Vrijdag choetba door Dr Zahid Aziz, voor de Lahore Ahmadiyya UK, 1 december 2023

Tegenwoordig wordt de indruk gewekt dat moslims een haat koesteren tegen Joden als zodanig,
enkel en alleen omdat ze Joods zijn. Men beweert dat het de koran en de profeet Mohammed
(v.z.m.h.) zijn die hun volgelingen dit antisemitisme hebben bijgebracht. Zij uiten deze
beschuldigingen echter in een politieke context. Want als wij niet in het huidige klimaat van
gewapende conflicten in Gaza en Israël zouden leven, dan zou men er niet veel over horen. Om
hun beweringen te onderbouwen hebben degenen die dergelijke beschuldigingen uiten helaas
de mogelijkheid om uitspraken van vele religieuze moslimleiders en leiders van
gemeenschappen aan te halen en te citeren die zij in hun dwaasheid verkondigen. De heilige
koran en de profeet Mohammed hebben nooit aan de mensen geleerd om haat te koesteren
tegen Joden op religieuze of raciale gronden. Als de koran mensen veroordeelt voor hun
wandaden, dan zijn het de wandaden die de koran veroordeelt, wie ze ook begaan mogen
hebben. Of het nu Joden, andere niet-moslims of moslims zelf zijn. De koran laat voor al deze
overtreders altijd de deur open voor vergeving en hervorming.
De twee verzen die ik heb voorgelezen hebben betrekking op de Joden in de tijd dat de koran
werd geopenbaard. Dit was in een tijd lang nadat zij de onrechtmatigheden hadden begaan in
de tijd van hun profeten waar ik het in mijn laatste choetbah over had. Het eerste vers zegt dat
er zich onder de joden mensen bevinden, in feite geen aparte individuen maar een groep, die
vasthouden aan waarheid en gerechtigheid. Zij leiden ook anderen naar de waarheid.
Het tweede vers komt ietsje verder na het eerste. Het spreekt over de uiteenverspreiding van
de Joden over de wereld. Deze uiteenverspreiding was, zowel volgens de Bijbel als volgens de
koran, te wijten aan hun wandaden toen ze zich afkeerden van het aanbidden van de ene God
en werelds en egocentrisch werden. Toch vertelt de koran ons dat sommigen van hen
rechtschapen zijn en dat anderen ‘anders’ zijn. De koran zegt dit terwijl het tegelijkertijd hun
wandaden en hun schendingen van de leringen die God aan hen gegeven had benoemt. De
wijze van formuleren: “sommigen van hen zijn rechtschapen en sommigen van hen zijn
anders,” is ook veelzeggend. De koran noemt eerst de rechtschapenen en over de rest van hen
zegt het alleen dat ze anders dan rechtschapen waren. De koran gebruikt niet rechtstreeks een
slechte term voor deze groep van Joden. In deze twee verzen toont de koran zeer grote
eerlijkheid tegenover Joden en het laat niets zien van vijandigheid tegenover hen.
Op een andere plaats zegt de koran dat de Israëlieten in eerste instantie van Allah te horen
kregen: “Ik ben met jullie”. Maar dit was voorwaardelijk en gold alleen als zij ware gelovigen
bleven zijn die goede daden verrichtten. Maar zij verbraken die belofte van hun kant. Om die
reden strafte Allah hen. Maar Allah heeft tegen de moslims gezegd:
“Jullie zullen altijd verraad in hen ontdekken (d.w.z. het breken van hun woord en belofte
tegenover jullie), met uitzondering van enkelen onder hen. Dus scheld kwijt en vergeef.
Waarlijk, Allah houdt van degenen die goed doen aan anderen.” – 5:13
Dit is opnieuw een boodschap van ongeëvenaarde barmhartigheid. Zij breken hun woord
tegenover jullie, behalve enkelen onder hen die dat niet doen. Maar als jullie hen dat
kwijtschelden en hen vergeven dan zal Allah jullie liefhebben.
Deze zelfde boodschap wordt ook genoemd in een ander vers van de koran (2:109). Daar wordt
ons verteld dat de Joden in de tijd van de Profeet jaloers en afgunstig waren op zijn succes. Zij
wensten dat de mensen onder de Arabische afgodenaanbidders die moslim waren geworden
terug zouden keren naar hun oude godsdienst. Dit was hun wens terwijl ze wisten dat de islam,
net als hun eigen joodse geloof, de aanbidding van de ene God onderwees en tegen afgoderij
was. Ook in deze situatie zei de koran tegen de moslims om met betrekking tot de Joden ‘kwijt
te schelden en te vergeven’ voor hun pogingen om hen terug te laten keren tot afgoderij.
