Gehouden in de Lahore Ahmadiyya Centre, Wembley, Londen, op 20 maart 2026
door dr. Zahid Aziz

Vandaag is het Ied-oel-Fitr, het feest van het verbreken van het vasten. Tijdens de maand Ramadan hebben we natuurlijk elke dag bij de iftār het vasten verbroken. Maar zelfs in die avonduren, wanneer we in lichamelijke zin niet meer vastten, bevonden we ons in spirituele zin nog steeds in een staat van vasten. En zoals het effect van het vasten overdag doorwerkte tot in de uren na de iftār, zo hopen we ook dat het effect van het vasten gedurende de hele maand Ramadan zal voortduren na dit grote feest van het verbreken van het vasten.
Er is veel onderzoek gedaan naar het onderwerp “vasten en feesten”, omdat feesten nauw verbonden is met vasten. Beide worden gezien als een harmonieus paar. In veel culturen was het gebruikelijk om voorafgaand aan een vastenperiode een feest te houden. Zo is er in het Christendom vlak vóór het begin van de veertigdaagse Vastentijd een feestavond dat bekendstaat als Vastenavond of Vette Dinsdag. Deze naam verwijst naar het feit dat dit de laatste dag is waarop men uitbundige en vette gerechten nuttigt, voordat men zich tijdens de vastentijd hiervan onthoudt. Dit feest wordt beschouwd als een viering van het leven vóór de periode van soberheid die tijdens de Vastentijd wordt nageleefd.
Bij onderzoeken naar ‘vasten en feesten’ heeft men zich afgevraagd of een feest pas ná een periode van vasten moet plaatsvinden, of juist ervóór, omdat daarna een vastenperiode ingaat. Vanuit gezondheidsoogpunt concludeert men meestal dat vasten vóór het feesten moet plaatsvinden. Dat is gebaseerd op de gedachte dat men zichzelf aanzet tot overmatig eten wanneer het feest vóór de vastenperiode wordt gehouden. Vindt het feest daarentegen na het vasten plaats, dan is het lichaam in staat om zijn aangesproken reserves aan te vullen. Bovendien zullen mensen, omdat ze aan het vasten gewend zijn geraakt, niet de neiging hebben zich tijdens het feest te buiten te gaan aan eten en drinken. Vanuit religieus oogpunt kunnen we ook zeggen dat feesten na vasten betekent dat de viering op een gematigde en evenwichtige manier plaatsvindt, en niet op een ongecontroleerde of buitensporige manier, dankzij de zelfbeheersing die men door het vasten heeft ontwikkeld.
Dit Ied-oel-Fitr-feest vieren we niet om een historische gebeurtenis te gedenken, zoals een oorlog of veldslag, of de geboorte of het overlijden van een beroemd persoon. Elk jaar markeert Ied-oel-Fitr het einde van de vastenperiode — een persoonlijke prestatie voor elke moslim, die hij of zij op zijn of haar eigen, individuele manier heeft geleverd. Niet Ied-oel-Fitr markeert een gedenkwaardige gebeurtenis, maar de maand Ramadan zelf. Deze markeert het begin van de openbaring van de Heilige Koran aan de Heilige Profeet Mohammed (vrede en zegeningen van Allah zij met hem). Ter herdenking daarvan doen we op kleinere schaal na wat de grote stichters van de religies deden voordat zij voor het eerst het Woord van Allah ontvingen. Zij pleegden zware en strenge spirituele inspanningen door middel van vasten en gebed. Dat weten we van Mozes (vrede zij met hem), Jezus (vrede zij met hem) en de Heilige Profeet Mohammed (vrede en zegeningen van Allah zij met hem), de grootste profeten die moslims erkennen.
Mozes liet zijn volgelingen achter om de berg op te gaan en veertig dagen en veertig nachten in eenzaamheid met God door te brengen, terwijl hij vastte. Daar ontving hij van God de wet voor het volk van Israël. Veertien eeuwen later verscheen Jezus als profeet voor het volk van Israël en, in navolging van het gebruik van Mozes, vastte hij veertig dagen en veertig nachten in de woestijn voordat hij zijn profetische missie aanving. Om het doel van het vasten uit te leggen, citeerde Jezus uit de reeds bestaande Israëlitische geschriften en zei:
“De mens zal niet van brood alleen leven, maar van alle woord dat van Gods mond uitgaat.” – Mattheüs 4:4
Zes eeuwen later zocht de Profeet Mohammed, voordat hij door Allah werd aangesteld voor zijn missie als de Boodschapper van Allah, de eenzaamheid op in de grot van Hira om na te denken over de zin van het leven en over de vraag hoe mensen van hun slechte handelwijzen konden worden verlost. Hij bad en vastte in deze grot, en zijn vasten was veel zwaarder en langduriger dan ons vasten tijdens de Ramadan. Deze inspanningen brachten hem tot spirituele hoogten waardoor hij in staat werd om het Woord van Allah te ontvangen, en zo begon de openbaring van de Koran.
