De visie van de Islam op het stellen en beantwoorden van vragen

Lezing door dr. Zahid Aziz voor Lahore Ahmadiyya UK, 4 december 2022 De heilige koran bevat vele verzen die beginnen met de woorden: ‘zij vragen u …’ gevolgd dooreen vraag aan profeet Mohammed (vrede en zegeningen van Allah zij met hem). De koran “Heeft Hij u niet als wees gevonden en (u) onderdak gegeven? En […]

Lezing door dr. Zahid Aziz voor Lahore Ahmadiyya UK, 4 december 2022

De heilige koran bevat vele verzen die beginnen met de woorden: ‘zij vragen u …’ gevolgd door
een vraag aan profeet Mohammed (vrede en zegeningen van Allah zij met hem).

  • Sommige van deze vragen zijn van zijn volgelingen, die vragen hoe ze een bepaalde leer van
    de islam in hun leven kunnen toepassen, wat ze in bepaalde situaties moeten doen, enz.
  • Andere vragen zijn van tegenstanders van de islam die een bezwaar naar voren brengen, of
    die sarcastisch willen zijn.
  • Er is een derde soort vragen die we in de Hadies vinden, die gesteld worden door moslims.
    Daarover later meer. Hierbij trekken zij in twijfel of iets wat zij hebben gehoord eigenlijk wel
    tot de leer van de islam behoort. Dit alles laat duidelijk zien dat het stellen van vragen en het
    geven van antwoorden, vanaf het begin van de Islam, een vitale rol speelde in de verspreiding
    van kennis van de islam op de wereld.

De koran

  1. In een vroege openbaring zegt Allah tegen de Profeet:

“Heeft Hij u niet als wees gevonden en (u) onderdak gegeven? En vond Hij u tastend,
zodat Hij u de weg toonde? En vond Hij u in gebrek, zodat Hij u verrijkte? Daarom, de
wees, verdruk hem niet. En wie vraagt, berisp hem niet. En de gunst van uw Heer,
verkondig die.” (93:6-11)

Hier wordt aan profeet Mohammed verteld dat het hem vroeger zelf aan bepaalde dingen
ontbrak, en dat Allah hem deze vervolgens had geschonken. Dus wat betreft die mensen die
deze dingen nog steeds missen, de Profeet zou hen goed en vriendelijk moeten behandelen
omdat hij ooit in hun positie verkeerde.

Een van deze zaken was: “vond Allah u niet tastend (op zoek naar ware leiding en kennis), en
toonde Hij u de weg?” Daarom kreeg de Profeet van Allah de les dat, wanneer iemand hem een
vraag stelde, dat hij hem niet mocht berispen, uitschelden, op hem op zijn plaats zetten.

Hieruit leren we dat als ons een vraag wordt gesteld door iemand die op zoek is naar kennis, en
wij ook zo gelukkig zijn die kennis te bezitten, dan mogen wij zo’n persoon niet berispen, omdat
we ooit ook in zijn positie hebben verkeerd. Hazrat Mirza Ghulam Ahmad (de grondlegger van
de Ahmadiyya Beweging) leerde zijn gemeenschap het volgende hierover:

    “Als u geleerd bent, geef dan goede raad aan de onwetenden en de minder wijzen, in plaats van
    ze neer te halen en te vernederen om te pronken.” (Kishti-i Noeh, blz. 11)

    Met andere woorden, gedraagt u zich niet alsof u boven de vragensteller staat en kijk niet neer
    op degenen die minder weten dan u. Wanneer u vragen van hen beantwoordt, doe dat dan niet
    om te pronken met uw kennis, maar geef die kennis door waar de vragensteller iets aan heeft.

    2. Moslims kennen het welbekende voorval, dat verhaald wordt in de koran, dat in de
    begindagen van de missie van profeet Mohammed hij eens aan het prediken was tot belangrijke
    stamhoofden van zijn stam. Op dat moment kwam er een blinde man naar hem toe en onderbrak
    de Profeet en vroeg om leiding met betrekking tot de islam. De Profeet toonde zijn ongenoegen
    over deze ongelegen onderbreking en er verscheen een frons op zijn gezicht. Allah openbaarde
    hem toen dat dit niet het juiste ding was om te doen. Allah zei:

    “Hij fronste en wendde zich af, omdat de blinde man tot hem kwam. En wat zou u doen
    weten dat hij zichzelf zou kunnen zuiveren, of indachtig zou kunnen zijn, zodat de
    Herinnering hem ten goede zou komen? (80:1-4)

    De openbaring gaat verder met te zeggen dat de Profeet zijn aandacht schonk aan degenen die
    vonden dat ze geen leiding nodig hadden, maar dat hij geen aandacht schonk aan iemand met
    vrees voor Allah die met grote moeite naar hem toe was gekomen.

