Hij Die elk ding heeft geschapen, vervolgens daarvoor een maat (taqdīrā) heeft bepaald. (De heilige koran, 25:2)
De islamitische leerstelling die bekend staat als taqdīr heeft helaas de betekenis gekregen van ‘fatalisme’ in het Nederlands. Het woord qismat, dat als synoniem voor taqdīr wordt beschouwd, schept een vreemd gevoel in de gedachten van de Westerlingen. Niets staat verder af van de werkelijkheid. Het algemeen verbreide begrip van fatalisme is de oorzaak van vele misvattingen geweest over de islamitische taqdīr. Het is niet overdreven om te zeggen dat beide als tegenpolen tegenover elkaar staan in zoverre het hun invloed op het praktische leven betreft.
Wat iemand ook doet, goed of slecht, wat iemand ook overkomt, de kleinste beweging van de mens en de vervelendste gebeurtenis in zijn leven zijn onomkeerbaar vooraf bepaald. Zijn lot staat onuitwisbaar op zijn voorhoofd geschreven en dan ook nog met wiskundige precisie. Geen enkele mate van inspanning die daar tegenin gaat, kan de loop der gebeurtenissen veranderen, die uit absolute noodzaak voorbeschikt zijn. Dit vormt in een notendop de optelsom van het heersende begrip van fatalisme. Het is duidelijk genoeg dat dit ongelukkige staaltje van metafysica een doodsteek toebrengt aan de eigenste wortel van elke moraliteit. Door de vrijheid van wil in de mens te ontkennen, elimineert het de factor van individuele verantwoordelijkheid voor menselijk gedrag, en verdwijnt daarmee het gevoel van individuele toerekenbaarheid, hetgeen de drijfveer is van een moreel leven. Bovendien leidt het er toe dat alle enthousiasme voor vooruitgang wordt getemperd. Indien wat gebeuren zal, moet gebeuren volgens het onfeilbare rad van geluk, waarom zou je je dan überhaupt daarover druk maken? De leerstelling maakt dus een einde aan alle inspanningen van het leven, die in werkelijkheid verantwoordelijk zijn voor elke vorm van vooruitgang. Dit is het resultaat van de leerstelling van fataliteit. Door hem van zijn vrijheid van wil te beroven, brengt het de mens, de heer van de schepping, terug tot de status van een robot, dansende op het toneel van het aardse leven voor iemand die achter de gordijnen aan de touwtjes trekt. Het vernietigt moraliteit en belemmert vooruitgang.
De islamitische taqdīr is aan de andere kant een onmisbaar beginsel voor elke vorm van bestaan, mineraal, plantaardig, dierlijk, zoals ik zal proberen aan te tonen op de volgende bladzijden op gezag van de heilige koran. Volgens taqdīr wordt de mens niet met een lotsbestemming geboren. Hij moet uit zichzelf eruit zien te komen. Taqdīr is in de islam bij wijze van spreken de vliegwiel voor dit onmetelijke heelal, zonder welke het gigantische mechanisme ineen zou storten.
De islamitische leerstelling, ten onrechte bestempeld als fatalisme, staat in de theologie van die religie bekend als taqdīr. De term fatalisme of voorbeschikking kan op een meer geschikte wijze vervangen worden door vooraf bepaalde maat; want dit is in werkelijkheid de betekenis die het Arabische woord taqdīr uitdrukt. We zullen putten uit de heilige koran zelf om uit te maken wat de term taqdīr precies inhoudt.
In het bovenstaande vers (25:2) vestigt de heilige koran de aandacht op een tweeledige getuigenis, wijzende op het bestaan van God – schepping en maatbepaling. Net zoals de schepping een duidelijke getuigenis is van het bestaan van een Schepper of een Eerste Oorzaak, op dezelfde wijze vormen de specifieke maatbepaling van de vermogens die in de natuur van de dingen zijn ingeplant, en het specifieke stel van wetten die zij moeten gehoorzamen een onmiskenbare aanwijzing voor het bestaan van een doelbewust ontwerpend Brein Die achter de schermen werkzaam is. Het laatstgenoemde fenomeen is een teken van het bestaan van een Wezen Dat elk ding met een vastgesteld doel heeft geschapen. Teneinde dat doel tot vervulling te laten gaan, zijn er voor elk ding bepaalde wetten voorgelegd om te gehoorzamen. Met andere woorden, de hele schepping heeft een doel, waarbij elk ding zijn specifieke doel verwezenlijkt via gehoorzaamheid aan specifieke wetten. Dit is taqdīr of vooraf bepaalde maat, een vooraf voorgeschreven functie voor elk ding met vooraf voorgeschreven wetten om die uit te oefenen. Tot zover, en niet verder, loopt het gebied van voorbeschikking in de islam.
De islam maakt aanspraak erop de universele religie voor het gehele rijk van de Natuur te zijn, van de uiterst kleine atomen tot de gigantische planeten, van de nietige worm tot de hoogstaande mens, de heer van de schepping. De religie van de islam is slechts een andere naam voor de wetten van de natuur. Er wordt geen waarheid door de islam onderwezen, of het vindt bevestiging in de verschijnselen van de natuur. De wet van taqdīr of vooraf bepaalde maat zoals die door de islam wordt uiteengezet, wordt door iedere bestaansvorm gestaafd. Het is in feite het grondbeginsel van het hele bestaan. De wet dat elk ding een uitdrukkelijke functie van zichzelf zal bezitten, en daardoor het welzijn van andere dingen bevordert en bijdraagt tot de uiteindelijke verwezenlijking van het enige doel van de hele schepping, staat met grote letters op het gezicht van elk atoom in het heelal geschreven. Noem het bij welke naam je ook wil, arbeidsverdeling, of economie of Natuur, het is onmiskenbaar aanwezig.
Eenheid impliceert diversiteit. Dat er door het hele universum heen een gemeenschappelijk doel loopt, spreekt voor zich. Deze eenheid van doel kan niet bereikt worden, behalve door een diversiteit in functie in zoverre het de samenstellende delen betreft. Het is onnodig om over een punt uit te weiden dat algemeen wordt waargenomen. Voor een gewone horloge het doel te laten hebben de juiste tijd te tonen, moet elk van zijn samenstellende delen en onderdelen, groot of klein, een verschillende functie uitoefenen: de veer, de spil, de opwindknop, elk moet zijn eigen toegewezen rol spelen. Zien, horen, spreken, ruiken, bewegen, voortbewegen, intelligentie en duizend en één andere zaken zijn de diverse functies die dienen om van de mens te maken wat hij is. Het is hun diversiteit waarin de bruikbaarheid
van zaken ligt. Gelijkheid kan niets vruchtbaars opleveren. Een combinatie van één miljoen ogen, of even zovele oren of andere ledematen zal op zich een nevenschikking vormen die geen ander doel dient, behalve wellicht als getuigenis van de dwaasheid van de schepper daarvan. Op dezelfde wijze, maar dan op veel grotere schaal en op een veel gecompliceerdere wijze, is elk ding in dit onmetelijke universum voorgeschreven om een bepaald vastomlijnd doel te vervullen, via ontelbare banden met andere dingen verbonden, gediend door andere dingen en op zijn beurt andere dingen dienende. Dit en precies dit, niets meer en niets minder, is het concept van taqdīr in de islam – een welomgeschreven functie voor elk ding en ten behoeve daarvan een welomschreven stel van wetten die aangepast zijn aan de vervulling van die functie. Het is op deze Natuurwet waar de heilige koran de aandacht richt in de volgende verzen:
En de zon beweegt zich voort tot een daarvoor bestemde tijd; dat is de ordinantie van de Machtige, de Wetende.
En de maan, Wij hebben fasen voor haar bepaald, totdat zij als een oude droge palmtak wordt.
