Respect voor Imam Hussein en andere rechtschapen figuren in de islam

Vrijdag choetba door Dr Zahid Aziz, voor de Lahore Ahmadiyya UK, 12 augustus 2022 “Wij hebben sommige van deze boodschappers boven anderen verheven. Onder hen zijndegenen tegen wie Allah sprak, en sommigen van hen verhief Hij (vele) graden in rang.En Wij gaven duidelijke argumenten aan Jezus, zoon van Maria, en sterkten hem metde heilige geest. […]

Vrijdag choetba door Dr Zahid Aziz, voor de Lahore Ahmadiyya UK, 12 augustus 2022

“Wij hebben sommige van deze boodschappers boven anderen verheven. Onder hen zijn
degenen tegen wie Allah sprak, en sommigen van hen verhief Hij (vele) graden in rang.
En Wij gaven duidelijke argumenten aan Jezus, zoon van Maria, en sterkten hem met
de heilige geest. En als het Allah had behaagd, hadden degenen na hen niet onderling
tegen elkaar gestreden nadat er duidelijke argumenten tot hen waren gekomen, maar zij
waren het oneens. Dus sommigen van hen geloofden en sommigen van hen verwierpen.
En als Allah had gewild zouden zij niet onderling tegen elkaar hebben gestreden. Maar
Allah doet wat Hij wil.” – 2:253

Omdat dit de maand van Moeḥarram is, luidt het onderwerp van mijn choeṭbah respect voor
imam Hoessein. Ik heb daarbij ook alle andere rechtschapen figuren betrokken die de islam in
zijn geschiedenis hebben gediend, er offers voor hebben gebracht en het tot bloei hebben
gebracht. Het vers dat ik heb voorgedragen komt voor in hoofdstuk 2 van de koran nadat het in
eerdere verzen melding maakt van de komst van profeten onder de Israëlieten. Dit vers vertelt
ons dat er profeten waren van verschillende rangen. Sommigen hadden veel grotere missies te
vervullen, en zij zijn beter bekend in de religieuze geschiedenis. Andere profeten hadden meer
beperkte missies en zijn niet bekend bij ons. Moslims worden in ditzelfde hoofdstuk meer dan
eens bevolen om te verklaren dat zij in al deze profeten en boodschappers geloven, zonder enig
onderscheid tussen hen te maken. In vers 136 wordt tegen moslims gezegd dat zij moeten
verklaren dat zij niet alleen geloven in wat aan hen is geopenbaard door de profeet Mohammed
(vrede zij met hem), maar ook te geloven in wat is geopenbaard aan grote profeten zoals
Abraham, Mozes en Jezus. En meer in het algemeen wordt hen opgedragen te geloven in: “wat
aan de profeten is gegeven van hun Heer. Wij maken geen onderscheid tussen hen.”

Het vers dat ik heb voorgelezen vertelt ons ook dat hun respectieve volken na de komst van
deze boodschappers tegen elkaar streden en het met elkaar oneens waren, ondanks dat hun
boodschappers duidelijke leringen hadden gegeven die zij hadden gebruikt konden hebben om
hun geschillen bij te leggen. Sommigen van hen geloofden in de boodschap van de
boodschappers, terwijl anderen deze boodschap verwierpen. Natuurlijk omvat verwerping hier
ook verwerping in praktijk, wanneer een groep nog steeds beweert de boodschap te accepteren,
maar in strijd ermee handelt. Maar het vers zegt twee keer dat het volgens Gods wet is dat zulke
geschillen en conflicten ontstaan.

In de koran, en meer expliciet in de ḥadīth, wordt aangegeven dat er onder de moslims heiligen
en rechtschapen personen zullen verschijnen, op dezelfde manier als er onder de Israëlieten
profeten verschenen. Bovendien zou het gedrag van moslims ten opzichte van hun heiligen en
vrome figuren vergelijkbaar zijn met het gedrag van de Israëlieten ten opzichte van hun
profeten. De koran zegt: “Zeker sloten Wij een verbond met de kinderen van Israël en Wij
zonden boodschappers tot hen. Telkens wanneer een boodschapper tot hen kwam met wat hun
zielen niet verlangden, noemden zij sommigen (van hen) leugenaars en sommigen wilden zij
(zelfs) doden,” (5:70). Profeet Jezus (vrede zij met hem) bevestigde dit in de evangeliën toen
hij tegen de Israëlieten zei: “Jullie die de profeten doden en diegenen stenigen die tot jullie
gezonden zijn,” (Matteüs, 23:37). Even daarvoor zegt hij tegen hen: “Jullie bouwen graven voor
de profeten en versieren de graven van de rechtschapenen. En jullie zeggen: ‘Als wij geleefd
hadden in de dagen van onze voorouders, zouden wij niet met hen hebben deelgenomen aan het
vergieten van het bloed van de profeten.’ Zo getuigt u tegen uzelf dat u de nakomelingen bent
van hen die de profeten hebben vermoord,” (Matteüs, 23:29-31).

