Het misverstand van vrouwelijke circumcisie in de islam

Een historische, culturele en religieuze analyse door prof. dr. Robbert Bipat Achtergrond Circumcisie (besnijdenis) van vrouwen duidt op praktijken waarbij de vrouwelijke genitaliën om niet-medische redenen worden aangepast of verwond. De ingrepen variëren sterk in ernst en methode, van gedeeltelijke of volledige verwijdering van de uitwendige vrouwelijke geslachtsorganen tot andere vormen van beschadiging. De oorsprong […]

Een historische, culturele en religieuze analyse door prof. dr. Robbert Bipat

Achtergrond

Circumcisie (besnijdenis) van vrouwen duidt op praktijken waarbij de vrouwelijke genitaliën om niet-medische redenen worden aangepast of verwond. De ingrepen variëren sterk in ernst en methode, van gedeeltelijke of volledige verwijdering van de uitwendige vrouwelijke geslachtsorganen tot andere vormen van beschadiging. De oorsprong van vrouwelijke besnijdenis is complex en veelzijdig en gaat eeuwen terug tot een tijdperk vóór de komst van de islam. Historische aanwijzingen suggereren dat de praktijk voorkwam in verschillende oude samenlevingen, waaronder gemeenschappen in Afrika, op het Arabisch Schiereiland en rond de Middellandse Zee. Antropologische studies wijzen op toepassing in het oude Egypte en onder bepaalde etnische groepen in Sub-Sahara-Afrika en de Hoorn van Afrika. Deze vroege praktijken waren diepgeworteld in sociaal-culturele opvattingen over zuiverheid, vrouwelijkheid en sociale identiteit, en niet in religieuze voorschriften.

De gewoonte verspreidde zich via migratie, handel en culturele uitwisseling en raakte verankerd in delen van Noord-, Oost- en West-Afrika, het Midden-Oosten en Zuidoost-Azië. Het hardnekkige voortbestaan ervan kan worden gekoppeld aan opvattingen over huwelijksgeschiktheid, familie-eer en overgangsrituelen, waarbij lokale tradities voorrang kregen boven religieuze voorschriften en tevens de ondergeschikte positie van vrouwen werd bevestigd. Tegen de tijd dat de islam ontstond, was vrouwelijke besnijdenis reeds structureel ingebed in verschillende regio’s waar het nieuwe geloof zich later zou verspreiden. De praktijk is derhalve niet door de islam geïntroduceerd.

Daarnaast moet worden opgemerkt dat deze vorm van besnijdenis niet aan één religie of cultuur kan worden toegeschreven. De praktijk werd door uiteenlopende groepen overgenomen en aangepast aan lokale gebruiken en sociale normen. Het voortbestaan ervan tot in het islamitische tijdperk onderstreept het belang van een onderscheid tussen culturele tradities en religieuze voorschriften bij de analyse van hedendaagse verschijningsvormen. Vrouwelijke besnijdenis komt in verschillende regio’s voor, waarbij zowel de prevalentie als de toegepaste methoden sterk uiteenlopen. De hoogste percentages worden aangetroffen in delen van Oost-Afrika, met name Somalië, Eritrea, Ethiopië en Soedan, en daarnaast in West-Afrika, Egypte en bepaalde gemeenschappen op het Arabisch Schiereiland en in Zuidoost-Azië. Op iedere locatie wordt de praktijk gevormd door een complex samenspel van traditie, sociale samenhang en opvattingen over de maatschappelijke rol en deugdzaamheid van vrouwen.

Historische bronnen en ontwikkeling

De precieze oorsprong kan niet met zekerheid aan één plaats of periode worden toegeschreven. De vroegste bewaard gebleven schriftelijke aanwijzingen stammen uit de Grieks-Romeinse oudheid. De geograaf Strabo beschreef rond 25 v.Chr. in Egypte zowel de besnijdenis van jongens als de excisie van meisjes. Historici benadrukken daarbij dat antieke teksten en lichamelijk bewijsmateriaal beperkt en voor meerdere interpretaties vatbaar zijn. De beschikbare gegevens ondersteunen daarom vooral de conclusie dat de praktijk reeds lang vóór de islam bestond, en niet dat zij één onbetwiste oorsprong had.