Er ligt iets van 5 jaar tussen deze twee verzen, één uit hoofdstuk 5 en één uit hoofdstuk 2, beide
geopenbaard in Madinah. Het bevel om ‘kwijt te schelden en te vergeven’ werd dus de eerste
keer in hoofdstuk 2 gegeven en werd later in hoofdstuk 5 herhaald. Daarom kunnen zelfs die
mensen die geloven dat sommige verzen van de koran die later werden geopenbaard eerdere
verzen hebben opgeheven, niet beweren dat deze lering slechts tijdelijk was en later werd
teruggedraaid. Integendeel, later werd deze boodschap juist bevestigd.
De koran spreekt op een andere plaats over de plannen van de Joden van Madinah om de Islam
als een waardeloze godsdienst te laten afschilderen. Zij deden dat door eerst moslim te worden
en dan onmiddellijk de islam weer te verlaten. De bedoeling was om de indruk te wekken dat
zij iets verkeerds hadden ontdekt in de islam zodra zij die hadden aangenomen, en dat zij
daarom de islam weer hadden verlaten. Maar drie verzen later zegt de koran dit:
“En onder de Mensen van het Boek is degene die, wanneer u hem een stapel rijkdom zou
toevertrouwen, het aan u zou terugbetalen. En onder hen is degene die, wanneer u hem een
stuiver zou toevertrouwen, het niet aan u zou terugbetalen, tenzij u erom zou blijven vragen.”-3:75
De woorden die hier vertaald zijn met ‘tenzij u erom zou blijven vragen’ betekenen letterlijk:
‘tenzij u over hem heen blijft staan’. Met ‘Mensen van het boek’ worden hier in de eerste plaats
de Joden bedoeld, aangezien de verzen ervoor en erna op de Joden betrekking hebben en niet
op bepaalde andere ‘Mensen van het boek’. Door beide soorten Joden te noemen, toont de
Koran een buitengewone eerlijkheid. Als de wandaden van sommigen van hen worden
beschreven en veroordeeld, wordt er ook gewezen op de goede eigenschappen van anderen.
Opnieuw worden de goede personen onder hen eerst genoemd. Er staat dat je erop kunt
vertrouwen dat de goeden je een stapel van rijkdommen terugbetalen die je hen gevraagd had
voor jou te behartigen. Maar er zijn ook anderen, zelfs als je hen een cent of een stuiver zou
geven om er voor jou op te passen, dan zou je het alleen terugkrijgen door er hardnekkig om te
vragen.
Natuurlijk wordt in dit vers met iemand je rijkdommen toevertrouwen ook een bredere
betekenis bedoeld dan alleen letterlijk geld. ‘Rijkdom’ zou ook kunnen slaan op jouw rechten
die van jou zijn, maar die in de handen van de Mensen van het boek liggen om deze voor jou
te behartigen en aan jou over te dragen wanneer jij ze nodig hebt. In die brede zin betekent het
vers dat moslims bepaalde joden en christenen zullen tegenkomen die hen zonder enige
tegenzin of weerstand hun rechtmatige rechten zullen erkennen. Maar ze zullen ook andere
joden en christenen tegenkomen die dat alleen zullen doen als moslims waakzaam en oplettend
zijn om hun rechten op te eisen.
