Vrijdagspreek van maulana Muhammad Ali (23 november 1923)
Ik getuig dat niets het waard is aanbeden te worden buiten Allah, en ik getuig dat Mohammed de
dienaar en boodschapper van Allah is. Hierna, zoek ik de bescherming van Allah tegen de vervloekte duivel. In de naam van Allah, de Weldadige, de Genadevolle.
“En degenen die, wanneer zij uitgeven, noch buitensporig noch gierig zijn, en tussen deze ligt de
middenweg.”
“En degenen die geen andere god naast Allah aanroepen en niet de ziel doden die Allah verboden
heeft, behalve om een rechtvaardige reden, en (die) geen ontucht plegen. En hij die dit doet, zal een
vergelding van zonde vinden.”
“De straf zal voor hem op de dag der opstanding verdubbeld worden, en hij zal daarin in vernedering
blijven.”
“Behalve (voor) hem die berouw heeft en gelooft en goede werken doet. En aangaande dezen, Allah
verandert hun boze werken in goede. En Allah is Vergevensgezind, Genadig.” – 25:67-70
In een eerdere preek over dit onderwerp ben ik al deels ingegaan op de eigenschappen van de
dienaren van de Weldadige. De kern van mijn vorige preek was dat de dienaren van de Weldadige
nederig over de aarde gaan en zich niet arrogant gedragen. Verder brengen zij een deel van de nacht
door in gebed. De verzen die ik vandaag bespreek, richten zich op de volgende eigenschappen:
“En degenen die, wanneer zij uitgeven, noch buitensporig noch gierig zijn, en tussen deze is de
middenweg.” – 25:67
Het Arabische woord infāq wordt in de heilige koran voornamelijk gebruikt in verband met uitgeven
op de weg van Allah, zoals aan het begin staat vermeld:
“En uitgeven van wat Wij hun hebben gegeven.” – 2:3
De twee uitersten die in deze verzen worden aangegeven met betrekking tot uitgeven, hebben een
brede strekking en behelzen alle vormen van verkwisting aan de ene kant en gierigheid aan de
andere kant. Buitensporigheid (isrāf) betekent in de taal van de heilige koran: uitgaven doen die
strijdig zijn met de zaak van Allah, de Verhevene, terwijl het in normale zin verspilling betekent.
Gierigheid daarentegen houdt in dat, wanneer er van Allah een gebod is om uit te geven, men daar
dan terughoudend in is. Over de dienaren van de Weldadige wordt gezegd dat zij zich onthouden van
uitgaven die in strijd zijn met Allah’s zaak, maar dat zij zich niet inhouden om uit te geven wanneer
het vereist wordt in gehoorzaamheid aan Zijn bevel.
Matigheid betrachten bij het uitgeven
Er bestaat geen twijfel over dat de heilige koran verschillende soorten richtlijnen bevat. Het is ook
noodzakelijk dat wij de weg van matigheid volgen wanneer wij uitgaven doen. Deze richtlijnen
moeten zijn afgestemd op iemands persoonlijke draagkracht. Grote uitgaven hebben voor de ene
persoon niet dezelfde betekenis als voor de ander. Iedereen heeft andere gewoonten. Wanneer
iemand die slechts beperkte inkomsten heeft uitgeeft boven zijn vermogen, dan noem je dit
verkwisting. Wanneer iemand die veel verdient relatief grote uitgaven doet, dan kun je dit geen
verkwisting noemen. Het is onmogelijk om de termen ‘buitensporigheid’ en ‘gierigheid’ zodanig te
definiëren dat we die op iedereen op dezelfde wijze kunnen toepassen. Het is daarom zeer belangrijk
dat ieder mens uitgeeft naar zijn vermogen.
