Vrijdag choetbah van dr. Zahid Aziz, voor Lahore Ahmadiyya UK, 25 maart 2022
‘Allah legt geen ziel een last op die haar plicht op boven haar vermogen. Voor haar is
hetgeen zij verdient (aan goed) en tegen haar is hetgeen zij teweegbrengt (aan kwaad).
Onze Heer, straf ons niet als wij (iets) vergeten of een fout maken. Onze Heer, leg ons
geen last op zoals U (die) degenen vóór ons oplegde. Onze Heer, leg ons geen
(moeilijkheden) op waarvoor wij de kracht niet hebben ze te dragen. En vergeef ons!
En schenk ons bescherming! En wees ons genadig! U bent onze Beschermheer, schenk
ons daarom de overwinning op het ongelovige volk.‘ – 2: 286
In de vorige choeṭba’s heb ik twee van de drie verzen uitgelegd die het laatste deel van
hoofdstuk 2 van de koran vormen. Wat ik zojuist heb gereciteerd is het derde vers, en hoofdstuk
2 eindigt hiermee. Hoofdstuk 2 behandelt veel fundamentele leerstellingen van de islam en een
persoon kan zich afvragen of hij of zij wel in staat is om al die leerstellingen na te leven. Daarom
begint dit vers met het principe verkondigen dat Allah geen enkele ziel iets oplegt waar zij niet
toe in staat is het uit te voeren. Allah maakt mensen niet kapot met een last. De koran herhaalt
dit principe nog twee keer met de woorden:
‘Wij leggen geen ziel een plicht op boven haar vermogen.’ (6:152, 7:42)
De koran richt zich ook tot de moslims en zegt dat Allah ‘jullie geen moeilijkheden in religie
heeft opgelegd,’ (22:78). Er is ook een bekende ḥadīth in het begin van Ṣaḥīḥ Boechārī waarin
profeet Mohammed (vrede en zegeningen van Allah zij met hem) heeft gezegd:
‘Religie is gemakkelijk (al-dīnoe yoesr). En als iemand zich teveel inspant in religie,
dan overweldigt het hem. Handel dus correct en houd u zich aan de middenweg en heb
goede moed en vraag om (Allah’s) hulp in de ochtend en in de avond en gedurende een
deel van de nacht.’
Met andere woorden, als je te veel wilt doen door te proberen overdreven nauwgezet de regels
en voorschriften van de religie, en alle kleinste details die je maar kunt bedenken, in acht te
nemen, dan zul je gewoon overweldigd worden door jouw manier van naleving van de religie.
Je zult nooit jezelf tevreden kunnen stellen dat dat je echt alles goed hebt gedaan.
Wat betreft het opleggen van alleen die plichten aan mensen die binnen hun mogelijkheden
liggen, kunnen we twee dingen opmerken. Sommige religies stellen dat mensen van nature
zondig zijn vanaf hun geboorte. Andere religies zijn van mening dat mensen al worden geboren
met zonden zij in een vorig leven hebben begaan. Als dat waar was, en als je dan tegen mensen zegt dat ze zonden moeten vermijden, dan worden hen plichten opgelegd die ze niet kunnen
vervullen. Maar de koran leert dat mensen in staat zijn om zonden te vermijden.
Laten we, om een idee te krijgen van wat het vermogen of de capaciteit van de ziel is, eens
kijken naar de capaciteiten van het menselijk lichaam. In het begin geboren als een hulpeloze
baby, kan de mens later een geweldige atleet worden door te trainen en te oefenen. Net zo
beginnen daden van aanbidding en daden van goedheid jegens anderen, zoals de islam dat
voorschrijft, die in het begin misschien een last lijken, steeds beter mogelijk te worden. En
zulke daden worden in feite een bron van plezier en energie als je er steeds mee blijft doorgaan.
De eerste zin van dit vers worden ook uitgelegd als: Allah legt geen enkele ziel een plicht op,
behalve om haar vermogen te vergroten. Wat eerst een last leek, houdt later op een last te zijn.
Vervolgens wordt ons het principe geleerd dat elke ziel, die een start maakt vanuit een reine,
neutrale staat, spiritueel groeit door zich in te zetten om het goede te doen. En de ziel gaat
spiritueel achteruit wanneer zij ernaar werkt om het slechte te doen. Als je deze zin letterlijk
vertaalt, dan staat er: voor haar is wat zij verdient, en tegen haar is wat zij verdient. Het is
eenvoudigweg een kwestie van ‘voor’ en ‘tegen’. Het woord ‘verdient’ laat zien dat er werk en
actie vereist is. Je kunt geen enkel voordeel of beloning voor je ziel bereiken zonder het juiste
werk te doen. Op dezelfde manier kun je geen schade toebrengen aan je ziel, en Allah’s
ongenoegen en straf over je afroepen, tenzij je werkelijk hebt gewerkt om het kwade te doen.
