De koran zegt over de aanstelling van de profeet Mohammed (v.z.m.h.):

Het woord dat hier gebruikt wordt voor het doen opstaan of opwekken van de profeet Mohammed is het woord dat we in de vorige Ramadanles bespraken: ba‘atha.
- Toen Boeddha op zijn sterfbed lag, vroeg Ananda, zijn belangrijkste leerling, aan hem: “Wie zal ons onderwijzen als u er niet meer bent?” Boeddha antwoordde:
“Ik ben niet de eerste Boeddha die op aarde kwam, noch zal ik de laatste zijn. Op een juist moment zal er een andere Boeddha in de wereld opstaan, een Heilige, een uiterst verlichte, begiftigd met wijsheid in gedrag, voorspoed brengend, het universum kennend, een onvergelijkbaar leider van mensen, een meester over engelen en stervelingen. Hij zal jullie dezelfde eeuwige waarheden openbaren die ik jullie heb geleerd. Hij zal zijn religie verkondigen, glorieus in haar oorsprong, glorieus op het hoogtepunt en glorieus in doel, naar de geest en naar de letter. Hij zal een religieus leven verkondigen, geheel volmaakt en zuiver, zoals ik nu verkondig.”
Ananda vroeg hem: “Hoe zullen we hem herkennen?” Boeddha antwoordde:
“Hij zal herkend worden als Metteyya, wat ‘hij wiens naam vriendelijkheid is’ betekent.”
(The Gospel of Buddha, door Paul Carus, uitgave 1917, blz. 245)
Het is vrij duidelijk dat de profeet Mohammed alle eigenschappen bezat die Boeddha had genoemd. Vele ervan worden beschreven in het vers dat hierboven geciteerd is. Hij was ‘opgewekt’ (ba‘atha), d.w.z. hij was ‘een andere Boeddha’. Zijn wijsheid, kennis, onderwijs aan zijn discipelen (door ‘dezelfde eeuwige waarheden’ te openbaren), en het zuiveren van hen (door een geheel volmaakt en zuiver religieus leven te verkondigen), worden allemaal door Boeddha genoemd, en staan in het hierboven aangehaalde vers 62:2.
- Boeddha vermeldt dat hij ‘een meester over engelen en stervelingen’ zal zijn. De koran zegt in dit verband met betrekking tot zowel engelen als stervelingen:

Boeddha zegt dat hij herkend zal worden omdat zijn naam vriendelijkheid betekent. Het blijkt duidelijk uit de koran en een beschouwing van het leven van de profeet Mohammed dat hij de belichaming was van vriendelijkheid en barmhartigheid jegens iedereen, zijn eigen volgelingen, mensen in het algemeen en zelfs dieren. Hieronder staan enkele van zulke verzen uit de koran:

Het is veelzeggend dat dit vers voorkomt tegen het einde van hoofdstuk 21, De Profeten, dat we in eerdere Ramadanlessen hebben besproken. De andere profeten waren een genade voor hun volk en de profeet Mohammed kwam als een genade voor alle volkeren, in feite alle schepselen. De bewoording van dit vers is dat God hem niet anders dan als een genade voor alle werelden heeft gezonden.

De ‘jullie’ in dit vers is de hele mensheid. Er staat dat de profeet Mohammed tot hen was gekomen als een van hen. Hij heeft verdriet om hun lasten en is uiterst begaan met hun welzijn. Daarnaast heeft hij een speciale band met de gelovigen, voor wie hij meedogend en barmhartig is.

De Profeet behandelde zijn volgelingen met zachtheid. Daarom hielden ze van hem en toonden ze hem grote loyaliteit. Bij het zien van zijn behandeling van zijn volgelingen, smolten ook de harten van zijn vijanden en sloten zij zich bij hem aan. Als zijn volgelingen fouten maakten, werd de Profeet door Allah gevraagd hen te vergeven, Gods vergiffenis voor hen te vragen en hen toch te raadplegen in belangrijke zaken, ook al was hun advies soms verkeerd.
Islamlab