Het is niet toegestaan dat de zon de maan inhaalt, noch kan de nacht de dag voorbijlopen; en alle zweven in een baan. (36:38-40)
Deze verzen brengen duidelijk naar voren dat zelfs de zon een eigen omloop heeft rond een bepaald middelpunt, echter nog niet ontdekt, net zoals de aarde om de zon loopt. Deze afwisseling van dag en nacht is ook het resultaat van een vooraf bepaalde wet, de wet van rotatie. Door de vooruitgang van wetenschappelijk onderzoek op het gebied van geologische fysica is het nu algemeen bekend hoeveel wij te danken hebben aan de vastgestelde bewegingen van de aarde. In feite hangt onze eigenste leven af van de regelmatige, ononderbroken werking van het systeem. Maar waar heeft deze hele zegening dat aan te danken? Klaarblijkelijk genoeg aan het feit dat noch de zon, noch de maan, noch de aarde één enkel centimeter buiten zijn baan kan treden. Vastgeketend door de wet van taqdīr of vooraf bepaalde maat houden zij vast aan hun vastgelegde banen, zonder welke zij hun eigen vernietiging teweeg zouden brengen door tegen elkaar te botsen. Dit is de islamitische taqdīr of voorbeschikking, het vitale, onmisbare beginsel van het bestaan. Laten degenen die de gewoonte hebben om te pas en te onpas de islamitische leerstellingen te verdraaien, diep nadenken.
De koranische verzen kunnen vermeerderd worden om aan te tonen hoe dit hoogst belangrijke levensbeginsel wordt benadrukt teneinde de waarheid aan het verstand te brengen. Keer op keer wordt de mens eraan herinnerd, dat net als de rest van het universum waar hij part en deel van uitmaakt, ook hij bestemd is om een speciaal doel te vervullen. Nu kan de vraag rijzen met betrekking tot het uitdrukkelijke doel, het oogmerk, van de schepping van de mens en hoe dat te bereiken.
Het doel van de schepping van een ding, zoals duidelijk genoeg is, behoeft niets anders te zijn dat datgene waarvoor het de noodzakelijke geschiktheid bezit. Men moet derhalve wijzen op de ingeschapen vermogens, ingeplant in de natuur van een ding, teneinde zich te vergewissen
van het speciale doel waarvoor die werden ontworpen. Naast te wijzen op de potentiële eigenschappen van een ding, is een kennis van de verschillende wijzen en middelen om toe te passen, de regels en voorschriften die moeten worden gehoorzaamd, ook onmisbaar voor de realisatie van zijn vastgestelde doel. Om deze ongerustheid tot bedaren te brengen, verzekert de heilige koran ons:
Verheerlijk de naam van uw Heer, de Meest Hoge.
Die schept, en dan compleet maakt.
En die (de dingen) volgens een maat maakt, en (ze) dan leidt (naar hun doel). (87:1-3)
In deze verzen wordt de aandacht van de mens gericht op bepaalde Goddelijke gunsten die Hem het recht geven verheerlijkt te worden door de mens. Hij heeft de dingen niet slechts op lukrake wijze geschapen, maar heeft ze uitgerust met de noodzakelijke geschiktheid binnen het stel van omstandigheden waarin ze werden geplaatst. Nogmaals, Hij heeft niet alleen een speciale functie voor elk ding bepaald, en die in het donker laten tasten op zoek naar zijn bestemde doel, maar heeft die ook uitgerust met de noodzakelijke leiding, waarmee die, door het te volgen, zijn doel kan bereiken. Laten wij met deze Goddelijke geruststelling in het achterhoofd de specifieke functie onderzoeken die de islam aan de mens heeft toegewezen om uit te oefenen, en de specifieke wetten die het heeft voorgelegd voor de vervulling van dat doel. De bovenstaande verzen laten zien dat het doel van de schepping van de mens alleen kan worden vastgesteld door te wijzen op het stel van omstandigheden waarin hij zijn leven moet leiden en op zijn latente vermogens. Dit zijn de twee overwegingen die men niet uit het oog moet verliezen in het bepalen van de juiste functie van de mens. Met andere woorden, we moeten zowel achter de positie van de mens zien te komen in relatie tot de rest van het universum, als achter zijn ingeboren capaciteiten, op grond waarvan wij alleen, volgens de bovenaangehaalde verzen, onze conclusie kunnen baseren met betrekking tot het doel dat ter verwezenlijking voor de mens werd bestemd. Om licht op deze punten te werpen, laten wij ons nogmaals wenden tot de bladzijden van de heilige koran.
Wat betreft het eerste, nl. de positie van de mens in dit heelalsysteem, heeft de heilige koran drie aparte betrekkingen geformuleerd:
1. De relatie van de mens tot de rest van het universum.
2. De relatie van de mens tot de Schepper.
3. De relatie van de mens tot zijn medemens.
Het koranische oordeel met betrekking tot de relatie van de mens tot het heelal verheft hem tot de status van de heer van de schepping:
Alles wat in de hemelen is of op de aarde is dienstbaar voor jullie (mensen) gemaakt. (31:20)
En nogmaals:
Waarlijk, Ik schep een Kalief (Gods vertegenwoordiger) op aarde. (2:30)
Deze verzen zijn te veelzeggend om commentaar op te geven. Elk ding in dit oneindige universum, de zon, de maan de sterrenhemel, de aarde met haar overvloedige leven, is geschapen ten dienste van de mens. Verder wordt van hem gezegd dat hij een vertegenwoordiger van God op aarde is. Met andere woorden, God heeft de mens bekleed met enkele van Zijn eigen krachten om hem in staat te stellen de natuurkrachten te beheersen en ze voor zijn eigen nut aan te wenden. Maar dit is niet alles. Zelfs de engelen worden bevolen te buigen voor het gezag van deze menselijke khilāfat op aarde, indien deze zich ontwikkeld heeft in gehoorzaamheid aan de Goddelijke bevelen die van tijd tot tijd voor de leiding van de mens werden geopenbaard.
De positie van de mens in relatie tot zijn medemens wordt gedefinieerd in het vers:
Ik ben niets anders dan een mens net als jullie. (18:110)
De woorden werden in de mond gelegd van de heilige profeet van Arabië. Gelijkheid van de mensheid vormt de fundamentele leerstelling van de islam. De islam kent geen onderscheid in kaste, kleur of landsstreek. Onder de universele Voorzienigheid van Eén God erkent de islam slechts één universele broederschap van de mensheid. In zoverre het de rechten en plichten van de mens betreft, wordt er geen lijn getrokken tussen de hogen en de lagen. Zelfs de heilige profeet Mohammed (vrede zij met hem!) werd met zijn hele uitnemendheid van zijn persoonlijkheid gemaakt te bekennen dat er niets bovenmenselijks in hem was.
