Uit het boek The Great Reformer, deel 2 hoofdstuk 77
Op het gebied van islamitisch denken, van wie kan worden gezegd dat hij een grotere religieuze
grootmoedigheid en tolerantie bezat dan degene die het islamitische principe deed herleven dat
niemand een ongelovige mag worden genoemd, ook al zijn er negenennegentig redenen om
hem zo te noemen en slechts één reden om hem moslim te noemen. En die ene reden is het
opzeggen van het geloofsartikel van de islam. Met andere woorden, iemand die het volgende
opzegt: “Er is geen god dan Allah. Mohammed is de boodschapper van Allah,” is een moslim.
De heropleving van dit principe is een geweldige prestatie van hazrat Mirza Ghulam Ahmad,
gezien de religieuze omgeving van de veertiende eeuw na hidjra waarin het excommuniceren
uit de islam (takfir) van de ene sekte door de andere welig tierde, en niemand, groot of klein,
was gevrijwaard het slachtoffer te worden van dergelijke decreten (fatwa’s).