In latere eeuwen kon de praktijk binnen verschillende gemeenschappen blijven voortbestaan doordat zij werd verbonden met overgangsrituelen, het huwelijk, kuisheid, familie-eer en groepsidentiteit. Koloniale bestrijdingscampagnes in delen van Afrika riepen soms weerstand op, omdat het verbod als inmenging van buitenaf werd ervaren. Vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw verschoof het internationale debat steeds nadrukkelijker naar volksgezondheid, kinderrechten, lichamelijke integriteit en gendergelijkheid.

Islamitische bronnen ondersteunen vrouwelijke circumcisie niet

Een grondige analyse van de islamitische bronteksten toont aan dat de Koran geen expliciet voorschrift voor vrouwelijke besnijdenis bevat. De Koran, de belangrijkste religieuze bron van de islam, noemt deze praktijk in geen enkel vers. Deze afwezigheid is betekenisvol, gezien de uitvoerige richtlijnen in de Koran over rituele zuiverheid, lichamelijke integriteit en sociaal gedrag. Aanspraken op een religieuze verplichting tot vrouwelijke besnijdenis moeten daarom noodzakelijkerwijs worden gebaseerd op bronnen buiten de Koran.

De aandacht richt zich daarmee op de hadith: overleveringen over uitspraken en handelingen van de profeet Mohammed (vrede zij met hem), zoals door zijn metgezellen doorgegeven. Binnen het omvangrijke corpus van hadith verwijzen enkele overleveringen naar vrouwelijke besnijdenis. Deze berichten zijn echter onderwerp van aanzienlijke wetenschappelijke kritiek wat betreft hun authenticiteit, overdrachtsketen (isnad) en contextuele betekenis.

De in dit verband meest aangehaalde hadith wordt toegeschreven aan Umm Atiyyah, die naar verluidt vrouwelijke besnijdenis in Medina uitvoerde. Volgens deze overlevering zou de Profeet tot matiging hebben aangespoord: “Snijd niet te ver, want dat is beter voor de vrouw en aangenamer voor de echtgenoot.” De vertelling komt in enkele verzamelingen voor, maar is door vooraanstaande hadithgeleerden als zwak (da’if) geclassificeerd wegens tekortkomingen in de overdrachtsketen. Andere hadith verwijzen naar algemene opvattingen over reinheid en besnijdenis, maar geen daarvan stelt vrouwelijke besnijdenis vast als religieuze verplichting.

Deze uitspraken dienen nadrukkelijk niet als goedkeuring door de Profeet (vrede zij met hem) te worden opgevat. Zij kunnen veeleer worden geïnterpreteerd als een geleidelijke benadering waarmee diepgewortelde tradities zonder onnodige maatschappelijke weerstand werden teruggedrongen. Een vergelijking kan worden gemaakt met de wijze waarop de islamitische leer de positie van tot slaaf gemaakte mensen verbeterde en het vrijkopen van slaven stimuleerde. Islamitische juristen en geleerden hebben deze hadith historisch verschillend geïnterpreteerd. Sommigen beschouwen vrouwelijke besnijdenis als een toegestane culturele praktijk, terwijl anderen iedere religieuze geldigheid ervan afwijzen.