Pas vele jaren later, enige tijd na zijn aankomst in Medina, werden de verzen over het vasten in de Ramadan aan de Profeet geopenbaard. Voordat deze verzen werden geopenbaard, zag de Profeet in Medina dat de joden elk jaar op een bepaalde dag vastten ter nagedachtenis aan de dag waarop Allah hen van de farao had bevrijd, en Mozes had op die dag gevast. Toen hij dit vernam, zei hij tegen de joden:
“Wij hebben meer recht om Mozes te herdenken dan jullie.”
En hij spoorde de moslims aan om op die dag ook te vasten.
Laten we ons nu richten op Gautama Boeddha, de grondlegger van het boeddhisme, die ongeveer vijf eeuwen vóór Jezus leefde. We weten dat hij als prins aan een koninklijk hof werd geboren. Toen hij opgroeide in zijn paleis, ontstond bij hem een sterk verlangen om te begrijpen wat de zin van het leven is en hoe de mens zich in moreel en geestelijk opzicht kan verbeteren. Hij verliet het paleis en trok zich terug in de bossen en stelde zijn lichaam bloot aan zware ontberingen en rigide zelfonthouding, onder meer door zeer streng te vasten. Hierdoor raakte Boeddha volledig uitgemergeld en ernstig verzwakt. Toen besefte hij dat een mens in zo’n toestand tot niets in staat is. Uit deze ervaring leerde hij dat men de weg van matigheid moet volgen en niet die van extreme zelfonthouding. Hij noemde dit de ‘middenweg’ en zei:
“Van nu af aan zal ik de middenweg volgen. Ik zal mijn lichaam noch uithongeren, noch overmatig voeden, maar slechts eten wat nodig is, en niets meer.”
Ook in de Islam wordt ons geleerd de middenweg te volgen. De Koran zegt over de moslims:
“Wij hebben jullie tot een volk van het midden (ummah wasaṭ) gemaakt”, dat wil zeggen: een gematigde gemeenschap (2:143). Daarnaast spreekt de Koran met waardering en lof over degenen onder de Joden en Christenen die worden aangeduid als een “gematigde gemeenschap”, ummah muqtaṣidah (5:66).
Na zijn ervaring met vasten werd deze prins een ‘Boeddha’, wat ‘de Verlichte’ betekent, en begon hij zijn leer aan de mensen te verkondigen. In een recent boek van een psychotherapeut over vasten, schrijft de auteur hierover het volgende:
“De Boeddha sprak lovend over vasten en zei dat tijdens zijn vastenperiodes ‘mijn ziel helderder wordt, mijn geest levendiger in wijsheid en waarheid’. … Sommige historici zijn van mening dat de vastenervaring van de Boeddha het spirituele middel was dat tot zijn verlichting leidde.”
(Dr. Randi Fredricks, Fasting: An Exceptional Human Experience, p. 241–242)
Zoals iedereen weet, worden Mozes en Jezus in de Koran genoemd en geloven moslims in hen als profeten. Boeddha wordt niet expliciet genoemd in de Koran, maar als we de principes toepassen die de Koran verkondigt, blijkt uit zijn leven en ervaringen duidelijk dat hij een profeet van Allah moet zijn geweest, ongeacht hoe zijn leer later door zijn volgelingen is voorgesteld. De Koran leert ons dat er vóór de komst van de Heilige Profeet Mohammad door Allah profeten zijn gezonden naar alle volkeren op aarde, en vermeldt ook dat er naast de profeten die in de Koran worden genoemd nog andere profeten zijn geweest.
