Laatste verzen van Soera al-Baqara (1)

Vrijdag choetbah van dr. Zahid Aziz, voor Lahore Ahmadiyya UK, 4 maart 2022 ‘Aan Allah behoort al wat er in de hemelen en wat er op aarde is. En of jullie naar buitenbrengen wat in jullie gedachten is, of het verbergen, Allah zal jullie in overeenstemmingdaarmee ter verantwoording roepen. Dan vergeeft Hij wie het Hem […]

Vrijdag choetbah van dr. Zahid Aziz, voor Lahore Ahmadiyya UK, 4 maart 2022

‘Aan Allah behoort al wat er in de hemelen en wat er op aarde is. En of jullie naar buiten
brengen wat in jullie gedachten is, of het verbergen, Allah zal jullie in overeenstemming
daarmee ter verantwoording roepen. Dan vergeeft Hij wie het Hem behaagt en straft Hij wie
het Hem behaagt. En Allah is de Bezitter van macht over alle dingen.’ – 2:284

In de vorige drie choetbahs over het onderwerp van de oorzaken van islamofobie, vertelde ik
dat bepaalde schrijvers uit christelijke hoek een bepaalde visie van de islam naar voren brengen.
Ze zeggen dat toen profeet Mohammed (v.z.m.h.) zijn boodschap predikte in Mekka, vóór de
hidjra, toen deed hij dat oprecht zonder enige wereldse motieven, en met de beste morele
karaktereigenschappen. Maar zodra hij in Medina aankwam na de hidjra, kreeg hij wereldse
ambities om een heerser en veroveraar te worden, en wilde hij de religie gebruiken om zijn
eigen persoonlijke verlangens te bevredigen. Ze beweren dat hij, toen hij naar Medina
verhuisde, van een vervolgde en nederige prediker in Mekka veranderde in een meedogenloze
en wrede heerser voor zover het de behandeling van niet-moslims betrof.

De openingszin van het bovenstaande vers is toepasselijk als antwoord op deze beschuldiging.
Er staat dat Allah zowel leiding geeft voor onze spirituele vooruitgang als voor ons fysieke,
aardse leven: ‘aan Allah behoort al wat in de hemelen en wat op aarde is’. Over het algemeen
denken mensen dat het doel van een religie is om hen te laten zien hoe ze de hemel kunnen
binnengaan, hoe ze door gebed, vasten, liefdadigheid enzovoort dichter tot God kunnen komen.
Hoe ze goede eigenschappen op individueel niveau kunnen tonen en spirituele ervaringen
kunnen hebben. Ze denken dat zij dan na de dood in de hemel bij God komen. Ze houden
aangelegenheden met betrekking tot de natie en de gemeenschap buiten het bereik van de
religie, zoals de rechtspraak, het besturen van de economie en de staat, oorlog en vrede etc. Ze
behandelen al deze zaken als wereldse of aardse zaken.

De critici van de islam, die ik hierboven noemde, hebben profeet Jezus (v.z.m.h.) als hun grote
voorbeeld. Zolang profeet Mohammed in Mekka verbleef met omstandigheden die
vergelijkbaar waren met die waar Jezus tijdens zijn hele prediking mee te maken had,
accepteren de critici zijn oprechtheid. Jezus hoefde echter niet de omstandigheden onder ogen
te zien die de Profeet onder ogen zag in Medina. In Medina werden hij en zijn volgelingen
namelijk een zelfbesturende gemeenschap. Bovendien werden er oorlogen tegen hen gevoerd
door hun tegenstanders. Jezus heeft zelf geen voorbeeld gegeven met betrekking tot dergelijke
situaties, zodat christenen naar dat voorbeeld kunnen kijken en profeet Mohammed aan de hand
daarvan kunnen beoordelen.

Het enige voorbeeld in de bijbel van een door God gestichte gemeenschap die een
georganiseerde staat had met eigen wetten, en die betrekkingen hadden met andere naties, en in
oorlog en vrede leefde met hen, is dat van de Israëlieten. Dat begon bij profeet Mozes en duurde
tot profeten David en Salomo (v.z.m.h. allen). Maar zij konden hun rechtssysteem, gebaseerd
op de leer van Mozes, niet permanent of universeel toepassen, vooral omdat het zo wreed was
tegen andere volken. Christelijke samenlevingen begonnen daarom te geloven dat zulke
wereldse zaken niet gereguleerd kunnen worden door religieuze leringen en buiten het bereik
daarvan vallen. Ze denken dat de enige manier om deze zaken aan te pakken is om elke methode
dan ook, eerlijk of oneerlijk, en gewetenloze middelen te gebruiken voor je eigenbelang, want
zo werkt de wereld.

