mogen maken op het geld dat mensen investeren? Woeker is echter verboden omdat het leidt tot ondermijning van gevoelens van wederzijdse empathie in de samenleving.

Bij sommige mensen lijkt woeker geen merkbare negatieve invloed op hun gedrag te hebben. Dit komt doordat niet elke vorm van ongepast gedrag onmiddellijk desastreuze gevolgen met zich meebrengt. Toch laat zij onmiskenbaar een spoor van schade achter, ook al merkt men dat niet direct op. Om dit te begrijpen, moeten we kijken naar hoe slechte daden zich opstapelen. Je kunt bijvoorbeeld de afdruk op een geldbiljet niet zien als het door de hand van één persoon gaat. Maar als hetzelfde biljet door duizenden handen gaat, raakt het versleten en flets. Elke hand die het aanraakte, liet zijn spoor erop achter, en het totale effect wordt pas zichtbaar nadat het duizenden handen is gepasseerd. Zo is het ook met slechte daden: hun gevolgen zijn in het begin vaak nauwelijks merkbaar, maar wanneer zij zich opstapelen en hun grenzen overschrijden, treden hun schadelijke uitwerkingen naar buiten.

Wie beroepsmatige woekeraars observeert, merkt vaak dat dergelijke personen niet alleen liefde en mededogen voor anderen missen, maar zelfs terughoudend zijn om geld uit te geven aan hun eigen vrouwen en kinderen. Rijkdom is hen dierbaarder dan zelfs hun eigen leven, en deze begeerte kan leiden tot een staat van waanzin. Daarom zegt de Heilige Koran over zulk gedrag:

“Wie de duivel krankzinnig maakt (of ter aarde werpt) door zijn aanraking.” – 2:275

Met andere woorden, hun begeerte voor rijkdom tast zowel hun verstandelijke als hun spirituele vermogens aan.

Op dezelfde wijze verbiedt de Heilige Koran alcohol, gokken en zaken door loten beslissen voor moslims om de gemeenschapsbanden en mededogen binnen de samenleving te beschermen. Het zegt:

“De duivel wenst slechts vijandschap en haat in uw midden te doen rijzen door middel van bedwelmende middelen en kansspelen, en u af te keren van de gedachtenis aan Allah en van het gebed. Zult u dan ophouden?” – 5:91

Laten we nu terugkeren naar het onderwerp van de verzen die ik aan het begin heb voorgelezen. Daaruit blijkt dat het bespotten van mensen, het bekritiseren van hen en hun kwetsende bijnamen geven gedragingen zijn die de banden van liefde, mededogen en broederschap onder de mensen kapot maken. Het resultaat is dat kwaadaardigheid, wrok en vijandschap in hun harten worden gekweekt.

Vervolgens wordt onze aandacht gevestigd op verdere tekortkomingen van het menselijk karakter, zoals beschreven in de volgende woorden:

“O jullie die geloven! vermijd de meeste verdenkingen, want waarlijk, verdenking is in sommige gevallen een zonde. En bespied niet. En laat sommigen van u niet over anderen roddelen. Houdt een van u ervan het vlees van zijn dode broeder te eten? Maar u hebt er een gruwel van. En wees oppassend voor (uw plicht jegens) Allah. Waarlijk, Allah is Veelweerkerend (tot genade), Barmhartig.” – 49:12

Zes verboden die het collectieve karakter bevorderen
In de twee verzen worden moslims zes verboden opgelegd, die stuk voor stuk de banden van liefde en mededogen kunnen verbreken. Wanneer een gemeenschap of samenleving zich bezighoudt met het geven van bijnamen, roddelen, wantrouwen en het bespieden van elkaar, leidt dat onherroepelijk tot de teloorgang van wederzijdse liefde en mededogen. Omdat de Heilige Koran juist genegenheid en compassie wil bevorderen, verbiedt hij gedragingen die deze deugden uit de samenleving verdrijven. Deze overtredingen lijken misschien onbeduidend, maar net als een plantenzaadje kan de bron van het kwaad ook klein en nietig lijken. Het doel van de Heilige Koran is om schadelijke praktijken uit de samenleving te weren. Daarom negeert de Koran zelfs niet die tekortkomingen die nietig lijken, en ontwortelt hij het zaadje van het kwaad nog voordat het wordt geplant. Om een gemeenschap tot bloei te brengen, is het noodzakelijk om dergelijke gewoonten in te dammen en te voorkomen dat individuele leden hun energie en middelen verspillen.