Waarom spreken wij, met name in onze Beweging, over het vasten van de grote grondleggers van andere religies? De reden hiervoor is dat de Koran zelf zegt dat het vasten al was voorgeschreven aan de volkeren en religies vóór de Islam. We zien bovendien dat de Heilige Profeet Mohammad, nog voordat hij de openbaring ontving waarin de moslims werd opgedragen om tijdens de maand Ramadan te vasten, zelf vastte. En toen hij zag dat de volgelingen van eerdere religies dit deden, moedigde hij ook de moslims aan om te vasten. Dit alles maakt het gerechtvaardigd dat wij ons afvragen wat het doel was van het vasten in voorgaande religies. Wij aanvaarden iets uit vroegere geschriften wanneer het in overeenstemming is met de Koran, of daarmee verenigbaar is en er niet mee botst. Op die manier kunnen wij lering trekken uit de geschiedenis en uit de gebruiken van vroegere religies.
Bijvoorbeeld, in de Bijbel lezen wij:
“Vertrouw op de Heer met uw hele hart en steun op uw eigen inzicht niet. Ken Hem in al uw wegen, dan zal Hij uw paden rechtmaken.”
(Spreuken 3:5–6; HSV)
De Koran zegt op vergelijkbare wijze:
“En wie zijn plicht jegens Allah in acht neemt, voor hem zal Hij een uitweg maken en hem onderhoud geven vanwaar hij het niet verwacht. En wie op Allah vertrouwt, voor hem is Hij voldoende. Waarlijk, Allah bereikt Zijn doel. Inderdaad heeft Allah voor alles een maat vastgesteld.” (65:2–3)
De gedachten die de hierboven aangehaalde passages uit de Bijbel en de Koran uitdrukken komen overeen: “Vertrouw op de Heer … en ken Hem in al uw wegen,” in de Bijbel, en “wie zijn plicht jegens Allah in acht neemt … en wie op Allah vertrouwt,” in de Koran. “Steun op uw eigen inzicht niet … en Hij zal uw paden rechtmaken” in de Bijbel, en “voor hem zal Hij een uitweg maken en hem onderhoud geven vanwaar hij het niet verwacht,” in de Koran.
Er is echter nog een ander aspect dat wij in gedachten moeten houden wanneer het gaat om hij wij ons verhouden tot de vroegere geschriften en religies. De Stichter van de Ahmadiyya‑beweging, hazrat Mirza Ghulam Ahmad, heeft grote nadruk gelegd op het bestuderen van andere religies. De reden hiervoor was zijn overtuiging dat wij in deze tijd nadruk moeten leggen op de islamitische leer dat Allah vóór de komst van de Heilige Profeet Mohammad profeten en Boeken naar alle volkeren heeft gezonden, en dat hun religies van Allah afkomstig zijn en niet door een mens zijn bedacht. Hij wilde een dialoog en gedachtewisseling op gang brengen tussen de Islam en andere religies, en wanneer dat door de houding van de verkondigers van andere religies noodzakelijk werd, ook een krachtig en stevig debat met hen aangaan. Al vanaf zijn jeugd, lang voordat hij de Ahmadiyya‑beweging oprichtte, bestudeerde hij andere religies, en niet alleen de Islam.
Later, in 1902, toen hij een maandelijks Engelstalig tijdschrift van de Ahmadiyya‑beweging oprichtte, onder redactie van Maulana Muhammad Ali, werd daarvoor de titel Review of Religions gekozen. Hij besefte dat in de moderne tijd, die al aan het eind van de negentiende eeuw was ingezet door wat we nu ‘globalisering’ noemen, moslims veel meer dan ooit tevoren in contact zouden komen met andere religies en dat religies onderling veel meer interactie zouden hebben. Daarom moeten moslims, wanneer zij de Islam aan anderen willen uitdragen, kennis hebben van de religies van die mensen. Dat is van absoluut belang.
Hazrat Mirza Ghulam Ahmad besefte ook – en sprak zich daar krachtig over uit – dat de tijd voorbij was dat oorlogen werden gevoerd op basis van religie en het ene volk tegen het andere streed vanwege verschillen in geloof. De tijd was nu aangebroken, zo leerde hij, dat de aanhangers van verschillende religies met elkaar in gesprek moeten gaan en hun religie aan elkaar moeten uitleggen, en de nadruk moeten leggen op de positieve aspecten van hun eigen religie in plaats van op de negatieve aspecten van andere religies. En als het nodig was de degens te kruisen, doe dat dan alleen op papier.