Hedendaagse omvang en ontwikkelingen

Volgens de meest recente mondiale schattingen hebben meer dan 230 miljoen meisjes en vrouwen vrouwelijke genitale verminking ondergaan. Van hen wonen ongeveer 144 miljoen in Afrikaanse landen, 80 miljoen in Azië en 6 miljoen in het Midden-Oosten; daarnaast komt de praktijk voor in kleinere gemeenschappen en diasporagroepen elders ter wereld. Het totale aantal ligt ongeveer 30 miljoen hoger dan de mondiale schatting uit 2016. Deze stijging betekent niet dat de praktijk wereldwijd verhoudingsgewijs vaker voorkomt: bevolkingsgroei in landen waar zij nog wordt toegepast, vergroot het absolute aantal betrokken personen.

Voor 2026 wordt geschat dat ongeveer 4,5 miljoen meisjes risico lopen. Als de huidige ontwikkeling doorzet, kunnen tot 2030 nog eens 22,7 miljoen meisjes worden getroffen. Tegelijkertijd is sprake van vooruitgang: in landen waarvoor trendgegevens beschikbaar zijn, is het aandeel meisjes dat de ingreep ondergaat in drie decennia afgenomen van ongeveer één op de twee tot één op de drie. UNICEF meldt bovendien dat de helft van de vooruitgang in de afgelopen dertig jaar gedurende het meest recente decennium is geboekt. Om het duurzameontwikkelingsdoel van uitbanning in 2030 te verwezenlijken, moet het tempo van de daling echter aanzienlijk toenemen.

Gezondheid, medicalisering en maatschappelijke verandering

De Wereldgezondheidsorganisatie onderscheidt vier hoofdtypen, variërend van gedeeltelijke verwijdering van de clitorale glans of voorhuid tot infibulatie en andere niet-medische beschadigingen. Geen van deze vormen biedt gezondheidsvoordelen. Mogelijke onmiddellijke gevolgen zijn hevige pijn, bloedingen, infecties, urineproblemen, shock en overlijden. Tot de langetermijngevolgen behoren chronische pijn, menstruatie- en urinewegproblemen, seksuele problemen, psychische klachten en complicaties tijdens zwangerschap en bevalling.

Een hedendaags zorgpunt is medicalisering: naar schatting werd de ingreep bij ongeveer 52 miljoen getroffen meisjes en vrouwen van 15 tot 49 jaar uitgevoerd door een gezondheidswerker. Uitvoering in een kliniek of door medisch personeel maakt de praktijk niet veilig en neemt de schending van de lichamelijke integriteit niet weg. Tegelijkertijd wijzen recente gegevens op een veranderende maatschappelijke houding: in praktiserende landen in Afrika en het Midden-Oosten verzet ongeveer twee derde van de bevolking zich tegen voortzetting. Effectieve verandering vereist daarom niet alleen wetgeving, maar ook onderwijs, zorg voor overlevenden en de betrokkenheid van ouders, jongeren, gezondheidswerkers en religieuze en gemeenschapsleiders.

Hedendaagse religieuze standpunten

Ook binnen hedendaagse islamitische instellingen is de nadruk steeds sterker komen te liggen op het beginsel dat schade moet worden voorkomen. Een internationale islamitische fatwaraad heeft vrouwelijke genitale verminking uitdrukkelijk verboden en verwees daarbij naar de lichamelijke, psychologische en sociale schade, het ontbreken van een Korantekst die de praktijk voorschrijft en de zwakte van de vaak aangehaalde overleveringen. In 2025 werd in Djibouti bovendien een nationale fatwa tegen de praktijk aangenomen, ondersteund door regionale samenwerking tussen religieuze en medische instellingen. Dergelijke ontwikkelingen sluiten aan bij de opvatting dat lokale gebruiken niet zonder meer als religieuze verplichtingen mogen worden voorgesteld.

De Lahore Ahmadiyya-beweging

De Lahore Ahmadiyya-beweging, die beoogt de ware islam uit te dragen, biedt een kritisch perspectief op vrouwelijke besnijdenis. De beweging onderscheidt zich door haar toewijding aan rationeel onderzoek, schriftgetrouwheid en de bevordering van menselijke waardigheid. Geleerden en leiders binnen de Lahore Ahmadiyya hebben zich consequent uitgesproken tegen de opvatting dat vrouwelijke besnijdenis religieus noodzakelijk zou zijn. Zij benadrukken dat de Koran de praktijk niet vermeldt en dat de relevante hadith zwak zijn of buiten hun context worden geïnterpreteerd.