Daarna komt de relatie van de mens tot zijn Schepper:
Ik heb de mens noch de jinn geschapen dan met het enige doel om Mij te aanbidden. (51:56)
Er dient op gewezen te worden dat de Goddelijke aanbidding aan ernstige misvattingen is komen bloot te staan, net als zovele andere islamitische denkbeelden. Laat er geen misverstand bestaan met betrekking tot het ware doel van aanbidding. De Goddelijke aanbidding heeft niets anders ten doel dan de verheffing en zedelijke vorming van de mens zelf. Het verrichten daarvan door de mens kan geen jota meer toevoegen, net zoals het veronachtzamen daarvan iets kan wegnemen van God, Die zelfonderhoudend en volmaakt in ieder opzicht is. Hierop doelende zegt de heilige koran:
O mens! Aanbid uw Heer die u heeft geschapen en degenen vóór u, opdat u een rein leven zult bereiken. (2:21)
Reinheid van karakter, wanneer die via Goddelijke aanbidding is bereikt, leidt naar die gemoedstoestand, bekend als het hemelse leven, zoals de heilige koran zegt:
De gelijkenis van het paradijs is beloofd aan degenen van een rein leven … (13:35)
Welke wolken van misvattingen hangen boven de denkbeelden over het paradijs verdient een aparte bespreking. Het volstaat hier met erop te wijzen dat in dit verband volgens een verslag van de heilige profeet het bestaat uit zegeningen die de ogen nimmer hebben gezien, noch de oren hebben gehoord, noch de tong heeft geproefd, noch het verstand zich heeft voorgesteld. Het is derhalve onjuist om zijn geneugten te vergelijken met onze wereldlijke geneugten. In feite is het moslimse paradijs een toestand van mentale gelukzaligheid, ervaren door de rechtschapenen in ditzelfde leven, hetgeen een meer voelbare vorm zal aannemen in het leven Hiernamaals, wanneer de menselijke ziel, bevrijd uit de gevangenis van dit fysieke bouwsel, niet langer meer de dingen zal hoeven te gewaarworden via zijn lichamelijke zintuigen. Deze handicap zal ophouden het menselijke gebied van gewaarwording te beperken, en de dingen die nu bevat worden als abstracte ervaringen, zullen nu in een meer concrete vorm geplaatst worden. (Zie Hell and Heaven, door Khwaja Kamal ud-Din.) Dit is echter een zijspoor. Op terug te keren tot het onderhavige punt, Goddelijke aanbidding is een middel voor reiniging van de mens, bestaande uit blijmoedige onderwerping aan de Goddelijke Wil van de zijde van de mens onder alle omstandigheden, en resulterende in het geschikt maken van de mensen voor een leven van eeuwige gelukzaligheid.
De heilige koran heeft ons dus ingelicht over de verschillende relaties waarin de mens staat tot de rest van het universum, zijn medemens en zijn Schepper. Elke van deze relaties, zoals we hebben gezien, belast hem met een overeenkomstige verplichting. Het overwinnen en het heersen over het hele universum, het gewetensvol op gelijke voet behandelen van zijn medemens, en het zich blijmoedig overgeven aan de Wil van God, is het enige doel van het leven van de mens in de islam. Of om het met technische termen uit te drukken, dit is zijn taqdīr, de vastomlijnde maat van de functie die voor hem is bepaald om uit te oefenen.
Maar dit is niet genoeg om onze zoektocht naar het hoogste goed van de mens af te sluiten. We moeten zekerheid hebben dat de mens begiftigd is met de noodzakelijke capaciteiten om zich goed van zijn taken te kwijten in zijn verschillende situaties. Zoals we reeds op hebben gewezen moet een ding een onmisbare geschiktheid bezitten voor het doel van zijn schepping. Is de mens uitgerust met de noodzakelijke kwaliteiten voor een naar behoren uitoefenen van de verschillende functies die de heilige koran voor hem heeft vastgesteld? Laten we de vraag aan het heilige boek zelf stellen, dat claimt een volmaakte leiding te zijn. Met betrekking tot de latente vermogens van de mens geeft het ons via de volgende woorden de uitdrukkelijke verzekering:
Waarlijk, Wij hebben de mens in de beste vorm geschapen. (95:4)
En nogmaals:
Waarlijk, Wij boden de hemelen en de aarde en de bergen het toevertrouwde goed aan, maar alle weigerden de verantwoordelijkheid op zich te nemen en vreesden daarvoor; de mens, echter, aanvaardde die, want hij bezit de kracht om zichzelf (omwille van God) toe te leggen op de taak, en zichzelf helemaal te verliezen in de Goddelijke liefde. (33:72)
Deze verzen vormen een afdoende bewijs voor de onmetelijke capaciteiten die in de natuur van de mens zijn ingeprent, welke hem in staat stellen verantwoordelijkheden op zich te nemen, waarvoor de meest kolossale dingen in de schepping vrees hebben om die te aanvaarden. Het hier aangeduide toevertrouwde goed bestaat uit de duizend en één vaardigheden van de mens, zowel lichamelijk als geestelijk, zijn hartstochten, zijn wil, de sterkte van zijn lichaam en geest. Deze Goddelijke zegeningen worden op toepasselijke wijze toevertrouwde goed genoemd; want al deze capaciteiten moeten enkel en alleen ten dienste gesteld worden op de wegen van Allah. Het verkwisten daarvan betekent verraad van het Goddelijke toevertrouwde goed. Hierop zinspeelt de heilige koran wanneer die zegt:
Waarlijk, God beveelt jullie het toevertrouwde goed over te dragen aan wie het rechtmatig toekomt. (4:58)
De mens is niet de alleenheerser over zijn lichamelijke en geestelijke vaardigheden om die naar zijn eigen grillen goed of slecht te gebruiken. Hij is niets meer dan een beheerder van elke vorm van Goddelijke zegening over hem. Zijn positie als zodanig vereist dat hij alle zegeningen zonder uitzondering moet toewijden aan de exclusieve dienstbetoon aan God. Hij moet zichzelf verliezen in de Wil van God, en het vers zegt dat hij de kracht bezit om dat te doen. In gehoorzaamheid aan Allahs Wil heeft hij de capaciteit om zijn hartstochten te beteugelen en zichzelf helemaal te vergeten. Een vluchtige blik op de geschiedenis van de islam legt het feit bloot dat voorbeelden van een praktische illustratie van de deugd van het zichzelf verliezen in God niet zeldzaam zijn.
Nu belanden we bij het punt of de heilige koran enige leiding aan de mens heeft verschaft voor de verwezenlijking van het doel van zijn schepping, zoals dit werd beloofd in het vers. Met andere woorden, we moeten achter de verschillende wetten zien te komen, waardoor de mens via gehoorzaamheid daaraan er in slaagt de aan hem toegewezen functies uit te oefenen. Hoe dient hij zijn vaardigheden te reguleren teneinde het in hem Goddelijk gestelde vertrouwen te vervullen? De menselijk vermogens kunnen in twee klassen verdeeld worden, controleerbare en oncontroleerbare, d.w.z. die welke hij volgens zijn wil kan aanwenden, en die welke werkzaam moeten zijn ondanks hem. Spraakvermogen bijvoorbeeld valt in de eerste categorie. Hij kan daarvan op goede of op slechte wijze gebruik maken, net zoals hij wil. Maar het smaakvermogen ligt buiten een dergelijke controle. Hij kan het zuur niet als zoet laten overbrengen of andersom. De werking van het hele interne systeem, van het hart, van de maag, van de lever, behoort tot de automatische klasse van vermogens.
Wat betreft de leiding voor zulke vermogens, hoeven we niet ver te zoeken. Ze werken automatisch in onvoorwaardelijke onderwerping aan de natuurwetten, hun respectieve functies uit zichzelf vervullende. De wetenschap die deze tak van het menselijk organisme behandelt, staat bekend als fysiologie. Noch de mens noch God stelt iemand verantwoordelijk voor deze functies die niet binnen de sfeer van zijn wilscontrole liggen:
God legt niemand een verantwoordelijkheid op die buiten zijn vermogen ligt. (2:286)
Maar er bestaat een onmetelijke sfeer van menselijk handelen waar de wil van de mens vrijheid van controle en besturing geniet. Het is daar waar de mens verantwoordelijk en toerekenbaar wordt gehouden voor de juiste of verkeerde aanwending van zijn vermogens. Het is derhalve voor de mens van zeer groot belang om achter de regels en voorschriften te komen die zijn gedrag in die sfeer zullen leiden. Om deze behoefte te verschaffen heeft God de mens twee wapens geschonken waarmee hij de juiste koers voor zichzelf kan uitstippelen – verstand en openbaring.