Uitgeven op de weg van Allah
De heilige koran legt evenveel nadruk op uitgeven op de weg van Allah als op het gebed. Deze twee
worden vaak samen genoemd:
“Degenen die geloven in het Ongeziene, en het gebed onderhouden en uitgeven van wat Wij hun
hebben gegeven.” – 2:3
Wat allereerst vereist is, is geloof in God. Dit houdt in dat men geloof mondeling erkent of innerlijk
aanvaardt. Als we echter geen voordeel halen uit onze erkenning van ons geloof, dan is het zinloos
als wij louter mondeling ons geloof bevestigen. Geloof is pas dan zinvol wanneer we een band
opbouwen met de Allerhoogste God en vooruitgang boeken. Daarom wordt overal waar geloof
wordt genoemd ook altijd het gebed vermeld. Dit betekent dat gebed de praktische manier is om een
band op te bouwen met Allah, de Verhevene. Het gebod om uit te geven op de weg van Allah wordt
altijd samen genoemd met het gebod voor het gebed. Met andere woorden: onze band met Allah de
Verhevene is niet compleet wanneer we daarnaast ook niet goeddoen aan Zijn schepselen. Daarom
staat er in een ander hoofdstuk van de heilige koran:
“Wee dus de biddenden! Die onachtzaam zijn in hun gebeden. Die goed doen om gezien te worden, en zich onthouden van daden van vriendelijkheid.” – 107: 4-7
De morele toestand van degenen die het ware doel van het gebed niet begrijpen, is inderdaad
betreurenswaardig. Hun uiterlijke handelingen lijken erop gericht te zijn dichter tot Allah, de
Verhevene, te komen, maar zij onthouden zich van eenvoudige daden van goedheid. Het gebed is
een middel om het geloof in een relatie met Allah te versterken, en deze band wordt krachtiger
wanneer men uitgeeft op de weg van Allah. Dit vers, dat de eigenschappen van de dienaren van de
Weldadige beschrijft, zegt daarom dat zij uitgaven vermijden die in strijd met Allah’s wil, maar dat zij
niet terugdeinzen om uit te geven wanneer dat hoognodig is.
Het voorbeeld van de geëerde Metgezellen
Deze verzen illustreren het spirituele niveau van de metgezellen van de Heilige Profeet (vrede en
zegeningen van Allah zij met hem). Zij hadden morele eigenschappen ontwikkeld die het gevolg
waren van het in praktijk brengen van hun geloof. De samenleving in Mekka ten tijde van de Heilige
Profeet was doordrongen van dezelfde misstanden die we vandaag de dag onder moslims
aantreffen. Wanneer het gaat om zogenaamde eer of uiterlijk vertoon tegenover vrienden en familie,
zijn zelfs de armsten onder hen bereid hun huis te verkopen om de kosten maar te kunnen dekken.
Zij geven buitensporig veel uit en nemen leningen van geldschieters tegen hoge rente om aan deze
gewoonten en tradities te voldoen, en schromen er nauwelijks voor hun eer te verliezen door
toedoen van deze ongelovigen. Zij maken zich geen zorgen over wat de dag van morgen kan brengen.
Dit was precies de toestand van de Mekkaanse samenleving bij het begin van de missie van de
Heilige Profeet. Niet alleen wist hij hen ertoe te brengen deze kwalijke gebruiken op te geven, maar
hij wist hen bovendien te motiveren om juist méér uit te geven voor de zaak van Allah. Wanneer zij
de kans kregen om te mogen uitgeven op de weg van Allah vervulden hun harten zich met vreugde
en voelden zij nauwelijks enige terughoudendheid.
Hazrat Abu Bakr (moge Allah tevreden met hem zijn) besteedde honderdduizenden dinars aan het
vrijkopen van tot slaaf gemaakte mensen en bevrijdde velen op deze manier. Hun eigenaars
onderwierpen sommige van hen aan wrede vervolgingen.
De Metgezellen die met de Heilige Profeet uit Mekka vluchtten, kampten met grote ontberingen. Zij
verloren hun economische bedrijvigheid en middelen van bestaan. Velen moesten zwaar werk
verrichten, zoals brandhout rapen en verkopen. Toch besteedden zij gewillig op de weg van Allah van
het schamele loon dat zij met hun zwoegende inspanningen verdienden. Zij allen gaven verkeerde
gewoonten en tradities op, en onderwierpen zich aan de wil van Allah, bereidwillig hun inkomsten
voor Zijn zaak te besteden.
Het ligt in de menselijke aard om meer uit te geven aan datgene wat hij liefheeft. Wie bijvoorbeeld
van zijn vrouw en kinderen houdt, zal ruimhartig uitgeven aan hun welzijn en comfort. Evenzo zullen
sommigen hun middelen besteden aan het belang van land en volk. Alleen hij die werkelijk Allah
liefheeft, zal uitgeven op Zijn weg. Het was precies dit soort liefde dat de harten van de edele
Metgezellen bewoog tot het besteden van hun bezit op de weg van Allah, de Verhevene.
