Vrijdag khoetbah door Dr. Zahid Aziz, voor Lahore Ahmadiyya UK, 16 januari 2026

“Er rust geen blaam op de blinde, noch rust er blaam op de lamme, noch rust er blaam op de zieke, noch op uzelf dat u in uw huizen eet, of de huizen van uw vaders, of de huizen van uw moeders, of de huizen van uw broeders, of de huizen van uw zusters, of de huizen van uw ooms van vaders zijde, of de huizen van uw tantes van vaders zijde, of de huizen van uw ooms van moeders zijde, of de huizen van uw tantes van moeders zijde, of (in) datgene waarvan u de sleutels hebt, of (in het huis) van uw vriend. Er rust geen zonde op u dat u gezamenlijk eet of afzonderlijk. Derhalve, wanneer u huizen binnentreedt, groet uw mensen met een groet van Allah, gezegend (en) schoon. Zo maakt Allah u de mededelingen duidelijk, opdat u zult begrijpen.” – 24:61
Het vers dat ik heb voorgelezen, geeft de moslims richtlijnen over met welke mensen zij zonder enige terughoudendheid kunnen eten. De openingswoorden van dit lange vers luiden: “Er rust geen blaam op de blinde, noch rust er blaam op de lamme, noch rust er blaam op de zieke.”
Over deze woorden zijn verschillende zienswijzen naar voren gebracht. Sommigen zeggen dat de Arabieren van die tijd zich erg schaamden om met zulke mensen te eten. Zij vreesden dat zij zelf de beste delen van het voorgezette voedsel zouden kunnen uitkiezen en nemen, terwijl een blinde, een gehandicapte of een zieke daartoe niet in staat zou zijn. In die dagen aten mensen gezamenlijk uit één grote schaal. Ook vandaag de dag geldt dat blinden of mensen met een lichamelijke beperking zich bijvoorbeeld bij een buffet niet op dezelfde wijze kunnen bedienen als anderen. Zulke mensen kunnen bovendien het gevoel hebben dan zij anderen tot last zijn wanneer zij om hulp moeten vragen.
Er bestaat nog een andere opvatting, namelijk dat de Arabieren van die tijd te hoogmoedig waren om zulke mensen in hun gezelschap te laten zitten en eten, alsof zij niet aan hen gelijk waren. Wat de reden ook was, dit vers zegt dat er geen blaam rust op de blinde, de kreupele en de zieke wanneer zij samen met jullie eten. Zij vormen geen reden tot schaamte of ongemak voor jullie, en hun aanwezigheid verlaagt jullie maatschappelijke positie niet. Als zij jullie vragen om hen te helpen bij het bedienen van het voedsel, behoort daarop geen blaam te rusten — niet in jullie ogen en ook niet in hun eigen ogen. Het is niet zo dat zij gemakzuchtig zijn, noch dat zij hoogmoedig zijn en verwachten dat anderen hen bedienen.
De betekenis van de woorden “Er is geen blaam op de blinde …” enzovoort kan in onze tijd breder worden toegepast. Zij gelden ook voor het geval waarin een dergelijke persoon lichamelijk gezonde mensen uitnodigt om bij hem thuis te komen eten. Veel van deze mensen leven tegenwoordig zelfstandig, bereiden hun eigen maaltijden en zijn in staat anderen als gastheer te ontvangen. Men dient daarom niet te aarzelen om hun uitnodiging te aanvaarden. Men moet niet veronderstellen dat men hun tot last zal zijn of dat zij niet in staat zouden zijn hun gasten goed te onthalen.
Deze woorden kunnen we ook uitbreiden tot niet alleen de lichamelijk beperkten, maar tot allen op wie in de samenleving wordt neergekeken — de sociaal minder bekwamen. Er bestaan op de wereld religieuze gemeenschappen waarin hoger geplaatste leden neerkijken op bepaalde groepen binnen hun eigen gemeenschap. Zij menen dat het voedsel dat zij zelf eten te heilig en te zuiver is om aan de zogenoemde lagere mensen te geven. Zij vinden dat het voedsel dat deze mensen eten niet geschikt is, of niet religieus rein genoeg, voor degenen die zichzelf als hoger beschouwen.