Van de drie aan de mens toegekende functies die hij moet uitoefenen, zoals die reeds zijn opgenoemd, kan de eerste, nl. het overwinnen van het universum, op adequate wijze bereikt worden door de natuurwetten te ontdekken via het wapen van het verstand. De wetenschap die zich bezighoudt met een verklaring van deze wetten staat bekend als natuurfilosofie. De prachtige prestaties van de moderne wetenschap zijn echter een geringe manifestatie van het verstandelijke vermogen van de mens. Dit vormt ook het gedeeltelijk verkrijgen van de khilāfat op aarde. Deze khilāfat is bereikbaar via louter de inspanningen van het verstand, en men kan dit aflezen aan de mate van de heerschappij die men over de natuurkrachten kan verwerven. De heilige koran bagatelliseert op generlei wijze het belang van de menselijke heerschappij over de natuur, zoals helaas niet weinig moslims vandaag de dag geneigd zijn te denken. Aan de andere kant wordt er een sterke drijfveer gegeven om de wereld van de natuur te ontginnen in verzen:
Zeer zeker zijn er in de schepping van de hemelen en de aarde en de wisseling van de nacht en de dag tekenen voor mensen van verstand.
Degenen die aan Allah denken, staande en zittende en op hun zijden liggende en nadenken over de schepping van de hemelen en de aarde: Onze Heer! U heeft dit niet vergeefs geschapen! Glorie zij U! Red ons derhalve van de kastijding van het vuur! (3:189:190)
In deze verzen wordt de aandacht gericht op de waarheid, dat hoe meer wij nadenken over de schepping van de hemelen en de aarde, de wisseling van dag en nacht, hoe meer de overtuiging onze gedachte in beslag neemt dat dit enorme universum niets bevat waarmee wij niet op een of andere manier ons voordeel kunnen opdoen.
De overtuiging, U heeft dit niet vergeefs geschapen, vormt het fundament van elke wetenschappelijke vooruitgang. Indien wij verzuimen enig nut uit een ding te ontlenen, dan is dat te wijten aan onze eigen gebrek aan kennis. Een ding op zich is niet verstoken van een of ander goed voor de mensheid. De mens wordt dus aangemoedigd onderzoek te plegen in de wereld van de natuur, kennis van haar wetten te vergaren, en hij zal erachter komen dat er niets bestaat wat niet van een of ander nut voor hem kan zijn. Het fenomenale succes dat de moderne wetenschappelijke beschaving heeft geboekt in het ontginnen van de natuur is uitsluitend te danken aan het geloof in de bruikbaarheid van elk geschapen ding, zoals dit gedeelte van het vers op het hart drukt. Maar de heilige koran kan geen genoegen nemen met het activeren van de mens tot materiële progressie wanneer bepaalde onwenselijke gevolgen die onvermijdelijk in het spoor daarvan volgen, worden genegeerd. Verblind door de schittering en pracht van materiële prestaties is men geneigd ze als zaligmakend te
beschouwen, daarbij God vergetende Die de bron is van al die zegeningen. Door zo een materialistische wending te nemen, neigt het menselijk hart te vervallen tot dierlijkheid, waarin kwaden zoals hebzucht en wellust binnensluipen. De Westerse goddeloze beschaving van vandaag, met haar zucht naar zelfexpansie waaruit plundering, bloedvergieten, brandstichting en duizend en één andere narigheden voortvloeien, is een concreet voorbeeld van zo’n eenzijdige progressie. De heilige koran, die uit een Alwijze bron is voortgekomen, heeft de mens terecht van tevoren gewaarschuwd in het afsluitende deel van het vers, Red ons derhalve van de kastijding van het vuur!, opdat hij op het uur van zijn glorie en geluk zijn Schepper niet uit het oog verliest en daardoor zijn eigen verrichtingen verandert in een echte hel.
De mens leeft niet alleen van brood. Het maakt slechts een deel uit van zijn functie om, zoals reeds is behandeld, de heerschappij over de natuur te verkrijgen. Hij heeft een hoger doel te vervullen. Hij moet zijn morele en geestelijke evolutie doorgronden via zijn doen en laten tegenover zijn medemens en zijn Schepper. Aan de ene is hij verschuldigd hem gelijkwaardig te behandelen, en aan de andere zich aan Hem met blijmoedige overgave te onderwerpen. Dit is een gebied waar het menselijk verstand op zich niet geschikt genoeg is om een fatsoenlijke gedragswijze te garanderen. De plichten van de mens tegenover de mens en God brengen ingewikkelde zaken met zich mee die te subtiel zijn voor het hulpeloze menselijke verstand. Bovendien zal een verstandelijke fout in deze sfeer uitmonden in een schending van de rechten van de mens of van God. Vandaar de absolute noodzaak van een rechtstreekse leiding van God om de zwakheden van de rede te compenseren. Net zoals een telescoop of een microscoop het blote oog helpt datgene waar te nemen wat anders te ver afgelegen of te klein zou zijn, op gelijke wijze komt de Goddelijke openbaring de menselijke rede te hulp om de mens in te lichten omtrent de wetten die zijn relatie tot de mens en tot God dienen te reguleren. De aldus geopenbaarde wetten staan bekend als een Goddelijk Boek of een Religieuze Code. In gehoorzaamheid aan deze wetten kan de mens zijn functies uitoefenen en het hoogste goed van zijn leven bereiken. Vroomheid en zonde zijn slechts andere namen voor de naleving of overtreding van deze wetten. De heilige koran heeft grote nadruk gelegd op gehoorzaamheid aan deze wetten, hetgeen bevorderlijk is voor de vreugde en gemoedsrust van de mens. Schending daarvan wekt mentale leed op. Wetten die betrekking hebben op de intermenselijke relaties worden in het volgende vers opgesomd:
Waarlijk, Allah beveelt jullie het uitoefenen van rechtvaardigheid en het doen van het goede (tegenover anderen) en het geven aan de verwanten. En Hij verbiedt onzedelijkheid en kwaad en opstandigheid; Hij vermaant jullie, opdat jullie indachtig zullen zijn. (16:90)
`Adl bestaat uit het geven aan een ieder die het toekomt. Ihsān verlangt het doen van het goede, zelfs in geval wanneer die het niet verdient. Ītā’i dhi-l-qurbā beveelt goedheid tegenover anderen, die net zo spontaan en hartelijk is als in het geval bij bloedverwanten. Net zoals een moeder van haar kind houdt en naar hem omkijkt uit pure moederlijke liefde, zo wenst ook Allah dat wij mededogen voor onze medemens tonen, zonder rekening te houden met beloning of dankbaarheid. Dit zijn de positieve deugden die zijn aangeduid om in praktijk te brengen. Daarna komen de zonden die moeten worden vermeden: fahshā of
duidelijk kwaad: dit omvat kwaden die iemand verricht simpelweg om zijn lage vleselijke lusten te bevredigen, waarbij de invloed daarvan beperkt blijft tot de pleger zelf. Munkar is het kwaad, welke invloed zich tot anderen uitstrekt en gepaard gaat met het inbreuk maken op iemands rechten. Baghy is het kwaad dat leidt tot een schadelijke invloed op het regeren van een land.
In één enkel vers heeft de heilige koran boekdelen van ethische code samengeperst. Wat iemand wel en niet dient te doen in relatie tot zijn medemens is op prachtige en bondige wijze vastgelegd. De verschillende vormen van kwaad, beginnend bij dat welke in zijn invloed beperkt blijft tot de individuele pleger zelf, en geleidelijk aan opklimmende tot de schending van de rechten van anderen en zijn toppunt bereikende in het verstoren van de vrede in een land, put de gehele scala van menselijke wandaden uit. Onthouding van het kwaad valt in zijn gunstigste geval onder de kop van Negatieve Deugden. De morele vorming van de mens, wat het enige doel is van de islam, kan niet door zulke halve maatregelen bereikt worden. In dezelfde adem is er daarom een code voor Positieve Deugden aangegeven. Het respecteren van de rechten van anderen is het minimum; we moeten liefdadig tegenover anderen zijn, zonder rekening te houden met een beloning in welke vorm dan ook. Maar zelfs daar blijft het niet bij. We moeten opstijgen tot het niveau waar liefdadigheid en goedheid tegenover anderen de eigenschap van een spontane uitvloeiing uit het hart zal verkrijgen. Laat het niet aan het kritische oog ontsnappen dat het hele proces van de menselijke verheffing vanuit een zelfzuchtige dierlijke fase op zo’n accurate wijze is gekenmerkt door datgene wat men de verschillende fasen van morele evolutie kan noemen. De trapsgewijze rangschikking van het laagste punt, onhouding van zichzelf schade aandoen, tot de hoogste sport, spontane liefdadigheid, is zo natuurgetrouw. Stap voor stap wordt het morele kind geleid van fase tot fase, hier vallende, daar struikelende; echter toch elke keer, dag voor dag, kracht opdoende om hoger en hoger op te klimmen totdat hij het toppunt van morele glorie bereikt. Egoïsme wordt verdrongen door een altruïsme van de hoogste orde.