Uitgaande van de lichamelijke integriteit en de ethische beginselen van de islam benadrukt de Lahore Ahmadiyya het onderscheid tussen culturele gebruiken en authentieke religieuze verplichtingen. Integendeel, Koran 2:195 geeft aan dat het lichaam niet onnodig aan schade mag worden blootgesteld. De beweging moedigt moslims daarom aan schadelijke praktijken zonder solide religieuze grondslag los te laten en zich in plaats daarvan te richten op de kernwaarden mededogen, rechtvaardigheid en respect voor individuele autonomie. Dit standpunt weerspiegelt een bredere ontwikkeling waarin de vermenging van culturele tradities met religieuze voorschriften kritisch wordt onderzocht en het onderscheid tussen beide wordt verduidelijkt.

Conclusie

Het voortbestaan van vrouwelijke besnijdenis moet worden begrepen tegen de achtergrond van eeuwenoude culturele ontwikkelingen, lokale sociale normen en uiteenlopende religieuze interpretaties. De beschikbare historische bronnen wijzen erop dat de praktijk reeds vóór de opkomst van de islam bestond, terwijl noch de Koran, noch betrouwbare hadith een ondubbelzinnig religieus gebod bevatten. Hedendaagse islamitische instellingen en in het bijzonder de Lahore Ahmadiyya-beweging benadrukken daarom steeds nadrukkelijker het onderscheid tussen overgeleverde culturele gebruiken en authentieke religieuze verplichtingen, waarbij het voorkomen van schade, lichamelijke integriteit en menselijke waardigheid centraal staan. De actuele gegevens tonen tegelijkertijd de omvang en urgentie van het vraagstuk: meer dan 230 miljoen meisjes en vrouwen hebben de praktijk ondergaan en miljoenen meisjes lopen jaarlijks risico. Hoewel de prevalentie in verschillende landen afneemt en het maatschappelijke verzet groeit, houden bevolkingsgroei, sociale druk, conflicten en medicalisering het absolute aantal betrokken personen hoog. Omdat geen enkele vorm gezondheidsvoordelen heeft en de praktijk zowel onmiddellijke als langdurige lichamelijke en psychische schade kan veroorzaken, vereist uitbanning een samenhangende aanpak van onderwijs, gezondheidszorg, wetgeving, ondersteuning van overlevenden en betrokkenheid van religieuze en gemeenschapsleiders. Historische kennis, verantwoorde religieuze interpretatie en hedendaagse medische inzichten leiden daarmee tot dezelfde conclusie: vrouwelijke besnijdenis is geen noodzakelijke islamitische praktijk en behoort vanuit mededogen, rechtvaardigheid en respect voor individuele autonomie te worden beëindigd.

Geraadpleegde bronnen

  • Wereldgezondheidsorganisatie. Factsheet over vrouwelijke genitale verminking, bijgewerkt in 2025.
  • UNICEF. Female Genital Mutilation: A Global Concern. Mondiale actualisering, 2024.
  • UNFPA. Mondiale informatie en gegevens over vrouwelijke genitale verminking, geraadpleegd voor de stand van zaken in 2026.
  • Knight, M. Historisch onderzoek naar vrouwelijke en mannelijke besnijdenis in Grieks-Romeins Egypte. Isis, 2001.
  • Islamic Fatwa Council. Fatwa 02206 over het verbod op vrouwelijke genitale verminking.
  • UNICEF en UNFPA. Regionaal overzicht over versnelde actie tegen vrouwelijke genitale verminking in de Arabische regio, 2025.

Auteur: prof. dr. Robbert Bipat