De morele toestand van moslims is tegenwoordig zodanig, dat zij een aanzienlijk deel van hun kostbare tijd verspillen aan kwaadsprekerij, roddel en anderen kwetsende bijnamen geven. Wanneer enkele vrienden samenkomen, verdoen zij hun tijd met nutteloze roddels. Wordt hun gevraagd naar het verrichten van gebeden of het bestuderen van de Heilige Koran, dan luidt het excuus dat zij daar geen tijd voor hebben. Voor de dienst aan Allah hebben ze geen tijd, maar ze kunnen wel genoeg tijd vinden voor zulke frivole bezigheden!

De Heilige Koran en de Heilige Profeet hebben moslims uitdrukkelijk verboden te roddelen, fouten bij anderen te zoeken en elkaar beledigende namen te geven.

Het eerste voorschrift in deze verzen luidt: “Laat de mensen geen (andere) mensen bespotten (yaskhar).” Het Arabische woord yaskhar betekent iemand vernederen of belachelijk maken.

Het tweede voorschrift is: “En spreek niet kwaad (talmizū) over elkaar.” Het woord lamz verwijst naar het verdraaien van een goede daad door haar op een negatieve manier af te schilderen. We vinden dit gedrag verder beschreven en uitgelegd in een ander vers van de Heilige Koran:

“Degenen die de vrijwillige gevers van aalmoezen onder de gelovigen en hen die niet dan naar hun vermogen kunnen vinden beschimpen (yalmazūna), derhalve bespotten zij hen. Allah zal hun hun spotternij terugbetalen, en zij zullen een pijnlijke straf hebben.” – 9:79

Dit betekent dat zulke mensen zowel de vrijgevigen als de armen bespotten: de eersten omdat zij geven, de laatsten omdat zij slechts weinig kunnen bijdragen. Maar Allah zal hun spot vergelden met een passende bestraffing. Zo zijn er mensen die degenen die liefdadigheid verrichten beschuldigen van uiterlijk vertoon en hypocrisie, en stellen zij hun goede daad voor als iets verkeerds. En wanneer de armen geen bijdrage kunnen geven, maar slechts hun harde arbeid, spreken zij hen minachtend toe en zeggen: “Ook zij willen bij de martelaren horen door slechts een druppel bloed aan hun vinger te tonen.”

Het derde voorschrift luidt: “En noem elkaar niet bij (kwetsende) bijnamen.” In de tijd van onwetendheid (d.i. vóór de islam) gaven de Arabieren elkaar bijnamen, maar ook bijnamen die beledigend en vernederend waren. Het doel hiervan was de ander te kleineren. Dergelijke gewoonten zaaien verdeeldheid binnen een gemeenschap, ondermijnen liefdevolle relaties en voeden haat en minachting. Daarom: lach anderen niet uit, bespot hen niet en geef hen geen kwetsende bijnamen. Al deze gedragingen zijn bedoeld om mensen te vernederen. Ik spoor jullie aan deze praktijken volledig uit de weg te gaan.

Deze drie voorschriften kenmerken zich doordat degene die ze zo’n gedrag toont de intentie heeft de ander te vernederen. De tweede soort handelingen die verboden zijn, zijn die waarbij weliswaar vernedering niet het doel is, maar die desalniettemin de onderlinge banden van liefde verbreken — vandaar dat ook deze verboden zijn.

De eerste hiervan is: “Vermijd de meeste verdenkingen.” “Verdenking” betekent dat je een negatieve mening vormt over een ander en hem verdenkt van kwade bedoelingen of gedrag zonder enige reden.

Wanneer iemand bijvoorbeeld ’s avonds ergens naartoe gaat, veronderstellen sommigen meteen dat hij alcohol gaat drinken of zich aan iets verkeerds zal bezondigen. Dergelijke ongefundeerde vermoedens behoren tot de zaken die vermeden moeten worden.