Maar de islam heeft een onophoudelijke, een oneindige progressie voor de mens in petto. Het is niets dan een nederige vlucht van de menselijke ziel om de gevangenis van zijn eigen ik open te breken en zich te bewegen in de sfeer van de hele mensheid. De eigen ik verliezen in de mensheid is slechts een springplank naar weer een hoger niveau. Uit de as van de liefde voor de mensheid moet de liefde voor het Goddelijke opstijgen, moet de eigen ik samensmelten met God. Dit is het gouden tijdperk dat de islam biedt – vereniging met de Schepper. Aldus zegt de heilige koran:
Zeg: mijn gebed, mijn offer, mijn leven, mijn dood, is voor Allah, de Heer der Werelden. Niets is er aan Hem gelijk. Dit is mij bevolen en ik ben de eerste om mij te onderwerpen. (6:163-164)
Goddelijke liefde moet nu de drijfveer van de menselijke gedragswijze worden. Alle andere motieven, hoe nobel die op zichzelf ook zijn, moeten wegzinken in het niets voor deze alles absorberende hartstocht van Goddelijke liefde. In dit stadium zal de mens aan niemand anders trouw verschuldigd zijn, dan aan de Schepper van het oneindige universum. Hem
alleen zal hij aanbidden. Welk offer hij ook brengt, het moet uisluitend ten doel hebben Zijn gunsten voor zich te winnen. Gedurende de hele loop van zijn leven, met al zijn ups and downs, moet Goddelijke Liefde het ene en enige leidende beginsel zijn. Wat er ook gebeurt in het leven, of het geluk hem nu toelacht of zich van hem afwendt, in regen of zonneschijn, Goddelijke Liefde moet het grondbeginsel van zijn leven zijn. Een koning of een onderdaan, een boer of een prins, in welke fase van het leven dan ook, hoog of laag, Goddelijke Liefde moet het leidmotief van elk onderdeel van zijn gedrag zijn.
De Universele Koesteraar van alles, de Schepper van het Universum, dient het enige doel van zijn leven te zijn. Geen enkele lotsverandering in het leven, noch zon noch regen, mag hem de lust ontnemen dit ene doel na te streven. Dit is het ultieme doel waarvoor de mens volgens de islam is bestemd. Met andere woorden, dit is de taqdīr of vooraf bepaalde maat van de mens.
De zegeningen van tegenspoed.
En Wij zullen jullie zeker beproeven door iets van vrees en honger en verlies van bezittingen en levens en vruchten; en geef blijde tijdingen aan de geduldigen.
Die, wanneer hun een tegenslag overkomt, zeggen: Waarlijk, wij behoren Allah toe, en naar Hem zullen wij zeker terugkeren.
Deze zijn degenen over wie zegeningen en genade van hun Heer zijn, en zij zijn de volgers van de rechte weg. (2:155-157)
Een oppervlakkige criticus van de leerstelling van taqdīr kan, om de theorie van fatalisme te verdedigen, het punt naar voren brengen, waarom al deze hartverscheurende taferelen van menselijk lijden indien die niet te wijten zijn aan een of andere voorbeschikte absolute noodwendigheid? Dood, ziekte, droogte, brand, hongerdood, jammerende weduwen en wezen, kreunende naakte berooide bedelaars, en nog een zeer grote scala hiervan die zich in het lichaam of de geest van de mens binnenvreet. Er is geen individu, man of vrouw, hoog of laag, die geen eigen droeve verhaal heeft. Er is geen vreugde, of er kleeft wel een donkere rand van leed en verdriet aan. En kijk hoe het afwijkt! Een hulpeloze weduwe wordt beroofd van het weinige waarmee zij haar kostje bijeen moet scharrelen, en een schurk komt er ongestraft vanaf. Het is deze toestand van zaken die de fatalist ertoe gedreven heeft om elke gebeurtenis toe te schrijven aan een absolute noodwendigheid. En bijgevolg beziet zijn geestesgesteldheid de loop der gebeurtenissen met een cynische onverschilligheid. Het onvermijdelijke moet gebeuren ondanks menselijke inspanningen die daar tegenin gaan, waarbij zelfs de vastgestelde koers van oorzaak en gevolg teniet wordt gedaan. Via hetgeen hij waarneemt aan al het leed, dat voor hem onverklaarbaar is, komt hij tot de conclusie, die veel algemener is dan wat in eerste instantie hierboven is genoemd, dat elke gebeurtenis van leven van de mens onveranderlijk van tevoren is bezegeld, zodat het plegen van inspanningen om vreugde te bereiken en pijn te vermijden nutteloos is. Dat de islam deze ledige zienswijze wegwuift, is reeds voldoende over gezegd tijdens het behandelen van het ware begrip van taqdīr in de islam; wanneer we aankomen bij de Vrijheid van de Menselijke Wil, zullen we proberen meer licht op dit punt te werpen. Wat wij hier naar voren willen brengen is het
verschil in de concrete invloed die het heeft op een fatalist en een moslim. Vanuit hetzelfde verschijnsel, het ervaren van leed, komen zij tot conclusies die recht tegenover elkaar staan. Voor de fatalist vormen ze een teken van een grillige, boze en meedogenloze godheid. Voor de moslim dienen ze als een boodschap van nog een mooiere toekomst. Bij de een wekken ze een pessimistische gemoedstoestand op, bij de ander kweken ze een optimistische stemming. Ze doen de een ontaarden en de ander sublimeren.
De islam heeft tegenspoed geheiligd met een eigen gratie van zichzelf. Nee, het beschouwt die als de onmisbare grondslag van elke morele opbouw. Het vormt juist die stoffelijke benodigdheid om de latente vermogens van de menselijke geest in werking te laten treden, waarvoor anders geen mentale ontwikkeling mogelijk is. Een jonge plant kan een gigantische eik in potentiële vorm bevatten; maar de daadwerkelijke eik zal niet omhoogkomen tenzij het jonge plantje vele processen heeft doorlopen. Er moeten bepaalde externe omstandigheden zijn, anders zal het potentiële nooit het daadwerkelijke worden. Geschikte aarde, een geschikt klimaat, een goede bewatering en bemesting, en een vrij groot aantal van andere vereisten moeten ter beschikking zijn opdat de eik in wording omhoog zal komen tot wat hij is. Dit is precies zo het geval bij de verschillende deugden die verborgen liggen in de natuur van de mens, wachtende op de geschikte omstandigheden om naar buiten te treden. Een kluizenaar, bijvoorbeeld, kan nauwelijks opscheppen over deugden zoals kuisheid, mededogen, vrijgevigheid, enzovoort. Iemand die nog nooit in de hitte van een gevecht is geweest of de zwaarste aanvallen heeft getrotseerd, heeft op geen enkele wijze het recht op de trotse titel ‘moedig’. En in feite staat de grootheid van karakter van de mens in verhouding tot de situaties die worden ontmoet, de ontberingen die worden ondergaan, de obstakels die worden overwonnen, de verleidingen die worden weerstaan en de hartstochten die worden bedwongen. Het is deze les die de bovenstaande koranische verzen onderwijzen. Het Arabische woord ibtilā, vertaald als ‘beproeving’ in het Nederlands, betekent manifestatie van wat verborgen is.