Maar ook als je verwaarloost het goede te doen dan leidt dat tot het begaan van slechte daden.
Slechts vijf verzen voor dit vers, is er een vers waarin hetzelfde woord ‘verdienen’ wordt
gebruikt, en dat deze wet vastlegt:
‘En behoed u voor een dag waarop u tot Allah zult worden teruggebracht. Dan zal elke
ziel volledig worden vergoed voor wat ze heeft verdiend, en hen zal geen onrecht
worden aangedaan.’ – 2:281
Dit laat zien dat daden en handelingen ertoe doen, zowel ten goede als ten kwade. Vervolgens
volgen er enkele smeekgebeden. Ten eerste:
‘Onze Heer, straf ons niet als we (iets) vergeten of een fout maken.’
Hier leert Allah ons om dat wij onze zonden uit het verleden op zo’n wijze moeten beschouwen,
dat die te wijten zijn aan onze vergeetachtigheid of onze verkeerde beoordeling. Wanneer een
persoon werkelijk en oprecht berouw heeft over zijn fouten in het verleden, dan is hij vaak te
streng voor zichzelf. Hij overdrijft in zijn gedachten zijn schuldgevoel en veroordeelt zichzelf
te streng. Er zijn voorvallen bekend waarbij iemand profeet Mohammed benaderde om een
zonde te bekennen die hij als te ernstig beschouwde. De Profeet hield hem echter voor dat hij misschien de ernst van die zonde overdreef. Dus hier zegt Allah tegen ons dat we voor onszelf
tegenover Hem moeten pleiten dat onze zonden te wijten waren aan vergeetachtigheid of
vergissing, en niet aan het opzettelijk negeren van Zijn geboden.
De volgende smeekbede is:
‘Onze Heer, leg geen last op ons zoals U (die) degenen vóór ons oplegde.’
Dit kan geen last zijn die Allah hen heeft opgelegd, aangezien Allah zojuist heeft gezegd dat
hij niemand enige verplichting oplegt die buiten zijn vermogen ligt om te dragen. Deze last
werd in feite opgelegd door de mensen van de vroegere religies zelf. De joodse priesters en
schriftgeleerden hadden hun religie tot een last voor het volk gemaakt door hen te verplichten
de meest gedetailleerde regels en voorschriften te volgen in hun daden van aanbidding. Hier
kon bijna niemand volledig aan voldoen. Jezus veroordeelde die religieuze wetgeleerden en zei:
‘Wee ook jullie, wetgeleerden! Want jullie leggen de mensen ondraaglijke lasten op,
maar raken die zelf met geen vinger aan.’ – Lucas 11:46
Denk er maar eens aan hoe vandaag de dag een moslim het zeer benauwd heeft als hij uitspraken
hoort van religieuze leiders over dat zijn gebed of zijn vasten ongeldig wordt omdat hij een
kleine fout heeft gemaakt om een bepaalde regel exact en precies te volgen.
In het christelijk geloof, zoals het zich later ontwikkelde, werd religie tot een last gemaakt door
de opvatting dat als een persoon absolute zuiverheid wilt bereiken, dan moet hij of zij afstand
doen van alle wereldse verlangens en bezigheden en monnik of non worden. Alle andere
personen die dat niet doen blijven dan zondaars. Dit gebed vraagt aan Allah dat we niet in de
voetsporen mogen treden van degenen die ons voorgingen en die het volgen van hun godsdienst
tot een last maakten die de mensen niet konden dragen. Om die reden keerden de mensen zich
af van hun religie, omdat ze dachten dat het onmogelijk was om ernaar te handelen.
Hier kunnen we opmerken dat het de godsdienstgeleerden zijn, of ze nu joods, christelijk of
moslim zijn, die de religie tot een last maken. Zo wordt het moeilijk voor de mensen om haar
geloofspunten te begrijpen en om haar praktische plichten na te leven. In tegenstelling hiertoe
maken de profeten die door Allah zijn gezonden, en daarna de vrome gelovigen die onder de
moslims zijn gezonden, de godsdienst juist gemakkelijk.
