Vrijdagspreek door Maulana Muhammad Ali, 15 november 1918
Ik getuig dat niemand het verdient om gediend te worden behalve Allah, en ik getuig dat Mohammed de dienaar en boodschapper van Allah is. Hierna vraag ik Allah om bescherming tegen de vervloekte duivel. In de naam van Allah, de Weldadige, de Barmhartige.

Na een lange onderbreking van bijna zes maanden ben ik nu in de gelegenheid om u allen weer te ontmoeten. In deze periode hebben we het verlies van een aantal vrienden en familieleden moeten verwerken. Enkele van onze zeer jonge en rechtschapen broeders, of hun naaste familieleden, zijn ons komen te ontvallen.
Ook de Islam als religie heeft in deze periode met grote moeilijkheden te kampen gehad. Mensen denken echter dat elke beproeving die de moslims treft, een beproeving voor de Islam zelf is. Naar mijn mening is de grootste hindernis niet dat de tegenstanders van de Islam menen dat zij ons hebben uitgeschakeld. Nee, de grootste hindernis is dat zulke gedachten ook opkomen bij de moslims zelf, en dat zij menen dat de Islam niet verder kan groeien.
Het is niet mijn overtuiging dat de Islam afhankelijk is van wereldse macht of heerschappij om te zegevieren. Ik geloof dat deze tegenslagen en dit leed noodzakelijk zijn voor de verbetering van de wereld en om ons te vormen tot volmaaktheid (rububiyyat). Zij zijn essentieel voor onze ontwikkeling en geestelijke groei.
Een ramp is een ramp; de dood is de dood; het is wat het is. Maar net zoals voorspoed een middel is voor onze ontwikkeling, dienen ook tegenslagen hetzelfde doel. Hoe is dat mogelijk? Dit is wat de Heilige Koran ons leert:
“En Wij zonden geen profeet in een stad, of Wij overvielen haar inwoners door tegenspoed en leed, opdat zij zich zouden verootmoedigen.” – 7:94
Waar een profeet van Allah ook verscheen, werden de mensen die daar woonden getroffen door leed en tegenspoed, opdat zij weer nederig zouden worden. Jezelf nederig maken, smeekbeden verrichten en je tot Allah wenden vormen een zeer hoog stadium van spirituele vooruitgang voor de mens.
Net zoals er vele andere manieren zijn om dit niveau te bereiken, is dit er ook een: namelijk, dat wanneer wij met grote tegenslagen geconfronteerd worden, wij ons tot Allah, de Allerhoogste, wenden. Naarmate rampspoed verder om zich heen grijpt, beginnen mensen zich steeds meer tot Allah te wenden. In werkelijkheid zijn leed en tegenslagen dus ook uitingen van Allah’s rubūbiyyat — het tot volmaaktheid brengen van de mens.
Zowel de slechten als de goeden worden getroffen door beproevingen en tegenslagen
Over het algemeen wordt echter gedacht, dat als lijden en rampspoed bedoeld zijn om mensen tot Allah te doen keren, deze dan alleen de ongelovigen zouden moeten treffen. Waarom zouden ook de gelovigen hieraan blootgesteld moeten worden? Het is echter zo dat Allah, de Allerhoogste, in deze wereld in bepaalde zaken geen onderscheid maakt tussen een ongelovige en een gelovige. De veronderstelling dat deze beproevingen bedoeld zijn om mensen van het kwaad af te houden en daarom de rechtschapenen niet zouden mogen overkomen, is onjuist. In zulke zaken is er ook een gemeenschappelijk aspect, en de Heilige Koran verwijst hiernaar:
“En hoed u voor een rampspoed die niet degenen van u in het bijzonder treft die onrechtvaardig zijn.” – 8:25
Wanneer wij door zulke beproevingen worden getroffen, moeten wij ons dan niet des te meer tot Allah, de Allerhoogste, wenden en des te sterker overtuigd zijn van Zijn macht en gezag?
Het is volkomen juist dat wij zaken moeten vermijden die de gezondheid kunnen schaden, om onszelf tegen ziekte te beschermen. Wij dienen ons ook aan bepaalde richtlijnen te houden en de middelen te gebruiken die nodig zijn voor een gezond leven. Toch kunnen we niet stellen dat mensen die zich nauwgezet aan deze regels houden nooit ziek worden of overlijden. Door preventieve maatregelen te nemen, kunnen we onszelf behoeden voor leed en rampspoed die zich in de vorm van ziekte voordoen. Maar zelfs diegene die deze maatregelen trouw opvolgt, kan nog steeds ziek worden. Zo is tijdens deze griepepidemie het verblijf in de buitenlucht een van de aanbevolen voorzorgsmaatregelen — en toch zijn zelfs degenen die dit advies hebben opgevolgd evenzeer getroffen. Dit is zo opdat de mens beseffen zal dat hij geen volledige controle over deze zaken heeft; integendeel, de volledige controle ligt in handen van een Ander. Hetzelfde geldt voor andere tegenslagen: verdriet en rampspoed worden ongetwijfeld gezonden om ons van het kwaad af te houden en ons tot Allah, de Allerhoogste, te doen keren — maar ook de rechtschapen gelovigen worden hierdoor getroffen.