De Koran wijst dergelijke denkbeelden af. Alle mensen kunnen samen eten en hetzelfde voedsel met elkaar delen. We kennen ook samenlevingen waarin huisbedienden, die het voedsel bereiden en opdienen, niet aan dezelfde tafel mogen zitten als de bewoners van het huis en niet met hen mogen mee-eten. Samen eten betekent echter meer dan alleen het nuttigen van voedsel in elkaars aanwezigheid. Het is een krachtige sociale handeling die mensen samenbrengt in een harmonieuze relatie van gelijkwaardigheid. Het vormt een erkenning dat anderen met jou verbonden zijn en dat zij gelijkwaardige leden van de gemeenschap zijn.
Maar waarom wordt dan gezegd dat er op jullie geen blaam rust om “te eten in jullie eigen huizen, of in de huizen van jullie vaders, of in de huizen van jullie moeders, of in de huizen van jullie broeders, of in de huizen van jullie zusters,” en in de huizen van ooms en tantes?
Het spreekt voor zich dat er geen blaam is om in jullie eigen huis eten. Wat hiermee wordt bedoeld, is dat net zoals jullie ongedwongen in jullie eigen huis eten, jullie met dezelfde onbevangenheid ook kunnen eten in de huizen van de naaste familieleden die hier worden genoemd. Dit moest worden benadrukt, omdat de Koran eerder in hetzelfde hoofdstuk het respect voor de privacy van anderen onderwijst door te zeggen:
“O u die gelooft! Treed geen andere huizen binnen dan uw eigen huizen tot u toestemming hebt gevraagd en haar bewoners gegroet hebt.” – 24:27
En vlak voor vers dat wij bespreken wordt ook de nadruk gelegd op de privacy van man en vrouw ten opzichte van hun naasten in hun eigen huis (24:58–59). De Metgezellen van de Heilige Profeet, die de Koran strikt volgden, dachten daarom dat zij ook tegenover hun naaste familieleden een zekere afstand moesten bewaren. Dit vers stelt echter dat u hierin niet te ver mag gaan. U dient zich tegenover naaste familieleden niet als vreemden te gaan gedragen, maar juist informele sociale banden met hen onderhouden.
Het valt op dat dit vers melding maakt van uw meerderen in de familiehiërarchie (d.w.z. vader, moeder, ooms, tantes) en van uw gelijken (broers en zussen), bij wie u mag eten. Er wordt niet expliciet aangegeven dat u mag eten bij uw zonen, dochters, neven en nichten, d.w.z. degenen die in de familiehiërarchie onder u staan. Natuurlijk wordt dit ook impliciet bedoeld, maar dit vers spreekt over de rechten die de jongsten in de familie kunnen uitoefenen ten opzichte van de oudsten. Dit komt wellicht doordat de oudere familieleden een bepaald gezag hebben, respect afdwingen en hun rechten sowieso kunnen uitoefenen. Het lijkt mij dus dat de Koran specifiek de rechten van de jongsten ten opzichte van de oudsten noemt om aan te geven dat hij opkomt voor degenen in de samenleving die lager op de ladder staan.
Een ander opmerkelijk punt is dat de hier genoemde familieleden, bij wie u in hun huizen mogen eten, gelijkelijk zowel mannen als vrouwen insluiten. Dit laat duidelijk zien dat vrouwen, net als mannen, eigendom kunnen bezitten of zeggenschap en gebruik over bezit kunnen hebben. Zoals uw vader een huis heeft dat zijn huis genoemd kan worden, zo gaat dit vers er ook van uit dat uw moeder een huis heeft dat haar huis genoemd kan worden, en dat kan gewoon hetzelfde huis zijn.
Traditioneel gezien werd in alle samenlevingen, zowel onder moslims als niet-moslims, het huis uitsluitend als eigendom van de vader beschouwd, terwijl de moeder daar ook woont. Dit vers schetst echter een situatie waarin een huis ook het huis van de moeder genoemd kan worden. Dit betekent niet per se dat zij eigenaar is van, of gebruik heeft van een afzonderlijk huis op eigen naam. De meest voorkomende situatie is dat de vader en de moeder samen in één huis wonen. Wat het vers aangeeft, is dat de moeder evenveel recht heeft op dat huis als de vader, zelfs wanneer de vader de enige eigenaar (of huurder) van het huis is.