Iemand vroeg eens aan hazrat Mirza Ghulam Ahmad dat als hij een bepaald ding tijdens het
gebed niet heeft gedaan, of misschien vroeg hij, als hij een bepaald ding heeft gedaan tijdens
het gebed, is zijn gebed dan ongeldig geworden? Hazrat Mirza Sahib antwoordde: ‘zeg niet: zal het gebed ongeldig worden? Maar vraag, is dat nodig om dat ding te doen in het gebed.’ Hazrat
Mirza Sahib wilde niet dat een moslim dacht dat zijn gebed ongeldig zouden worden omdat ze
de een of andere regel niet volgden vanwege gebrek aan kennis of vergeetachtigheid of fout.
Ten derde is er het smeekgebed:
‘Onze Heer, leg ons geen (moeilijkheden) op waarvoor wij de kracht niet hebben ze te
dragen.’
Nadat we vergiffenis hebben gevraagd voor onze zonden in het verleden en door blijven gaan
met het doen van goede daden, en wij daarbij op dat pad beproevingen moeten ondergaan, dan
vragen wij dat die beproevingen niet zo zwaar mogen zijn dat we niet standvastig meer kunnen
zijn en struikelen!
De laatste drie korte gebeden zijn:
‘En vergeef ons! En schenk ons bescherming! En wees ons genadig!’
Deze gebeden hebben betrekking op het boeken van vooruitgang in de toekomst. Het eerste
gebed, ‘vergeef ons,’ is om vergiffenis vragen voor slechte daden die wij feitelijk hebben
gedaan in het verleden, zodat die daden ons niet in de weg staan van toekomstige vooruitgang.
Het tweede gebed, ‘schenk ons bescherming,’ is om bescherming te vragen wanneer we vrezen
in de toekomst mogelijk verkeerde daden te doen. Het derde gebed, ‘wees ons genadig,’ is dat
we, als we eenmaal verlost zijn van zonden uit het verleden en beschermd zijn tegen onze vrees
voor toekomstige zonden, vooruitgang kunnen boeken door hogere morele en spirituele stadia
te bereiken, en actief goede daden te doen.
Ten slotte eindigt dit vers met het gebed:
‘Schenk ons daarom de overwinning over het ongelovige volk.’
Dit vers, noch de context van dit vers, noch de voorgaande verzen houden enig verband met het
voeren van een oorlog. Daarom heeft de overwinning die hier wordt genoemd ofwel betrekking
op een spirituele overwinning van de islam op verkeerde geloofsovertuigingen, ofwel op een
overwinning door middel van iemands karakter en moreel gedrag. Of het kan betekenen een
overwinning op de krachten van ongeloof in onszelf. Het ‘ongelovige volk’ of mensen staat
dan voor ons eigen innerlijk.
Als we deze smeekbede wel beschouwen als een gebed voor een overwinning in de strijd over
de ongelovigen, dan is dit gebed zelfs nog opmerkelijker. Het bevat geen opschepperij,
leedvermaak of triomfantelijkheid ten opzichte van de vijand. Er staat niet: wij moslims zijn
geweldig en we zullen winnen. Het leert moslims om goed bewust te zijn van hun eigen zonden
en tekortkomingen en te bidden om verlost te worden van hun eigen zwakheden. Vervolgens
moeten zij bidden voor de overwinning. Dit betekent dat een overwinning van de moslims te
danken is aan hun nederigheid en morele grootsheid over de vijand. De koran leert ons in feite
dat wanneer een profeet en zijn volgelingen strijd moesten leveren tegen hun vijanden, dan was
hun smeekgebed:
‘Onze Heer, schenk ons bescherming tegen onze zonden en onze buitensporigheid in
onze zaak, en maak onze voetstappen ferm en schenk ons ons de overwinning op het
ongelovige volk. (3: 147).’
Als de soldaten van een leger hun eigen zonden bekennen en bescherming vragen tegen hun
eigen buitensporigheden in hun zaken, terwijl ze bidden om de overwinning op de vijand vóór
het treffen, dan zullen ze zich niet woest of hardvochtig gedragen tegenover hun vijanden en
zullen ze zich nederig voelen wanneer ze zegevieren. Ze zullen ook geen oorlogsmisdaden
plegen.
Moge Allah ons en de wereld in staat stellen om zulke leringen te volgen. Āmīn.
Gepubliceerd door: IslamLab
Vertaald door: Reza Ghafoerkhan