In het tweede vers dat ik aan het begin heb voorgelezen, noemt de Koran zichzelf drie dingen: “een leiding voor de mensheid, duidelijke bewijzen van de leiding en het Onderscheid”. Wat het eerste punt betreft: het is een leiding voor de hele mensheid, en niet slechts voor gelovigen of moslims. Dit maakt het onze plicht om deze leiding aan de hele wereld uit te dragen. De persoon die hier in de moderne tijd de meeste passie voor had, was wederom hazrat Mirza Ghulam Ahmad. Door zijn onderwijs en inspiratie nam Maulana Muhammad Ali dit werk op zich en produceerde hij een Engelse vertaling van de Koran, met uitvoerige toelichting, die voor het eerst hier in Engeland werd gedrukt en uitgegeven in 1917. In die tijd was er geen andere Engelse vertaling van de Koran door een moslim beschikbaar in het Westen. Later, met veranderende tijden en omstandigheden, werd deze vertaling door Maulana Muhammad Ali herzien en is zij tot op de dag van vandaag beschikbaar in gedrukte en elektronische vorm.
Ten tweede wordt de Koran hier aangeduid als “duidelijke bewijzen van de leiding”. Dit betekent, opnieuw zoals de Stichter van de Ahmadiyya‑beweging heeft onderstreept, dat de Koran argumenten, redenen en bewijzen aanvoert ter ondersteuning van alle leerstellingen die hij ons vraagt te volgen.
Neem bijvoorbeeld het vasten. De Koran schrijft ons niet alleen voor te vasten, maar geeft ook de redenen daarvoor. Deze worden duidelijk omschreven als: zodat we leren ons te hoeden voor onze onwettige en slechte verlangens; zodat we dichter bij Allah kunnen komen; zodat we worden aangespoord om voor de armen en behoeftigen te zorgen; en zodat we ons onthouden van het onrechtmatig toe‑eigenen van andermans bezittingen en rechten. We horen moslims vaak zeggen: “Ik vast omdat Allah mij dat heeft bevolen.” Maar Allah heeft het alleen bevolen zodat we er bepaalde doelen mee kunnen bereiken. Maar als we die doelen negeren, hebben we niet echt gevast.
Ten derde wordt de Koran hier Furqān of het Onderscheid genoemd. Dat betekent dat dit Boek de criteria of maatstaven bevat om onderscheid te kunnen maken tussen juiste en onjuiste geloofsopvattingen. Er zijn veel belangrijke kwesties waarin moslims in het algemeen fouten hebben begaan, met als gevolg dat zij zichzelf en de reputatie van de Islam schade hebben berokkend. Dit is gekomen omdat zij de Koran niet als onderscheid of maatstaf hebben genomen. In plaats daarvan hebben zij in veel zaken bepaalde opvattingen gevolgd die niet terug te voeren zijn op de Koran, maar die zich in de latere geschiedenis van de Islam hebben ontwikkeld. Een bijkomende reden is dat zij zich vastgehouden hebben aan culturele praktijken die vaak in strijd zijn met de Koran. De belangrijkste van deze kwesties zijn: de houding van de Islam ten opzichte van andere religies, de betekenis van jihad, godsdienstvrijheid, vrouwenrechten, en tolerantie ten aanzien van verschillen bij moslims onderling. Al deze kwesties kunnen opgehelderd en opgelost worden door de Koran als maatstaf te nemen en latere islamitische bronnen niet boven de Koran te plaatsen. Dit is de positie en de status die de Lahore Ahmadiyya-beweging in al haar literatuur aan de Koran toekent.
Laten we bidden dat we na de Ramadan Allah dankbaar zijn dat Hij ons de gelegenheid heeft gegeven om onszelf te verbeteren en ons opnieuw toe te wijden aan het verwerven van kennis over Zijn openbaring, de Koran, die Hij voor de hele mensheid heeft gezonden en die onze voorgangers in deze Beweging in de wereld hebben getracht te verspreiden. Laten we dankbaar zijn voor de zegen van voedsel en andere fysieke levensbehoeften en gemakken die Hij ons heeft geschonken. En laten we ons voornemen al deze voorzieningen binnen de juiste grenzen voor onszelf te gebruiken, waarbij we onze plicht niet vergeten om hetzelfde aan te bieden aan de mensen die dat niet hebben.
– Ameen.
Vertaald door: Reza Ghafoerkhan
Uitgegeven door: IslamLab