Nationale en patriottische geestdrift vormen afgoden “naast Allah” (2:23). Het is niet verboden om
uitgaven te doen ten behoeve van volk en vaderland, of om te voorzien in de behoeften van uw
eigen gezin. Het uitgangspunt moet echter zijn dat men ook bij dergelijke uitgaven handelt op de weg
van Allah. Bij degenen die op deze wijze hun leven inrichten, wordt zelfs wat ze aan hun gezin
besteden als een daad van aanbidding van God beschouwd. Zo zou de gesteldheid van onze harten
moeten zijn: wat wij ook uitgeven, het moet uitsluitend ter wille van Allah zijn.
Ik weet niet hoe lang moslims nog vastgeketend zullen blijven aan hun gewoonten en tradities, en
wanneer zij uiteindelijk afkeer zullen krijgen van zulke uitgaven. We zien dat deze gebondenheid op
dit moment duidelijk aanwezig is. Er zijn vele vooraanstaande personen die op conventies grote
beloften doen, die zij vervolgens niet nakomen. Wij zouden, als organisatie die bekendheid heeft
gekregen, de geest in ons moeten doen ontwaken die ons van anderen onderscheidt. Wij kunnen dit
niet verwezenlijken met loze beweringen: de gesteldheid van ons hart moet zijn zoals deze verzen
beschrijven. We dienen uitgaven te vermijden die tegen de waarheid ingaan, en naar vermogen te
geven in tijden van kracht en mogelijkheden. Louter mondelinge toezeggingen hebben geen nut.
Bedenk hoeveel schade deze houding de moslimgemeenschap heeft berokkend. Ga naar hun
bijeenkomsten en zie hoe de welgestelden onder hen elke vorm van offerbereidheid missen.
De gemeenschap is bereid alles te doen voor werelds winstbejag, maar schiet tekort wanneer haar
gevraagd wordt om iets voor de religie te geven. Ik spoor mijn vrienden aan ervoor te waken dat zij
niet uitgeven in strijd met de zaak van Allah. Aan de andere kant dienen zij erop toe te zien dat,
wanneer het moment daar is om hun medemoslims bij te staan, en om uit te geven voor de zorg van
wezen en het ondersteunen van de armen, zij dan geen terughoudendheid in hun hart voelen. Dit
bezit, dat de mens zozeer bemint en begeert, is waardeloos tenzij men het besteedt op de weg van
Allah. De rijkdom waar hij zich zo graag aan vastklampt, verdwijnt uiteindelijk, en hij verlaat deze
wereld met lege handen. Geen enkele daad blijft achter of laat een indruk na op deze wereld,
“behalve wie het welbehagen van zijn Heer, de Allerhoogste, zoekt,” (92:20).
Een aansporing voor vrienden en leden van de Organisatie
Het stemt mij verdrietig te zien dat er onder onze leden nog steeds personen zijn die achterstallige
bedragen aan de organisatie verschuldigd zijn. Zij zouden moeten beseffen dat het inhouden van
zulke geringe bijdragen hun nooit eer zal brengen. Niemand kan werkelijk aanzien verwerven door
Allah’s geboden niet na te leven. Zelfs de Boodschapper van Allah kreeg deze boodschap:
“Zeg: Waarlijk, ik vrees—indien ik mijn Heer niet gehoorzaam—de bestraffing van een zware dag.” –
6:15
Als zelfs de Heilige Profeet de opdracht alle voorschriften voor moslims na te leven, wie onder ons
kan deze dan negeren? De Heilige Profeet gaf alles wat hij bezat uit op de weg van Allah. Hij was
onderworpen aan de zakāt-plicht (armenbelasting) indien hij enig spaargeld zou bezitten. Ook op dit
punt viel hij onder dit Goddelijk gebod. Als iemand van deze plicht vrijgesteld had kunnen zijn, dan
waren het wel de vrouwen van de Heilige Profeet, want zij deden afstand van werelds geld en goed
ter wille van Allah’s welbehagen. Toch kregen ook zij de opdracht: “En onderhoud het gebed en geef
de armenbelasting,”(33:33).