Moeten wij ons niet nederig opstellen en nog vuriger smeekbeden richten tot Allah, de Allerhoogste? De liefde voor onze kinderen en materiële bezittingen kan een gevoel van trots in ons opwekken. Daarom zendt Allah deze beproevingen en tegenslagen zowel naar de goddelozen als naar de vrome gelovigen, opdat wij niet onverschillig worden ten aanzien van Zijn macht en gezag. Het is waar dat de rechtschapen gelovigen bij dergelijke tegenslagen dit voordeel hebben, dat zij sneller geestelijke groei doormaken. Wat de goddelozen betreft, zij worden zich — in ieder geval tijdens deze beproevingen en straffen — bewust van de macht en het gezag van Allah, de Allerhoogste. Hoewel de vrome gelovigen hier veel meer baat bij hebben en sneller hun uiteindelijke levensdoel bereiken, treffen deze beproevingen zowel hen als de ongelovigen. Zelfs in de tijd van de eerbiedwaardige metgezel ‘Umar woedde er een pestepidemie waarbij veel rechtschapen metgezellen het leven lieten.
Hoe zuiver is de leer van de Islam op dit punt! De gelovige die als gevolg van deze ziekten sterft, wordt een martelaar, want hij geeft zijn leven op de weg van Allah. Mensen vragen zich misschien af hoe iemand een martelaar kan zijn wanneer hij door leed en rampspoed wordt getroffen. Dat lijkt vreemd. Maar de werkelijkheid is de volgende. Wanneer leed bedoeld is om de gehele schepping tot volmaaktheid te brengen, dan worden die vrome dienaren die hun leven geven op de weg van Allah martelaren, omdat zij het niveau bereiken waarop een mens het doel van zijn leven, waarvoor hij was geschapen, vervult.
Het rechte pad
Het is een bijzonder kenmerk van de religie van de Islam dat zij vele zaken samenbrengt die op het eerste gezicht tegenstrijdig lijken. Een werelds leven en een kloosterleven, oorlog voeren en vreedzaam omgaan met anderen — dit zijn zaken die niet bij elkaar lijken te passen. Maar de Islam heeft deze alle samengebracht door ons het rechte pad te tonen. Zo zijn ook leven en dood tegengestelde zaken, maar de Islam heeft ons een juist begrip van beide gegeven. Sommige mensen hechten echter geen waarde aan het leven en laten het aan het lot over — en daarom geven zij ook niets om de dood.
Aan de andere kant zijn er mensen die het leven weliswaar koesteren, maar er zo veel waarde aan hechten dat zij huiveren bij de gedachte aan de dood. De Islam leert ons het leven maximaal te waarderen en de dood niet te vrezen. Belang hechten aan het leven en preventieve maatregelen nemen op het gebied van de gezondheid — dit alles is het recht van een moslim, omdat het leven een gunst is die Allah, de Allerhoogste, ons heeft geschonken. Maar tegelijkertijd moet men zich ook geen zorgen maken om de dood, want het is onontkoombaar dat deze de mens zal overkomen.
Het doel van leven en dood
Wat is de gedachte achter deze leer? De Heilige Koran zegt ons zelf:
“Die de dood en het leven heeft geschapen, opdat Hij u zou beproeven — wie van u het beste in daden is.” – 67:2
Het doel van leven en dood is dat Allah ons beproeft zodat Hij kan zien wie onder ons het goede doet. Daarom vreest een moslim de dood niet — maar dat betekent niet dat hij geen waarde hecht aan het leven. Mensen hebben het volgende verkeerde fatalistische denkbeeld gecreëerd: als de dood onvermijdelijk is, waarom zou ik dan proberen zo lang mogelijk in leven te blijven? Zelfs met betrekking tot de profeten is overgeleverd dat zij op het moment van hun dood een keuze kregen. Zo waren de laatste woorden van onze Heilige Profeet Mohammed: “Bi-l-Rafīq alaʿlā, bi-l-Rafīq al-aʿlā” — Met de Hoogste Metgezel, met de Hoogste Metgezel!