Enkele verzen later, wanneer de koran opnieuw het onrecht beschrijft dat de Joden begaan
hadden tegen hun eigen profeten, en hun verzet tegen de moslims in de tijd van de profeet
Mohammed, zegt de koran verder:
“Zij zijn niet allemaal hetzelfde. Onder de Mensen van het boek zijn er die rechtschapen zijn,
zij reciteren de Boodschappen van Allah in de nacht en zij aanbidden (Hem). Zij geloven in
Allah en de Laatste Dag en zij bevelen het goede en verbieden het kwade en zij haasten zich
met (het verrichten van) goede daden. En zij behoren tot de rechtschapenen. En wat voor goeds
zij ook doen, het zal hun niet ontzegd worden. En Allah kent degenen die voldoen aan hun
plicht.” – 3:113-115
Alleen al de uitspraak ‘zij zijn niet allemaal hetzelfde’ maakt korte metten met het idee dat de
koran een heel volk of een hele religieuze gemeenschap veroordeelt. Als we een groep mensen
in algemene bewoordingen willen veroordelen, wat zeggen we dan? We zeggen dan: ze zijn
allemaal hetzelfde! Bovendien, aangezien de koran zijn veroordeling richt op de wandaden en
onrechtvaardigheden die zijn begingen, gaat het verder met het vermelden van de goede daden
die ze zouden moeten begaan en die sommigen van hen ook werkelijk doen. Het reciteren van
Allah’s boodschappen betekent hier niet het lezen van de koran, maar dat zij inspiratie putten
uit hun eigen geschriften die door God waren geopenbaard. Dit punt, en alle andere goede
punten die hier zijn opgesomd, kunnen de ‘Mensen van het boek’ doen. Zij kunnen God
aanbidden, en zij kunnen daarvoor teksten in hun bijbel vinden die hen in staat stellen dat te
doen. Zij kunnen ook in God en in de laatste dag geloven zoals in hun geschriften staat. Ze
weten wat goed en kwaad is, en het lijkt erg op de begrippen goed en kwaad waar moslims in
geloven.
Het laatste vers van de 3 bovengenoemde verzen neemt opnieuw elke gedachte van
vooroordelen ten haat jegens een heel volk weg: “En wat voor goeds zij ook doen, het zal hun
niet ontzegd worden.” Wanneer zij de goede daden doen die hun eigen geschriften van hen
verlangen, en die de koran ook bevestigt als goede daden, dan zal Allah hen hun beloning voor
die daden niet ontzeggen.
In de koran staat dat Allah moslims toestaat om te strijden uit zelfverdediging. In dat vers staat
dat als Allah niet had toegestaan dat mensen tegen andere mensen zouden mogen strijden om
hun aanvallen af te weren, dat dan de gevolgen zouden zijn geweest dat:
“… kloosters (d.w.z. gebedshuizen van monniken) en kerken en synagogen, en moskeeën
waarin de naam van Allah veel herdacht wordt, zouden zijn neergehaald.” –22:40
Dit vers laat zien dat het gerechtvaardigd is in de islam, zelfs noodzakelijk, om al deze
gebedshuizen te beschermen en te redden van ondergang. Zoals je kunt zien worden Joodse
synagogen hier ook onder begrepen.
Er is nog een interessant voorval met betrekking tot de openbaring van het bekende vers van
de koran: “Er is geen dwang in de godsdienst,” (2:256). Onder de Arabieren van Madinah
bestond er vóór de islam het gebruik dat zij hun kinderen soms in het joodse geloof opvoedden,
omdat zij dat geloof hoger achtten dan de godsdienst van hun voorouders. Toen de islam kwam
en ouders de islam aannamen, wilden zij hun kinderen ook tot de islam bekeren. Toen werd dit
vers geopenbaard om te zeggen dat niemand gedwongen kon worden zich tot de Islam te
bekeren. Als de kinderen de Joodse religie waarin ze waren opgevoed wilden blijven
aanhangen, hadden ze daar volgens de koran het recht toe. Sommigen van hen wilden zelfs bij
de Joden blijven en deden dat ook.
Na al deze bewijzen, die onomstotelijk aantonen dat de koran geen antisemitisme onderwijst
of van moslims verlangt dat ze Joden haten, is er een fundamenteel punt dat niemand op de
wereld kan ontkennen of betwisten. Dat is dat de koran vereist dat moslims in de profeten van
de Joden geloven als een fundamenteel onderdeel van de islam en dat zij deze profeten
respecteren en eren en hun namen met eerbied uitspreken. Daarom voegen moslims het gebed
‘alaihis-salām – vrede zij met hem – toe na de naam van iedere gerespecteerde figuur van de
Joden: Abraham, Isaak, Jakob, Jozef, Mozes, Aäron, David, Salomo, Job, Jona, die in de koran
genoemd worden. Bovendien geeft de koran expliciet aan dat moslims geen onderscheid mogen
maken tussen de profeten van Allah, en dat het een grote zonde is om dat wel te doen. Wanneer
je iemands ouderen respecteert als je eigen ouderen, kun je niet bevooroordeeld tegen hen zijn
en hen als groep haten.
Gepubliceerd door IslamLab
Vertaald door Reza Ghafoerkhan