De koran spreekt dit tegen door te zeggen dat of het nu gaat om zaken die verband houden met
de volgende wereld of met deze wereld, Allah heeft voorzien in leiding en morele waarden voor
beide. Ik zal nu refereren aan enkele woorden uit het beroemde Onze Vader gebed van de
christenen, dat in het christelijke geloof net zo belangrijk is als Soe¯ ra al-Fātiḥa in de islam.
Jezus zelf heeft het Onze Vader onderwezen. Het richt zich tot God met onder andere de
volgende twee zinnen: ‘Uw koninkrijk kome. Uw wil geschiede, zowel op aarde als in de
hemel.’ In dit gebed hoopt de persoon die bidt op de komst van Gods koninkrijk. En wanneer
dat koninkrijk komt, dan zal Gods wil op aarde ten uitvoer worden gebracht alsook in de hemel.
Dit is, denk ik, hetzelfde als de openingswoorden van het vers van de koran dat ik behandel:
‘aan Allah behoort al wat in de hemelen en wat op aarde is.’ Op aarde heeft de mens de
mogelijkheid om tegen Allahs wil in te gaan. Je kunt zeggen dat in het volgende leven alleen
Allahs wil geldt heeft en dat de mens daar niets tegenin kan brengen. Zelfs op aarde, als het
gaat om de natuurverschijnselen die we om ons heen zien, zoals het weer, de zeeën, de zon en
de maan, is het Allahs wil die geldt. Maar mensen stellen in hun omgang met elkaar hun
eigenbelang boven alles en ze gebruiken allerlei methoden, zoals bedrog, leugens, het toeeigenen van andermans rechten, enzovoort om te bemachtigen wat ze willen. Ze geloven in feite dat er geen andere manier is om op de wereld in materieel opzicht te slagen, behalve door zulke gewetenloze methoden. Maar de koran kwam met een leer die laat zien hoe Allahs wil op
aarde kan geschieden, hoe er bij zakelijke transacties, politiek, internationale betrekkingen, een
moreel kader kan zijn om in te werken.

Men kan ook op andere manieren naar de woorden: ‘aan Allah behoort al wat in de hemelen en
wat op aarde is.’ Er zijn enkele religies, en ook bewegingen binnen religies, die spirituele
oefeningen als het allerbelangrijkste beschouwen en vinden dat dat alles is wat je hoeft te doen.
Ze houden zich, buiten hun spirituele oefeningen, met niets anders op de wereld bezig. Er zijn
bijvoorbeeld moslimbewegingen, die ook bestonden voor en ten tijde van hazrat Mirza Ghulam
Ahmad, die leren dat het enige wat een moslim hoeft te doen is het gedenken van Allah en het
reciteren van verschillende voorgeschreven woorden en het uitvoeren van verschillende
rituelen. Deze zouden een moslim dichter bij Allah brengen. In de tijd van de stichter van de
Ahmadiyya Beweging, toen de islam zwaar werd bekritiseerd door bepaalde religies en
tegelijkertijd moderne gedachten het geloof van moslims in hun religie verzwakten, hadden
deze spirituele bewegingen geen interesse om deze externe uitdagingen het hoofd te bieden. Ze
wilden dat moslims afgezonderd zouden blijven van de denkbeelden die op de wereld
ontstonden. Aan de andere kant waren er moslimgroepen die de religieuze praktijken van de
islam onderwaardeerden en geloofden dat moslims om vooruitgang te boeken de moderne
westerse beschaving moesten volgen en kopiëren. De ene kant hield zich alleen bezig met de
hemel en de andere kant alleen met de aarde. Maar Allah zegt hier dat beide Hem toebehoren.
Moslims zouden zich dus met beide moeten bezighouden.