Verder maakt het vers melding van de huizen van uw zussen, de zussen van uw vader en de zussen van uw moeder. Maar het kan zijn dat zij getrouwd zijn en in de huizen van hun echtgenoten wonen. Net als in het geval van de moeder hebben ook deze vrouwen dus een recht op de huizen waarin zij wonen, zelfs als die eigendom zijn van hun echtgenoten. U kunt bijvoorbeeld zonder formele uitnodiging op een ongedwongen manier gaan eten in het huis van uw zus en in het huis van uw tante, en hun echtgenoten kunnen u dat niet verbieden. Kortom, de islam acht dat een vrouw altijd een huis moet hebben dat haar huis genoemd kan worden, of ze er nu eigenaar van is of niet.
Een ander punt dat uit dit vers naar voren komt, en dat Hazrat Maulana Nur-ud-Din vaak aanhaalde, is dat het een beeld schetst van naaste familieleden die in hun eigen huizen wonen, en niet samen in één huis. Hij zei tijdens een van zijn Koranlessen dat veel van de wrijving en onenigheid die je in onze samenleving vaak ziet tussen schoonmoeder en schoondochter, te wijten is aan het feit dat zij samen in één huis wonen.
Het vers gaat dan verder met te zeggen dat u mag eten in huizen “waarvan u de sleutels hebt“ of in “huizen van uw vrienden”. Als de eigenaar van een huis u toevertrouwd heeft om op zijn huis te passen en u de sleutels hebt gekregen, mag u daar redelijkerwijs eten of onder bepaalde voorwaarden voedsel nuttigen dat de eigenaar heeft achtergelaten.
In de tijd van de Heilige Profeet vroegen mensen soms aan iemand, wanneer zij op expeditie gingen, om tijdens hun afwezigheid op hun huis te passen. Op een verantwoorde manier mocht die persoon het voedsel eten dat in het huis was achtergelaten, bijvoorbeeld als het zou bederven tegen de tijd dat de eigenaar terugkeerde. De Koran neemt hier elk schuldgevoel weg bij het nuttigen van dergelijk voedsel.
Eigenlijk gaat dit vers grotendeels over het wegnemen van onnodige schuldgevoelens en belemmeringen wanneer het gaat om waar mensen eten en met wie. Daarom staat er aan het einde:
“Er rust geen zonde op u dat u gezamenlijk eet of afzonderlijk.”
In die tijd wachtten sommige mensen altijd tot er iemand bij hen kwam zitten voordat zij begonnen te eten. Dit vers erkent echter dat er momenten kunnen zijn waarop iemand alleen zal moeten eten, of dat hij dat zelf wenst. Het vers zegt in feite: meng je onder de mensen wanneer je dat wilt, houd jezelf apart wanneer je dat wilt, maar ga niet naar het uiterste door de privacy van anderen te negeren of jezelf voortdurend van hen af te zonderen.
Tijdens de Covid-19-lockdown van ongeveer vijf jaar geleden moesten mensen vaak alleen eten, zonder dat iemand anders bij hen mocht aanschuiven.
Tot slot leert dit vers ons, met de woorden:
“Wanneer u huizen binnentreedt, groet uw mensen met een groet van Allah, gezegend (en) schoon,”
de correcte manieren die leiden tot harmonieuze relaties. Men mag een huis niet op een arrogante of abrupte wijze binnenlopen, zelfs niet wanneer het naaste familieleden betreft met wie u informeel omgaat. Men dient op een gepaste manier binnen te komen en de bewoners van het huis zijn goede wensen en groeten over te brengen.
Het vers eindigt met de woorden:
“Zo maakt Allah u de mededelingen duidelijk, opdat u zult begrijpen.”
Allah zegt dat Hij Zijn leringen duidelijk maakt voor de mensen, zodat zij niet hoeven te worstelen om te begrijpen wat zij betekenen. Het woord voor “begrijpen” is hier afgeleid van het bekende woord ‘aql, dat ons redeneringsvermogen aanduidt. Dit maakt duidelijk dat Allah ons niet eenvoudigweg geboden oplegt die wij blindelings moeten gehoorzamen. Wij behoren onze rede, ons begrip en ons gezond verstand te gebruiken om te doorgronden wat Allah van ons verlangt en waarom Hij dat van ons vraagt.
Moge Allah ons allen, moslims, in staat stellen ons best te doen om Zijn leringen te begrijpen, zodat wij ons volledig bewust zijn van de bedoeling en het doel ervan — Ameen.
Gepubliceerd door IslamLab
Vertaald door Reza Ghafoerkhan