    Hieruit leren we dat we dat we bij het beantwoorden van vragen van mensen niet de voorkeur
    mogen geven aan mensen die men in de samenleving als belangrijk acht, en minder aandacht
    besteden aan de gewone man. Het gaat erom wie de meeste moeite doet om iets leren. En wij
    mogen zuivere en oprechte verzoeken om kennis absoluut niet erg vinden, uit welke hoek die
    ook komen.

    3. Een ander punt zien we in het volgende vers:

    “Zij vragen u naar het uur. Wanneer het zich zal voltrekken? Zeg: slechts mijn Heer
    heeft daar kennis van. Niemand anders dan Hij zal het openbaren wanneer de tijd daar
    is. Het is van groot gewicht in de hemelen en op aarde. Het zal niet anders dan zeer
    plotseling tot jullie komen. Zij vragen u alsof u er (door inspanning) achter zou kunnen
    komen. Zeg: die kennis heeft slechts Allah, maar de meeste mensen weten dit niet.”
    (7:187)

      Het ‘uur’ waarover de tegenstanders van profeet Mohammed hem vroegen, kan betrekking
      hebben op de laatste dag des oordeels, of het zou de dag kunnen zijn waarop de Profeet succes
      en triomf in zijn missie zou behalen – het uur van hun ondergang dus.

      Profeet Mohammed wist er alleen in grote lijnen vanaf, en niet in detail. Dat was dus het
      antwoord dat hij gaf. Hieruit leren we dat als we het volledige antwoord op een vraag niet
      kennen, dat we niet verder moeten gaan dan wat we weten en moeten zeggen: ‘dit is de grens
      van mijn kennis, of het u nu bevalt of niet. Ik kan niet verder gaan dan dit.”

      4. Allah zegt ook tegen de Profeet:
      “En zij kunnen u geen vraag stellen, of Wij hebben u de waarheid en de beste uitleg
      gebracht.” (25:33)

      Hieruit leren we dat we ernaar moeten streven om het best mogelijke antwoord te geven, in
      overeenstemming met de waarheid.

      Hadies
      In de Hadies zien we dat de metgezellen van de Profeet, mannen en vrouwen, hem niet alleen
      vragen stelden over wat ze moesten doen, maar ook waaróm hij bepaalde dingen zei of deed.
      Na zijn dood stelden ze elkaar vragen om hun kennis van bepaalde zeken te corrigeren en te
      verifiëren. Hiervoor legden ze soms lange afstanden af.

      5. A’isha, de vrouw van profeet Mohammed, zei dat telkens wanneer ze iets hoorde wat ze niet
      begreep, ze het keer op keer aan de Profeet vroeg totdat ze het begreep. Ze gaf een voorbeeld
      dat de Profeet eens iets zei dat volgens haar in tegenspraak was met de koran. Zij legde hem
      toen een vers uit de koran voor en zei tegen hem: ‘maar de koran zegt dit.’ Vervolgens
      verduidelijkte hij wat hij had gezegd en liet zien dat het niet in tegenspraak was met de koran.
      Maulana Muhammad Ali schrijft in zijn toelichting op hadies Boechari het volgende over dit
      voorval:

      “Hieruit blijkt dat het toegestaan is bezwaar te maken tegen een uitspraak van een
      godsdienstleraar of -leider om na te gaan wat juist is.” (Fazl-oel-Bari, Oerdoe toelichting op
      Sahih Boechari, hadies 103.)