De verschillende moeilijkheden die hierboven staan opgenoemd, hebben de bedoeling om de verschillende karaktereigenschappen van de mens naar boven te brengen. Deugden zoals geduld, incasseringsvermogen, overgave, trouw, kunnen slechts één voedingsbodem hebben, de voedingsboden van leed, ontberingen en tegenslagen. Het is dus voor de eigen bestwil van de mens zelf dat hij aan dergelijke beproevingen wordt blootgesteld. Indien ze manhaftig gedragen worden, dan komt men reiner, verhevener en sterker uit de vuurproef van moeilijkheden tevoorschijn.
In deze verzen wordt de moslim bevolen om onder ontberingen, hoe zwaar dan ook, blijmoedige overgave aan de wil van God ten toon te spreiden. Van God zijn wij gekomen, en naar God keren wij terug, moet een moslim onder alle omstandigheden zeggen. Dit zijn de woorden die een moslim nimmer verzuimt uit te spreken wanneer de dood van iemand hem ter ore komt. Wat een troost is dit onder omstandigheden waar de dappersten de moed verliezen! Het zal niet zonder belang zijn om terloops een vergelijking te maken met het gezegde, Van stof zijt u gemaakt en tot stof zult u wederkeren, hetgeen de hele christelijke kijk op het leven samenvat. De koran heeft echter een verhevener bestemming voor de mens:
Van God zijn wij gekomen, en naar God keren wij terug. Wat betreft degenen die onder slechte omstandigheden een onderworpen gemoedsgesteldheid bezitten, Over hen, zegt de heilige koran, zijn de zegeningen en de genade van God. Zo heeft de islam tegenspoed in zegeningen omgezet. Het heeft aan tegenslagen een diepere betekenis meegegeven. In de islam is een ramp een vermomde zegening. Doordrongen van de Goddelijke bedoeling van het hem opleggen van ontberingen, klopt het hart van een moslim met nog meer hoop, terwijl een fatalist nog dieper kan wegzinken in de moeras van moedeloosheid, en genoegen neemt met het beklagen van zijn lot. Van God zijn wij gekomen, en naar God keren wij terug, zijn de woorden die in tijden van ieder soort van verlies, pijn of rampen op de lippen van iedere moslim liggen. Zijn berusting is blijmoedig; nee, hem wordt zelfs bevolen om dankbaarheid te tonen voor wat hem ook moge overkomen. Bij de begrafenis van zijn vader zijn de allereerste woorden die de beroofde zoon uit: Alle lof komt God toe, de Koesteraar, de Onderhouder, de Ontwikkelaar van alles; want hij ziet die gebeurtenis als een middel van zijn eigen verheffing.
Tegenspoed is in de islam op generlei wijze onverenigbaar met de leerstelling van taqdīr, zoals het de fatalist wellicht voorkomt. Indien taqdīr een bepaald doel voor de mens heeft vastgesteld, dan plaveien tegenslagen de weg naar de verwezenlijking van dat doel.
Het zal niet misplaatst zijn om slechts de andere zijde van het menselijk leven te behandelen, met de bedoeling zijn verband met de leerstelling van taqdīr te tonen. Net zoals tegenslagen en rampen zovele mogelijkheden vormen voor het aan de dag leggen van de sluimerende deugden van de menselijke ziel, op dezelfde wijze vormen voorspoed, gemak en overvloed, die sommigen in dit leven ten deel vallen, ook middelen voor hetzelfde doel:
O gelovigen! Laten jullie rijkdom en jullie kinderen jullie God niet doen vergeten. (63:9)
Voorspoed en overvloed hebben wellicht een sterkere invloed om iemand van God te doen wegkeren dan tegenspoed. Deze sussen hem in een gevoel van zekerheid en kweken een gevoel van zelfgenoegzaamheid. Waarom moet hij zich tot God wenden? Of, blijft het niet hetzelfde, als hij deze zelfde zegeningen als hulpmiddel gebruikt om zich de rechten van anderen toe te eigenen en ze dus in een vloek voor zichzelf verandert?
En nogmaals:
Jullie bezittingen en jullie kinderen zijn slechts een beproeving, en Allah is het bij Wie er een grote beloning is. (64:15)
Het Arabische woord fitnah, hier vertaald als ‘beproeving’, betekent het proces van het purificeren van goud van elke slak die het kan bevatten door het in vuur te plaatsen. De bezittingen van de mens en zijn kinderen worden hier een vuurhaard genoemd om hem van zijn tekortkomingen te zuiveren. De liefde voor een van de twee kan in de weg staan van het gevolg geven aan de roep van zijn hogere natuur. In het opofferen hiervan aan het altaar van de Goddelijke Wil, ligt het geheim van zijn zelfverheffing. Maar wat voor pijn het doet om
van een van de twee afstand te doen, wordt algemeen ervaren. Wat betreft deze pijn is die de ware vuurhaard om hetzij de liefde voor kinderen hetzij voor rijkdom aan de kant te schuiven. Maar dit is in feite juist de poort die de mens moet passeren teneinde zijn hogere ik te verwezenlijken. Dit is zo, zodat zijn karakter gezuiverd wordt van de verontreinigingen van lage, onzuivere gehechtheden.
Het is dus duidelijk dat voorspoed en overvloed net zozeer middelen zijn voor zelfontplooiing als tegenspoed. Ze zijn niets anders dan louter mogelijkheden voor de manifestatie van de verschillende kwaliteiten van de menselijke ziel, die anders verborgen zouden blijven. Het maakt daarom geen substantieel verschil, in zoverre het de menselijke taqdīr of zijn hoogste goed betreft, of de mens via de ene kant van de medaille of via de andere wordt verheven, want beide zijn uitsluitend bedoeld voor de religieuze vorming van de mens. Ieder mens ondergaat in dit leven een proces van beproevingen. Het is zonder twijfel van vitaal belang dat hij zich op prijzenswaardige wijze van zijn taak kwijt. Maar het doet er weinig toe met welk soort van beproeving hij wordt getest. Indien bijvoorbeeld een kind getraind zou worden in de vaardigheid van het tellen, dan zal het geen verschil uitmaken of hij nu steentjes of guldens telt om zich in het proces te oefenen. Hij hoeft maar goed te worden in tellen, zelfs al is het via steentjes, en meteen schiet hij vooruit, terwijl zijn klasgenoten, die gouden daalders hebben om mee te werken maar slecht zijn in tellen, achter moeten blijven.
De islam ziet dus voorspoed en tegenspoed als middelen voor een gemeenschappelijk doel – zelfverheffing. Of ze uiteindelijk blijken de mens werkelijk ten goede te komen of ten nadele, hangt uitsluitend af van op welke wijze hij zich van zijn taak zal kwijten onder deze omstandigheden. De mens is de onbetwiste meester van zijn eigen lot, waarbij de voorbijgaande wisselvalligheden van het leven slechts het materiaal verschaffen waarmee hij zijn eigen bestemming moet zien te doorgronden. Voorspoed en tegenspoed bevatten op zich geen goed of kwaad. Maar door een ironie van het lot echter worden de middelen, om het simpel uit te drukken, verkeerdelijk aangezien voor het doel.
Vrijheid van wil.