Het tweede verbod in deze categorie is: “En bespied (elkaar) niet.” (49:12). Dit houdt in dat men niet doelbewust naar de fouten van anderen moet gaan zoeken, en dat men zich niet onnodig met andermans privézaken moet bemoeien om zijn zwakheden of tekortkomingen bloot te leggen.

Het derde gebod is: “En laat sommigen van u niet over anderen roddelen.” Dat wil zeggen: wat voor slechte eigenschap of tekortkoming je broeder of zuster ook mag hebben, spreek er niet over wanneer hij of zij er zelf niet bij is.

De Heilige Koran vraagt dan aan ons: “Zou één van jullie graag het vlees van zijn dode broeder willen eten?” De gewoonte van roddelen wordt dus vergeleken met het eten van het vlees van iemands dode broeder, wat iets afschuwelijks is. Maar helaas! Mensen zouden geen kadaver willen eten, maar voelen aan de andere kant geen enkele morele belemmering om te roddelen. De tekortkoming of zwakte van een persoon wordt vergeleken met een kadaver, omdat hij zichzelf niet kan verdedigen. Zo wordt de ware aard van roddelen verduidelijkt door het spirituele te koppelen het fysieke.

Deze gedragingen lijken misschien onbeduidend, maar bij herhaling kunnen ze uiterst gevaarlijk worden. De kracht van een gemeenschap wordt verspild, en onderlinge haat groeit onder de mensen. Het gevolg van deze slechte gewoonten is, dat wanneer een dienaar van Allah opstaat om een taak te uit te voeren, er een vloed van beledigingen, hoon en kritiek over hem wordt uitgestort, in plaats van dat men hem bijstaat in zijn goede werk.

Verzet tegen de hervormer van deze tijd
Aanvankelijk ondervond de hervormer (mujaddid) van deze tijd, Mirza Ghulam Ahmad, verzet van bepaalde mensen, die zeer rechtschapen en oprecht waren. Maar toen zij eenmaal zijn aanspraken begrepen, accepteerden zij hem zonder aarzeling. Het onderzoeken van een kwestie of je verzetten ertegen is dus op zichzelf niet zo erg. Maar wanneer je het aangrijpt als voorwendsel om gebreken en fouten bij iemand te zoeken, dan is dat wel zeer ernstig. Wanneer iemand daadwerkelijk een tekortkoming heeft, behoort men daar niet achter zijn rug om over te spreken. En wanneer die tekortkoming zelfs niet eens bestaat, dan is het verbod des te strenger.

Roddelen wordt vergeleken met het consumeren van het vlees van een dode broeder. Met andere woorden: bij roddelen maak je misbruik van zijn zwakke en kwetsbare toestand, omdat hij niet in staat is zichzelf te verdedigen. Net zoals ieder mens een afkeer voelt hij het idee een kadaver te eten, zo moet men ook met dezelfde mate van afschuw hebben van roddelen.

Degenen die tegen ons gekant zijn, hebben er een gewoonte van gemaakt Mirza Ghulam Ahmad te bespotten. De voornaamste aanvoerder van deze tegenstand is op dit moment maulvi Sana’ullah. Geen enkele van zijn lezingen is vrij van spot en hoon. Mogelijk is hij de woorden van de Heilige Koran vergeten: “Laat mensen andere mensen niet bespotten — wellicht zijn zij beter dan zij.” Ook zijn toehoorders luisteren er met veel genoegen naar, zonder te beseffen dat zij daarmee in werkelijkheid tegen het woord van de Heilige Koran ingaan.

Zo gaat het nu eenmaal in deze wereld. Terwijl sommigen zich toewijden aan de taak die voor hen ligt, bewandelen anderen het pad van laster en kritiek. Toen Khawaja Kamal-ud-Din begon met de taak van het verspreiden van de Islam in het Westen, vormden enkele plaatselijke maulvi’s een comité die slechts één doel had: in elke uithoek van de stad fouten in zijn werk opsporen en deze openbaar maken. Terwijl hij zich bezighield met de grote en nobele taak van het verkondigen van de religie, zagen deze geestelijken het als hun roeping om zijn werk te ondermijnen. Dergelijke activiteiten gaan aanvankelijk gepaard met veel enthousiasme om besluiten en resoluties aan te nemen, maar het uitvoeren ervan tot een goed einde blijkt vaak onmogelijk. In plaats van bij te dragen aan het nobele werk, beschouwen zij het als hun taak om te muggenziften.