Het vers gaat verder met te zeggen: ‘en of jullie naar buiten brengen wat in jullie gedachten
(anfoes) is, of het verbergen, Allah zal jullie in overeenstemming daarmee ter verantwoording
roepen.’ Het woord dat hier met gedachten is vertaald, is hetzelfde woord dat ziel of innerlijk
betekent, namelijk anfoes, ‘zielen’. De hemelen en de aarde die in dit vers worden genoemd
zijn voor iedereen zichtbaar. Maar ‘wat in jullie gedachten’, of zielen is, is voor niemand anders
zichtbaar dan voor Allah. Wat zich in onze geest of ziel bevindt, kan naar buiten komen door
onze acties en daden, of het kan alleen in ons zelf blijven als gedachten of intenties. Hier staat
dat Allah een persoon beoordeelt op wat er in zijn innerlijk en gedachten is. Wanneer een
persoon een goede daad verricht, of het nu gebed, vasten, liefdadigheid of een goede daad
jegens andere mensen is, dan waardeert Allah dat door wat in zijn hart was. Over het algemeen
neemt men aan dat de religieuze praktijken van de islam, zoals bidden en vasten, alleen bedoeld
zijn als mechanische rituelen, zonder enig gevoel of aantrekkingskracht in iemands hart. Men
denkt dat een persoon deze praktijen aan de hele moslimgemeenschap moet tonen, om te laten
zien dat hij of zij ze inderdaad uitvoert. Maar dit vers spreekt zo’n denkbeeld tegen. Er staat dat
ongeacht je handeling nu open, kenbaar en zichtbaar voor anderen is, of dat die juist voor het
zicht verborgen is, Allah zal je er ter verantwoording voor roepen in overeenstemming met wat
er in je gedachten was.

Het hier genoemde ‘verbergen’ hoeft niet alleen te slaan op iemands werkelijke daden die hij
buiten het zicht van de mensen heeft gedaan; bijvoorbeeld zijn persoonlijke gebeden of het in
het geheim schenken van liefdadigheid. Het kan ook betekenen dat hij iets niet deed, terwijl hij
in zijn hart wel van plan was dat te doen. In die zin betekenen de woorden ‘of jullie naar buiten
brengen wat in jullie gedachten is of het verbergen,’ de intenties die je in de praktijk brengt en
de intenties die je om verschillende redenen niet in de praktijk kon brengen. Iemand kan
helemaal van plan zijn geweest om een goede daad te verrichten, dat is wat in zijn gedachten
is, maar hij werd verhinderd om het te doen door een bepaalde omstandigheid. Dat rekent Allah
dat nog steeds in zijn voordeel. Iemand kan de volledige intentie hebben om een misdaad te
begaan, maar een externe omstandigheid, iets buiten zijn macht, verhindert hem om het te doen.
Allah houdt hem nog steeds verantwoordelijk voor die intentie. Allah is echter barmhartig. Dus
in het geval van iemand die van plan was een goede daad te doen, maar werd verhinderd, heeft
hij nog steeds zijn beloning bij Allah. Maar in het geval van iemand die van plan was een slechte
daad te doen maar werd verhinderd, die persoon krijgt geen straf. De koran vertelt ons: ‘wie het
goede brengt, hij zal het betere ervan hebben; en wie kwaad doet, de slechtdoeners zullen alleen
worden vergolden voor wat ze hebben gedaan,’ (28:84). In de koran wordt verschillende keren
herhaald dat degenen die kwaad doen alleen gestraft zullen worden voor wat ze hebben gedaan.
Dus alleen voor de daden die ze daadwerkelijk hebben begaan, en niet voor hun onvervulde
intenties. En er wordt ook gezegd, zoals hier, dat degenen die goed doen, een betere beloning
zullen krijgen. Zij krijgen die niet alleen voor de goede daden die ze daadwerkelijk hebben
gedaan, maar ook voor hun onvervulde intenties om goed te doen.

Ten slotte zegt het vers: ‘Dan vergeeft Hij wie het Hem behaagt en straft Hij wie het Hem
behaagt.’ Hier betekent ‘wie het Hem behaagt’ niet dat Allah besluit iemand te vergeven of te
straffen zonder reden en zonder enig principe, zoals een wispelturig persoon die iets doet alleen
maar omdat hij er zin in heeft. Wat het betekent is dat terwijl wij, als mensen, er zeker van
kunnen zijn dat een bepaalde persoon zal worden vergeven of dat een ander zal worden gestraft,
dat Allah echter, in Zijn oneindige kennis en barmhartigheid, het tegenovergestelde kan doen.
Het enige wat wij kunnen weten en onderwijzen zijn de wegen die tot vergeving leiden en de
wegen die tot straf leiden. Maar we kunnen niet weten wie echt naar die wegen heeft gehandeld
en wie niet.

Moge Allah ons in staat stellen om Zijn woord te blijven bestuderen en dat wij er steeds meer
licht en leiding uit krijgen.

Amien
Gepubliceerd door: IslamLab
Vertaald door: Reza Ghafoerkhan

Select the fields to be shown. Others will be hidden. Drag and drop to rearrange the order.
  • Image
  • SKU
  • Rating
  • Price
  • Stock
  • Availability
  • Add to cart
  • Description
  • Content
  • Weight
  • Dimensions
  • Additional information
Click outside to hide the comparison bar
Compare