Of de mens absoluut vrij is om te kiezen tussen goed en kwaad, is het hoofdpunt waarvan het hele vraagstuk afhangt. Een psycholoog zal zijn eigen gedachten hebben of de menselijke wil wel of niet beïnvloed wordt door externe en interne omstandigheden zoals erfelijkheid, leefomgeving, opleiding, lichamelijke gezondheid, enzovoort. Wij zijn in deze bespreking niet geïnteresseerd in de juistheid of onjuistheid van zijn conclusies. Waar we ons van willen vergewissen is het oordeel van de islam op dit punt. De heilige koran heeft dit zeer belangrijke probleem niet onaangeroerd gelaten. Het verklaart op stellige wijze het onbetwistbare recht van de mens om een keuze tussen goed en kwaad te maken. Keer op keer wordt het punt benadrukt om de mens dat begrip aan het verstand te brengen, opdat hij niet zijn eigen verantwoordelijkheid voor zijn gedrag zal vergeten. In feite leiden alle ethische punten van de koran in deze richting:
Zeg: de Waarheid is van uw Heer. Laat hem die wil, geloven, en laat hem die wil niet geloven. (18:29)
God heeft simpelweg de rechte weg aangeduid. Of die wel of niet zal worden gevolgd, wordt aan de mens overgelaten om te kiezen. Hij onthoudt Zich van enige tussenkomst in de vrije keuze van de mens. Nogmaals:
Waarlijk, Wij hebben hem (de mens) het (rechte) pad gewezen; hij moge dankbaar zijn of ondankbaar. (76:3)
Er wordt van de kant van God geen dwang op de mens gelegd om deze of die koers te nemen. En weer:
Waarlijk, dit is een herinnering voor de mensen; voor degenen onder jullie die de rechte weg wensen te nemen. (73:19)
Ook hier wordt de mens met rust gelaten wat betreft het uitkiezen. En verder:
Het is aan God om sterke bewijzen te verschaffen, en indien Hij Zijn wens had toegestaan (de mens te beïnvloeden), dan zou Hij allen geleid hebben. (16:9)
De ontkenning van interventie kan niet in duidelijkere termen worden gesteld. Indien Hij zo tevreden was dat Hij de mens Zijn eigen wil zou opdringen, dan zou hij niet een enkele laten dwalen. In dezelfde strekking zegt de heilige koran:
Indien God de dingen uit Zijn Eigen wil had bepaald, dan zou Hij alle mensen tot één religieuze natie hebben gemaakt. (42:8)
Dat wil zeggen, Hij zou de hele mensheid op hetzelfde pad hebben gebracht, het pad van rechtschapenheid. Maar Hij heeft het zodanig bepaald dat Hij op geen enkele wijze enige druk op de mens legt om hem naar deze of die weg te doen neigen. Hij moet uit zichzelf zijn eigen schip besturen, hetzij naar een veilige haven, hetzij tegen een verwoestende rots.
Het zal niet misplaatst zijn om in dit verband op enkele misverstanden te wijzen die rechtstreeks in verband staan met het onderhavige vraagstuk, die louter rijzen uit onwetendheid omtrent de werkelijke betekenis van bepaalde uitdrukkingen in de heilige koran. Bijvoorbeeld in het vers:
Hij (God) doet daarmee (met de heilige koran) velen dwalen, en leidt daarmee velen. (2:26)
Men beweert op grond van zulke uitspraken dat God opzettelijk sommigen leidt en sommigen misleid. God wordt, met andere woorden, verantwoordelijk gehouden voor het handelen van de mens. De bedenkers van deze laster tegen de islam moeten in gedachten houden dat de heilige koran, die claimt een leiding voor de hele wereld te zijn, niet in dezelfde adem een
verklaring kan verkondigen die helemaal tegengesteld daaraan is. Hoe kan het als een leiding van het hele menselijke ras dienen wanneer men die neemt in de betekenis dat het beoogt velen te misleiden? Het kan niet tegelijkertijd mensen leiden en misleiden. Er zijn geen tegenstrijdigheden in het woord van God. De fout ligt bij de oppervlakkige kennis van de uitlegger. Het vers betreurt simpelweg dat de heilige koran, die bedoeld was voor de leiding van de mensen, door sommigen tot een mogelijkheid werd gemaakt om te dwalen. Merk op dat de koran geen rol speelt in een doeltreffende oorzaak om bepaalde mensen te misleiden, maar dat zij zelf die tot een mogelijkheid voor zichzelf maakten om verkeerd te doen. Zulke constructies komen niet zelden voor in de heilige koran zelf. De woorden in de mond van de profeet Noach gelegd, Mijn prediking heeft hen slechts nog meer doen vluchten (71:6), illustreren dit punt ruimschoots. Het is duidelijk genoeg dat Noachs prediking, die voor hun bestwil was bedoeld, niet de oorzaak kon zijn geweest van hun apathie; het werd slechts een mogelijkheid om zich af te wenden. Noch predikte tot hen met de bedoeling hen naar zijn eigen wegen te leiden. Uit halsstarrigheid en vooringenomenheid hielden zijn echter hun oren doof voor zijn vermaningen. In plaats van dat zij dus overstag gingen tot het pad van de waarheid, groeide hun afkeer. De prediking van Noach is op geen enkele wijze verantwoordelijk voor hun houding. Op dezelfde wijze kan men niet van de heilige koran zeggen, waarbij een getuigenis die daaraan tegengesteld is wordt genegeerd, dat het mensen heeft misleid. Een ander vers dat er dikwijls wordt uitgelicht voor vijandige kritiek, loopt als volgt:
Waarlijk, degenen die niet geloven, het is hun gelijk of u hen waarschuwt of niet waarschuwt, zijn zullen niet geloven.
Allah heeft een zegel over hun harten geplaatst en over hun gehoor, en er is een bedekking over hun ogen, en er is een zware kastijding voor hen. (2:6,7)
De strekking van dit vers wordt verkeerd geïnterpreteerd, wat hierop neerkomt: omdat God een zegel over hun harten en hun gehoor heeft geplaatst, is het daarom nutteloos voor u om hen te waarschuwen. Er wordt vervolgens beweerd dat God Zelf hen van deze vermogens heeft beroofd. Waarom? Om hen verantwoordelijk te houden wanneer zij niet naar de roep van de Waarheid luisteren. Dit is wederom een geval van verkeerde interpretatie. De ware strekking van de verzen wijzen op de erkende natuurwet, dat wanneer een lichamelijke vermogen zijn functie tijdelijk mocht staken, dat het niet lang duren dat het helemaal wegkwijnt. Wanneer bijvoorbeeld de hand niet meer wordt gebruikt, en er zijn geen weinig hindoe asceten die zich aan deze vorm van gestrengheid overgeven, dan zal de ledemaat beslist al zijn vitaliteit verliezen, en geen enkele mate van verzorging zal die nog enig goed doen. Precies hetzelfde is het geval bij elk ander vermogen – lichamelijk, mentaal of moreel. Wanneer het hart, het oog of het oor niet regelmatig worden gebruikt, dan zullen die langzamerhand hun geschiktheid verliezen om hun juiste functie uit te oefenen. Dit is het wat het vers zegt. Indien we te maken hebben met ongelovigen die al besloten hebben om helemaal niet naar u te luisteren, dan zullen zij volgens de natuurwet beroofd worden van hun vermogens van het hoofd en het hart. Het is hun eigen verwaarlozing die het verlies van hun mentale vermogens heeft veroorzaakt. Waarom dient de schuld bij het Goddelijke Wezen te worden gelegd? Het is onjuist om hier en daar een vers uit te lichten, daarop en verkeerde
interpretatie toe te passen, en dan de overhaaste gevolgtrekking maken dat de God van de islam de mens Zijn wil oplegt.