      Maulana Aftab-ud-Din Ahmad schrijft onder deze hadies in zijn Engelse vertaling van
      Boechari:

      “Dit laat zien dat de Profeet vragen aan hem aanmoedigde. Een echte leraar moet niet alleen
      letten op wat hij onderwijst, maar ook of zijn leer volledig wordt begrepen. Hij zou het zelfs
      niet erg mogen vinden om herhaaldelijk dergelijke vragen te krijgen. Dit betekent niet dat de
      leraar wordt geminacht. Evenmin mag de leraar de rol aannemen van een onfeilbare gids. De
      Profeet zelf heeft zo’n rol niet aangenomen, en mensen die minder zijn dan hij mogen er niet
      vanuit gaan dat zij boven alle fouten staan.” (Engelse vertaling van Fazl-oel-Bari)
      Soms trok een metgezel van profeet Mohammed de mening of interpretatie van een andere
      metgezel in twijfel, of betwijfelde zelfs of een door hem overgeleverde hadies correct was.
      Tegenwoordig slikken we alles wat aan de Profeet wordt toegeschreven en via e-mail of sociale
      media wordt verspreid, zonder dat we ons afvragen: is dit wel in overeenstemming met de
      koran, botst het niet met een bepaalde principe van de islam, is het überhaupt zinvol?

      6. We lezen in de Hadies dat gewone moslimvrouwen profeet Mohammed vragen stelden over
      persoonlijke hygiëne of seksuele zaken.

      In Sahih Moeslim staat een hadies dat een vrouw van de Ansar van Madinah aan de Profeet
      vroeg hoe een vrouw haar lichaam moet reinigen na de maandelijkse periode en na seksuele
      omgang. Hij vertelde haar wat ze moest doen. A’ishah zei: ‘hoe goed zijn de vrouwen van de
      Ansar dat hun bescheidenheid (of verlegenheid) hen er niet van weerhoudt om te proberen de
      religie te begrijpen.’ (Sahih Moeslim, hadies 332c, Boek over de Menstruatie)

      7. In Sahih Boechari staat een hoofdstuk met de titel: ‘Verlegenheid op het gebied van kennis’.
      Het haalt ook deze uitspraak van Aisha aan die ik zojuist heb voorgelezen. Het haalt ook een
      andere grote moslimgeleerde aan die zegt:

      “Iemand die verlegen is over kennis, of zich trots voelt, kan geen kennis vergaren.”
      (Boek 3: Kennis, hoofdstuk 50)

      De betekenis van deze uitspraak is dat een persoon die te verlegen is om een vraag te stellen,
      of te trots is om mensen te laten merken dat hij geen kennis heeft, of dat mensen hem dom
      zullen vinden omdat hij een vraag stelt, zo iemand kan nooit kennis vergaren.

      8. In datzelfde hoofdstuk in Boechari staat een hadies dat een gewone moslimvrouw naar de
      Profeet kwam om een gênante persoonlijke vraag over zichzelf te stellen. Ze begon met deze
      woorden:

        “O Boodschapper van Allah, Allah is niet verlegen in het vertellen van feiten.”
        (hadies 130)

        Dit was haar rechtvaardiging voor het stellen van een dergelijke vraag. Ze wees erop dat als het
        gaat om het geven van kennis aan mensen die ze nodig hebben voor hun eigen welzijn, zelfs
        Allah in Zijn openbaring rechtstreeks spreekt zonder verlegenheid.

        9. Toen hazrat Oemar chalifa was, moesten veel moslimmannen als soldaten naar andere
        landen worden gestuurd om deel te nemen aan veldslagen. Ze moesten een lange tijd
        doorbrengen zonder hun vrouw. De vrouwen begonnen de liefde en genegenheid van hun man
        te missen. Hazrat Oemar kwam tot dit besef door met zo’n eenzame vrouw te praten. Hij vroeg
        toen aan zijn dochter, Hafsah:

        “Ik heb je hulp nodig. Vertel me, hoe lang kan een vrouw gescheiden blijven van haar
        man zonder wanhopig naar hem te worden?”

        Hafsah keek beschaamd naar beneden. Hazrat Oemar zei: “Allah is niet verlegen om het
        vertellen van feiten.” Hafsah gaf met haar hand aan dat het drie of vier maanden was. Daarom
        beval hazrat Oemar dat geen enkele getrouwde man langer dan vier maanden in het buitenland
        zou mogen dienen. (Tarich-al-Choelafa door Jalal-ud-Din Soeyoeti; voor referentie zie pagina’s
        148-149 van de Engelse vertaling door A. Clarke, 3e editie, 2008.)

        Vertaald door: Reza Ghafoerkhan
        Gepubliceerd door: IslamLab

          Select the fields to be shown. Others will be hidden. Drag and drop to rearrange the order.
          • Image
          • SKU
          • Rating
          • Price
          • Stock
          • Availability
          • Add to cart
          • Description
          • Content
          • Weight
          • Dimensions
          • Additional information
          Click outside to hide the comparison bar
          Compare