Deze woorden geven aan waar zijn voorkeur naar uitging: namelijk om in het hoogste gezelschap van Allah, de Allerhoogste, te verkeren. Dit wordt verder toegelicht in een andere hadith, waarin staat dat er een dienaar is aan wie de keuze wordt gegeven tussen leven en dood, en hij koos de dood. Wie was deze dienaar? Het was de Heilige Profeet zelf.
Dezelfde mentaliteit vindt men terug bij de nobele Metgezellen van de Heilige Profeet, en hun leven biedt talrijke opmerkelijke voorbeelden hiervan. In die tijd kwamen bepaalde stamleden van buiten Medina naar de Heilige Profeet en deden alsof zij meer over de religie wilden leren. Zij vroegen om leraren die hen daarbij zouden begeleiden. Maar zodra zij hen naar hun eigen volk hadden gebracht, werden deze leraren verraderlijk afgeslacht. Toch trokken de Metgezellen zich in zulke situaties niet terug en probeerden zij niet te vluchten om hun leven te redden. Zo gebeurde het eens dat zeventig qāriʾs — reciteerders van de Koran — werden meegenomen en gedood. Maar zelfs op dat moment keerde niemand van hen terug uit angst voor de dood.
Bij een andere gelegenheid werden enkele mannen bij de Heilige Profeet weggevoerd. Sommigen werden gedood en twee werden als gevangenen naar Mekka gebracht. Een van hen1 werd in een huis opgesloten en er werd besloten hem te doden. Op de dag dat hij zou worden gedood, kwam een kind uit het huishouden waar hij gevangen zat tijdens het spelen naar hem toe. Op dat moment had de edele Metgezel een scheermes in zijn hand. De moeder van het kind schrok toen zij dit zag. Hij stelde haar gerust en zei dat wat zij vreesde niet in overeenstemming was met zijn waardigheid en gaf haar het scheermes.
Voordat hij gedood zou worden, vroeg hij zijn ontvoerders om toestemming om twee rakʿahs te bidden. Hij rondde zijn gebed echter snel af en vertelde hun dat hij zijn gebed niet lang had gemaakt, zodat zij niet zouden denken dat hij dit uit angst voor de dood deed. Hij drukte zijn gevoelens uit met de volgende coupletten:
Mā ubālī ḥīna uqtalu musliman,
ʿalā ayyi shayʾin kāna li-llāhi maṣraʿī.
Dat wil zeggen: wanneer ik als moslim word gedood, maakt het mij niet uit van welke kant ik op de weg van Allah word omgebracht.
Wanneer iemand op de weg van Allah wordt gedood, doet het er niet toe op welke manier zijn leven wordt genomen. Als er al iets van belang is, dan is het alleen dit: dat ik mijn leven geef terwijl ik moslim ben.
Dit komt overeen met wat in de Heilige Koran staat vermeld, namelijk het advies dat de profeet Jakob (vrede zij met hem) aan zijn zonen gaf: “O mijn zonen! waarlijk, Allah heeft (dit) geloof voor u gekozen. Sterf derhalve niet tenzij u tot degenen behoort die zich onderwerpen.” – 2:132
De dood — of deze nu een familielid treft of jezelf — moet met blijmoedigheid worden gedragen, omdat het leven een door Allah toevertrouwd goed is dat aan Hem dient te worden teruggegeven. Maar alleen hij die dat toevertrouwde goed waardeert en in ere houdt, kan het op de juiste wijze teruggeven. Hij verspilt de capaciteiten die Allah hem heeft geschonken niet en is niet bang voor de dood. Verdriet en tegenslagen vormen voor hem slechts middelen om vooruit te komen. Veel van iemands vooruitgang is afhankelijk van het onder ogen zien van beproevingen en ontberingen. Ongeacht de aard van het lijden — of het nu betrekking heeft op jezelf, je familie, vrienden, gemeenschap of religie — het mag voor een moslim geen reden zijn om de moed te verliezen en op te geven!
1 Ḥabīb ibn ʿAdī al-Anṣārī was een bekende Metgezel van de Profeet. Hij nam deel aan de veldslagen van Badr en Uḥud. Hij behoort tot de eerste martelaren van de Islam. De vijanden hingen hem aan de galg en martelden hem in een staat van hulpeloosheid, om wraak te nemen voor het feit dat hij Al-Ḥārith had gedood in de slag bij Badr. Voordat hij werd opgehangen, vroeg de eerbiedwaardige Ḥabīb toestemming aan de vijanden en verrichtte hij twee rakʿahs van gebed, wat een sunnah werd voor de martelaren. Er wordt gezegd dat de eerbiedwaardige Ḥabīb op het moment van zijn martelaarschap twee coupletten reciteerde.
Vertaald door Reza Ghafoerkhan Gepubliceerd door IslamLab