Een ander veel voorkomende bedenking tegen de vrijheid van de menselijke wil wordt als volgt naar voren gebracht: God weet van tevoren alle gebeurtenissen op de wereld, alsook wie goed zal doen en wie slecht, wat de een zal overkomen en wat de ander. Daar Gods kennis volmaakt is, moet alles onvermijdelijk dienovereenkomstig gebeuren. Waar is dan de ruimte van een vrije keus van de mens tussen goed en kwaad? Zo’n bedenking spruit voort uit onwetendheid omtrent de Goddelijke attributen. Het is de waarheid als een koe dat een gebeurtenis de kennis verschaft van die gebeurtenis, en niet andersom. Met andere woorden, kennis is het gevolg en niet de oorzaak van een gebeurtenis. Ter illustratie van dit punt, het is pas wanneer Piet Klaas heeft vermoord dat een derde persoon, Sandra, kennis verkrijgt van de moord. Het is ondenkbaar dat Sandra kennis had van de moord, als die niet daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Het is belachelijk te denken dat de kennis van de kant van Sandra Piet heeft genoopt om te vermoorden. In dit geval is het Sandra, wiens kennis Piet heeft gedwongen, die aan de strop zal moeten worden geknoopt. Het is duidelijk dat kennis niet de oorzaak van een gebeurtenis kan zijn, maar het gevolg daarvan. Nu wordt de kennis van God, anders dan bij de mens, niet door de tijd begrensd. Het omvat net zozeer de toekomst al het heden en het verleden. Hij bevindt Zich voorbij de menselijke begrenzingen van tijd en ruimte. Wat het verleden of toekomst is in het menselijke bereik, is het heden voor Hem. Net zoals de mens over een gebeurtenis in het verleden te weten kan komen, zo kan Hij ook van een toekomstige gebeurtenis kennis hebben. Met het blijft een feit dat kennis het resultaat van een gebeurtenis is, zowel bij God als bij de mens. Maar we hebben laten zien dat men op geen enkele wijze kan zeggen dat kennis de oorzaak van de gebeurtenis kan zijn. Het zou een grappige verdraaiing van de natuurlijke orde der dingen zijn. Men kan daarom niet zeggen dat de kennis van God het optreden van de gebeurtenis heeft veroorzaakt; want kennis komt voort uit het optreden. Hoewel de gebeurtenis vanuit het gezichtspunt van de mens in het verleden plaatsvindt, is het voor Hem als het heden. De heilige koran spreekt zeer passend over de kennis van God via de metafoor van het boek. Een boek houdt alle kennis die daarin is vervat op een en hetzelfde moment vast. Het is de lezer bij wie het besef van verleden, heden en toekomst naar boven komt. Het gedeelte van het boek dat hij gelezen heeft, is voor hem als het verleden, en dat welke hij nog moet bestuderen als de toekomst. Maar het dient duidelijk te zijn dat het boek zelf boven dergelijke beschouwingen staat. Alle kennis die het bevat is als een huidige kennis daarvoor. Op dezelfde wijze is de kennis van God alomvattend, ongeacht het verleden, heden of toekomst. Hij bevat dit alles op een en hetzelfde moment. Net als de lezer van het boek zijn de begrenzingen van verleden, heden of toekomst slechts in relatie tot de mens bevatbaar. Aan God wordt Alwetendheid toegeschreven. Alle gebeurtenissen zijn zodanig alsof die nu recht voor Zijn ogen staan. Zijn kennis is dus net zozeer het product van de gebeurtenissen als dat van de mens. Het is derhalve absurd te beweren dat Zijn kennis op enigerlei wijze verantwoordelijk is voor de verschillende gebeurtenissen in het leven. Zijn kennis oefent, net als bij de mens, geen dwang uit om de gebeurtenis teweeg te brengen, die voor Hem reeds daar aanwezig is. De mens zelf is verantwoordelijk voor zijn daden; de Goddelijke kennis mengt zich niet in met zijn alleenrecht om zijn wil uit te voeren hoe hij wil.
Conclusie.
Samenvattend komt het concept van taqdīr in de islam hier op neer. God heeft elk ding volgens een specifieke maat geschapen, die bepaald is door de functie die het ding bedoeld is te verrichten. Bijgevolg heeft het aangepaste vermogens gekregen alsook de capaciteit om bepaalde wetten in acht te nemen, waardoor het via gehoorzaamheid daaraan zijn beoogde doel kan bereiken. Daar het hele universum één enkel doel te vervullen heeft, is het essentieel dat de samenstellende onderdelen verschillen met betrekking tot hun respectieve functies teneinde nuttig ten opzichte van elkaar te zijn. De mens, die part en deel uitmaakt van het universum, moet daarom zijn eigen positie in dit systeem hebben, zijn eigen vermogens, zijn eigen capaciteiten, zijn eigen na te streven doeleinden, en zijn eigen te vervullen plichten. Om meer licht te vinden aangaande de verschillende zaken die hem raken, wenden we ons tot de bladzijden van de heilige koran en zien we dat de mens in relatie tot de rest van het universum de positie van opperheerser inneemt. Hij dient die te onderwerpen en die dienstbaar voor hem te maken. Wat betreft de intermenselijke relaties zorgt het heilige koran voor een gemeenschappelijk platform voor iedereen, de hogen en de lagen. Universele broederschap van de mens, ongeacht kaste, huidskleur of geografische afkomst, onder de gemeenschappelijke Voorzienigheid van Allah, de Schepper, de Onderhouder en de Ontwikkelaar van alles, is de regel die de relaties van de mens tot de mens reguleert. Alleen God dient het onderwerp van het streven van de mens te zijn, onder alle omstandigheden. Hij is in staat om oneindige progressie te boeken en om de vereniging met zijn Schepper te bereiken. Hij is uitgerust met de vereiste middelen om deze plichten te vervullen. Het universum, dat bestemd is om dienstbaar te zijn voor zijn welzijn, kan hij met behulp van zijn verstand controleren en zich ten nutte maken. Maar teneinde hem in staat te stellen zich goed van zijn taak te kwijten in subtielere situaties, nl. zijn relaties tot zijn medemens en tot zijn Schepper, is zijn verstand, dat niet feilloos is, aangevuld met Goddelijk licht. De openbaring stelt hem op de hoogte omtrent de wetten, waardoor hij via gehoorzaamheid daaraan het hoogste goed van zijn leven kan bereiken, nl. de vereniging met zijn Schepper. De verschillende wisselvalligheden van het leven, zijn vreugde en pijn, zijn voorspoed en tegenspoed, zijn louter mogelijkheden om de verborgen deugden in werking te laten treden en daardoor hun ontwikkeling te effectueren. Belast met een vastgesteld doel te vervullen, begiftigd met specifieke vermogens en capaciteiten die beantwoorden aan zijn beoogde doel, en verschaft met de noodzakelijke leiding, wordt hij overgelaten zijn eigen morele vorming voor elkaar te krijgen. Daarna is er geen Goddelijke bemoeienis meer bij hem met betrekking tot de keuze tussen goed en kwaad. Door hem vrijheid van wil toe te staan, legt de heilige koran de mens dus verantwoordelijkheid op die dient om hen aan te sporen uit zichzelf inspanningen te plegen.
De islamitische taqdīr, die vrijheid van menselijke wil erkent, prent in de mens een gevoel van verantwoordelijkheid en toerekenbaarheid, en geeft aldus een impuls tot de ontwikkeling van een beschaving van het juiste soort. De islamitische taqdīr maakt van de mens de heer van het universum, die de natuurkrachten controleert en die dienstbaar maakt voor de mensheid en daarmee het welzijn in het algemeen bevordert. De islamitische taqdīr brengt
het paradijs tot de drempel van de mens door goedwilligheid en broederlijke genegenheid tussen de mensen te scheppen.
Bovenal verheft de islamitische taqdīr de mens van een egocentrische wilde tot geestelijke hoogten, waar hij zichzelf verliest in de dienstbaarheid aan de mensheid en aan de Heer, zijn Schepper. Hij wordt meegesleept naar de hemelse regionen waar er noch sneeuw noch storm is, waar de rechtschapenen diep drinken uit de koele fontein van Goddelijke liefde, zich koesterende in het zonlicht van Goddelijke gelukzaligheid.
Vertaald door Reza Ghafoerkhan
Uitgave: Stichting Ahmadiyya Isha’at-i Islam (Lahore)