Deze bezigheid van het zoeken naar fouten en het bekritiseren van wat iemand zegt, is niet prijzenswaardig. Daarom adviseer ik mijn vrienden: het is goed en zelfs noodzakelijk om iemand op een fout te wijzen wanneer hij die maakt — en ongeacht hoe bescheiden uw positie ook is, u mag zelfs uw meerderen op hun fouten attenderen. Dat is de plicht van ieder mens, zelfs van de geringsten onder u. Maar het is niet juist om uw tijd te besteden aan het doelbewust zoeken naar iemands gebreken en een opsomming maken van zijn fouten.

Geen enkele taak in deze wereld kan vorderen tenzij die aan specifieke mensen wordt toevertrouwd. Het is de taak van de overigen om hen te helpen met hun financiële middelen of met andere door Allah geschonken vermogens en talenten. Zij die deze taken uitvoeren, kunnen fouten maken, en het is geenszins verkeerd hen daarop te wijzen, aangezien zij verplicht zijn om ernaar te luisteren en zichzelf te corrigeren. Het is zeker niet aan anderen om, in plaats van hen te helpen bij hun werk, fouten bij hen te gaan zoeken en van vitten en belasteren het tijdverdrijf van hun samenkomsten te maken. Ook moeten zij niet alles laten liggen en al hun tijd besteden aan het wroeten in de zaken van degenen die hun werk doen. Wat zullen de gevolgen van zulke gedragingen zijn? Degenen die werken zullen ontmoedigd raken en hun werk neerleggen. Laten wij ons verre houden van al deze praktijken en oprecht pogen het pad van de Islam te bewandelen, en het voorbeeld van de Heilige Profeet en zijn eerbiedwaardige metgezellen te volgen.

Overweeg de woorden van de eerste preek die Abu Bakr (moge Allah welbehagen in hem hebben) gaf toen hij tot kalief werd gekozen: “Help mij als ik juist handel. Corrigeer mij als ik verkeerd handel!” Voor iedere persoon aan wie een bepaalde taak is toevertrouwd, geldt: laat het hen weten als u tekortkomingen in hun uitvoering opmerkt. Dit betekent niet dat u al uw tijd moet besteden aan het bekritiseren en bespieden van hen; als zij hun fout niet corrigeren, kunt u achterdochtig jegens hen worden en het vertrouwen in hen volledig verliezen.

Na het overlijden van de Heilige Profeet begonnen alle stammen elkaar te bekritiseren, en ontstond er een diepe verdeeldheid. Het eerste wat Abu Bakr deed toen hij het kalifaat bekleedde, was het leger van Usamah naar de Syrische grens sturen. De Heilige Profeet had de expeditie bevolen voordat hij ziek werd. De Metgezellen benaderden de kalief met het verzoek zijn bevelen in te trekken. Zij voerden aan dat wanneer Medina geen bescherming van het leger zou krijgen, de opstandelingen in de verleiding zouden kunnen komen om de hoofdstad aan te vallen en een einde te maken aan het kalifaat. “Wie ben ik om het leger tegen te houden dat de Profeet van Allah zelf heeft bevolen uit te rukken!”, was het krachtige antwoord van de kalief. “Wat er ook moge gebeuren”, zei hij, “Medina mag staan of vallen, het kalifaat mag leven of sterven, maar de woorden van de Profeet moeten worden vervuld.” De Metgezellen luisterden naar zijn advies en trokken hun verzet in, ook al beschouwden ze zijn beslissing als een vergissing.

Ik wil jullie er dringend op wijzen dat het weliswaar gepast is om aan ander op een fout of tekortkoming te wijzen, maar dat het oprichten van comités voor dit doel en het tot onderwerp van roddels maken ervan leidt tot haat en kwaadaardigheid. Laat zulke praktijken achterwege om de banden van compassie en liefde onder elkaar te versterken.

Vertaal door Reza Ghafoerkhan Gepubliceerd door IslamLab