De Heilige Profeet bezat geen geld en goed; anders zouden deze onderworpen zijn geweest aan de
zakāt (armenbelasting). Elke erfenis die hij zou hebben nagelaten, zou eveneens gevallen zijn onder
de islamitische erfeniswet. Als noch de Heilige Profeet noch zijn echtgenotes een gebod van de
heilige koran terzijde konden schuiven, wie anders zou dit dan durven te doen?
De heilige koran geeft ons twee specifieke geboden. Een daarvan is het betalen van één-veertigste
van ons spaargeld als zakāt (armenbelasting). Daarnaast is er echter nog een andere plicht, die
expliciet wordt vermeld in de woorden:
“En zij spannen zich hard in op de weg van Allah met hun bezit en hun leven.” – 49:15
De heilige koran wijst er keer op keer om u in te spannen met uw bezittingen en uw leven. Het
betalen van de zakāt is een specifieke verplichting, maar het opofferen van geld en bezit wordt
algemeen aangemoedigd voor iedereen. Wie zich hieraan onttrekt, sluit zichzelf praktisch af! Ook de
Hervormer (mujaddid) van onze tijd heeft gezegd, dat wie gedurende drie maanden geen
maandelijkse bijdragen levert, buiten onze organisatie staat. Ik doe daarom een dringend beroep op
u: als u voor iemand anders geeft, doet u dat dan niet. Maar als u uitgeeft om het welbehagen van
Allah te verdienen, wees dan niet onachtzaam in uw verantwoordelijkheid.
Wij kunnen onze inspanningen alleen uitbreiden aan de hand van onze verwachte inkomsten of
beschikbare middelen. Als dit tekort blijft bestaan onder de leden van onze organisatie, dan is dat
werkelijk betreurenswaardig en kan het verstrekkende gevolgen hebben. Laten we daarom alle
openstaande bijdragen voldoen en een zodanige toezegging voor de toekomst doen, dat niets haar
uitvoering in de weg staat.
Tijdens deze jaarlijkse bijeenkomst is het van groot belang dat wij onmiddellijk onze achterstallige
bijdragen voldoen. Zorg er in de toekomst voor geen geld uitgeeft dat u specifiek voor dit doel hebt
bestemd. Ik vestig hier vooral uw aandacht op, omdat er nog veel werk te verrichten valt. Allah kan
alle middelen verschaffen, maar wie daar geen deel van wil uitmaken, ontzegt zichzelf de beloning
voor deze inspanning.
Als u vastberadenheid toont, kunt u vele verheugende boodschappen tegemoetzien, en zullen er
talloze wegen opengaan voor de vooruitgang van de islam. De deuren van zulke vooruitgang blijven
gesloten zolang de deuren van onze harten verzegeld blijven. Deze gesloten deuren zullen opengaan
wanneer wij blijmoedig uitgeven op de weg van Allah door ons te onderwerpen aan Zijn gebod.
De Weg naar Allah’s goedertierenheid
Allah, de Verhevene, is hiervan Getuige, en mijn hart is ervan overtuigd dat wanneer wij ook maar
één stap in deze richting zetten, de regen van Allah’s goedertierenheid klaarstaat om op ons neer te
dalen. Wij moeten dit beschouwen als een onderdeel van Allah’s goedertierenheid dat de Shudibeweging (die gericht is op het bekeren van moslims tot het hindoeïsme) er juist voor heeft gezorgd
dat moslims aandacht zijn gaan schenken aan de verbreiding van de islam. Deze beweging zal slechts
falen wanneer mensen overgaan tot de islam. Er is in dit land volop ruimte voor de verspreiding van
de islam. Wij moeten vastberaden zijn om deze taak te volbrengen en getuige te worden van de
voorspelling van de koran:
“En u zult de mensen in groepen de godsdienst van Allah zien binnentreden.” – 110:2
De wereld heeft dit tafereel niet éénmaal, maar honderden keren aanschouwd. Zeven miljoen zielen
zijn in dit land, India, tot de islam toegetreden. Slechts weinigen van hen kwamen van buitenaf; de
meesten behoorden tot de gemeenschappen die hier reeds wonen. Dit pad blijft ook voor de
toekomst open. Onze vrienden moeten niet alleen offers brengen en handelen, maar ook bidden om
Goddelijke hulp. Er kan pas werkelijk voordeel zijn als er een vurige bezieling in de harten leeft voor
deze zaak. Wek deze bezieling in uw harten op, zodat de overwinning van de godsdienst in uw
handen ligt.