De Israëlitische geschiedenis heeft zich herhaald in de moslimgeschiedenis. Er is een lange lijst
van heiligen (auliyā) en rechtschapenen onder de moslims die vervolgd werden en, in veel
gevallen, ook gedood werden door de moslimheersers van hun tijd, terwijl de gewone moslims
in die tijd weinig deden om hen te redden. Maar eeuwen later bouwden ze wel grote
monumenten voor hen. Een prominent voorbeeld is de kleinzoon van moederszijde van de
profeet Mohammed, imam Hoessein. Hij zag dat een onrechtvaardige man, Yazid, chalifa was
geworden, na Yazid’s vader Moe’awiya. Dit kwam doordat Moe’awiya van tevoren had
gepland dat zijn zoon hem zou opvolgen. Imam Hoessein weigerde zich te onderwerpen aan de
heerschappij van Yazid en hem te erkennen als chalifa. Hij kwam in opstand tegen Yazid, maar
hij had maar weinig medestanders. Hij en zijn volgelingen werden op brute wijze vermoord
door de legers die Yazid had gestuurd. De moslims in het algemeen waren of te bang om hen
te helpen, of ze wilden in de gunst komen van hun heersers. Dit gebeurde ongeveer vijftig jaar
na de dood van de profeet Mohammed (vrede zij met hem) op de tiende van de islamitische
maand Moeḥarram.

Bijna de hele moslimwereld erkent het offer dat door imam Hoessein en zijn volgelingen
werden gebracht. Onze sji’itische medemoslims hechten een veel grotere betekenis aan deze
gebeurtenis vanuit het oogpunt van hun eigen geloofsopvattingen. Zij kennen een speciale
status toe aan de afstammelingen van de profeet Mohammed en beschouwen imam Hoessein
als de derde imam en opvolger van de Profeet. Volgens de sji’iten was ‘Ali, de vader van imam
Hoessein, de eerste imam en Hasan, de oudere broer van imam Hoessein, de tweede imam.
Soennitische moslims, en Ahmadi’s maken deel uit van de soennitische tak van de islam,
geloven dat wanneer iemand een afstammeling is van de Profeet, dit op zichzelf geen spirituele
verdienste geeft aan zo’n persoon. De sji’itische herdenking van de tiende dag van Moeḥarram
is welbekend. Het bestaat uit rouwrituelen die, naar onze mening, geen deel uitmaken van de
islam. Het is voor ons voldoende om hierop te wijzen, maar we spreken geen veroordeling uit
tegen andere moslims.

Er zijn bepaalde elementen in de soennitische moslimwereld geweest die imam Hoessein
hebben beschouwd als een rebel tegen een wettige en legale moslimregering. Ten tijde van de
stichter van de Ahmadiyya Beweging, hazrat Mirza Ghulam Ahmad, vernam hij eens dat enkele
van zijn volgelingen zo’n soort uitspraak hadden gedaan. Hij publiceerde onmiddellijk een
verklaring gericht aan zijn gemeenschap die als volgt begint:

“Laat het bekend zijn dat ik heb vernomen via een notitie die door iemand is gestuurd
dat bepaalde onnozele mensen, die van zichzelf beweren dat ze tot mijn djama‘at
behoren, over hazrat imam Hoessein, moge Allah tevreden met hem zijn, zeggen dat,
Allah verhoede het, omdat hij de bai‘at (eed van trouw) van de chalifa van die tijd,
namelijk Yazid, niet had afgenomen, Hoessein daarom een rebel was en Yazid aan de
rechtmatige en waarachtige kant stond. Moge de vloek van Allah op de leugenaars
rusten. Ik verwacht niet dat zulke slechte woorden van de lippen van een rechtschapen
persoon uit mijn djama‘at komen.” (Madjmoe‘a Ishtiharat, editie 2019, vol. 3, p. 374)

Hazrat Mirza sahib gaat dan verder met te zeggen, dat aangezien ook de sjia’s hem tot doelwit
van hun aanvallen en beledigingen hadden gemaakt, het mogelijk is dat een onnozel persoon
onder zijn volgelingen op zo’n aanval tegen hem had gereageerd en iets onzinnigs had gezegd
als antwoord op een onzinnige beschuldiging. Hij schrijft dan:

“Hoe het ook zij, ik breng mijn djama‘at via deze mededeling op de hoogte dat wij
geloven dat Yazid van onrein karakter was, geneigd naar deze wereld, en
onrechtvaardig. De betekenis waarin een persoon een gelovige genoemd kan worden,
een dergelijke betekenis was niet op hem van toepassing. … Gelovigen zijn zij van wie
de daden getuigen van hun geloof, van wie het geloof in hun hart is geschreven, die God
en Zijn welbehagen boven al het andere verkiezen … Zij gaan op in liefde voor God en
als er iets is dat een hindernis vormt op de weg naar God dan gaan zij er zo ver mogelijk
van vandaan, of het nu slechte zeden zijn, slechte daden, of nalatigheid en verslapping
(in het gehoorzamen van God). De vermaledijde Yazid had deze eigenschappen niet.
Hij was verblind door liefde voor deze materiële wereld. Imam Hoessein daarentegen
was volmaakt rein en is zonder twijfel een van die eminente personen die God met Zijn
eigen hand zuivert en met Zijn liefde vervult. En zonder twijfel behoort hij tot de
vooraanstaanden van de bewoners van het paradijs. Als iemand hem ook maar enigszins
een kwaad hart toedraagt, die persoon schaadt daarmee zijn eigen geloof. De
rechtschapenheid, de liefde voor God, het geduld, de standvastigheid, de vroomheid en
de aanbidding van God die deze imam tentoonspreidde is een voortreffelijk voorbeeld
voor ons en wij zijn volgelingen van de leiding die aan deze onschuldige was gegeven.
Vernietigd zal het hart worden dat tegen imam Hoessein is, en succesvol zal het hart
zijn dat liefde voor hem toont in praktische termen.”

“Zulke personen (als imam Hoessein) worden niet erkend door de wereld. Niemand kent
hun waarde behalve degene die zelf één van hen is. Zij die met wereldse ogen kijken,
kunnen hen niet zien omdat zij ver van deze wereld verwijderd zijn. Dit was de reden
waarom Hoessein het martelaarschap onder ogen moest zien, omdat hij niet herkend
werd. De wereld hield niet van een rechtschapen en eerbiedwaardig persoon tijdens zijn
leven, dus we kunnen niet verwachten dat Hoessein geliefd zou zijn. Het behoort tot het
ergste soort spiritueel ongeluk en gebrek aan geloof om Hoessein, moge Allah tevreden
met hem zijn, te denigreren. De persoon die Hoessein of een andere rechtschapen figuur
onder de vroegere oudsten van de islam denigreert, of een respectloze opmerking over
hem maakt, richt zijn geloof te gronde, want Allah de Verhevene wordt de vijand van
de persoon die een vijand is van Allah’s rechtschapenen en geliefden.”

Men beweert wel eens dat hazrat Mirza Ghulam Ahmad of zijn volgelingen neerkijken op de
grote dienaren van de islam die in de geschiedenis van de islam vóór zijn tijd zijn verschenen.
Men beweert dat we hun diensten aan de islam miskennen om het werk van hazrat Mirza
Ghulam Ahmad op de voorgrond te plaatsen. Deze bewering is onjuist, zoals u kunt zien aan
zijn standpunten en vermaningen aan zijn volgelingen die ik hierboven heb geciteerd. Hij
beschouwde zichzelf als iemand die deel uitmaakt van de categorie van de grote, Goddelijk
geïnspireerde heiligen die door de geschiedenis van de islam heen waren verschenen. Hij prees
hen hoog en trad in hun voetsporen.

De profeet Mohammed leerde moslims te geloven in en respect en eer te hebben voor de
profeten die voor hem verschenen en hem te beschouwen als een lid van die broederschap van
profeten. Hazrat Mirza Ghulam Ahmad leerde zijn eigen gemeenschap van volgelingen om de
heiligen van de islam die voor hem opkwamen te respecteren en te eren en hem te beschouwen
als een lid van die broederschap van dienaren van de Islam.

Moge Allah ons daarom in staat stellen om te handelen naar zulke ruimdenkende leringen van
de islam en van de stichter van de Ahmadiyya Beweging. – Āmien.

Gepubliceerd door: IslamLab
Vertaald door: Reza Ghafoerkhan

Select the fields to be shown. Others will be hidden. Drag and drop to rearrange the order.
  • Image
  • SKU
  • Rating
  • Price
  • Stock
  • Availability
  • Add to cart
  • Description
  • Content
  • Weight
  • Dimensions
  • Additional information
Click outside to hide the comparison bar
Compare