Vrijdagpreek door Dr. Zahid Aziz voor Lahore Ahmadiyya UK, 30 mei 2025

De Ḥajj, of de bedevaart naar Makkah, zal volgende week beginnen. We kennen allemaal het
verband tussen de profeet Abraham (vrede zij met hem) en deze godsdienstpraktijk. Abraham
leefde ongeveer 2.000 jaar vóór Jezus (vrede zij met hem) – dat is ongeveer 2.500 jaar vóór de
heilige profeet Mohammad (vrede en zegeningen van Allah zij met hem). Volgens de koran
herbouwde profeet Abraham de Kaʿbah als een gedenkteken van het geloof in het een-zijn van
Allah (tawḥīd), en stelde hij deze bedevaart in voor de mensheid. De Arabieren vóór de tijd van de
heilige profeet Mohammad geloofden ook reeds lang dat Abraham de Kaʿbah had herbouwd en
de bedevaart had ingesteld, die zij eveneens plachten te verrichten. En natuurlijk vindt aan het
einde van de bedevaart de Eid-ul-Aḍḥā (het Offerfeest) plaats, waarbij moslims de bereidheid van
Abraham herdenken om zijn zoon te offeren op bevel van Allah.
Als ik het op deze manier mag uitdrukken, zou dit alles de indruk kunnen wekken dat profeet
Abraham een fanatieke, onnadenkende, blinde gelovige was, die bereid was Allah’s bevel uit te
voeren, zonder erbij stil te staan hoeveel leed zijn handelingen andere mensen zouden kunnen
berokkenen. Had hij immers zijn vrouw en pasgeboren kind niet achtergelaten in een verlaten
woestijn zonder enige voorzieningen van voedsel of water? En was hij niet bereid om het mes op
de keel van zijn jeugdige zoon te zetten louter op basis van een droom?
Als we andere verhalen van Abraham bestuderen die in de koran staan, zien we dat hij juist een
zeer rationeel ingesteld mens was, die zaken logisch beredeneerde en weigerde om iets
blindelings te aanvaarden. Hij was altijd op zoek naar de waarheid met zowel zijn hart als zijn
verstand, en legde argumenten voor aan zijn volk. Tegelijkertijd was hij zachtaardig en
vergevingsgezind — in die mate zelfs, dat hij het niet kon verdragen dat zelfs zondaren door Allah
zouden worden gestraft. De verzen die ik hierboven heb voorgelezen zijn daar een voorbeeld van.
De “oudere” die in die verzen wordt genoemd met het woord ab, beschouwt men doorgaans als
zijn vader, vanwege het gebruik van dat Arabische woord ab. Men zegt dat Abraham tot zijn vader
predikte, die — net als zijn hele gemeenschap — een afgodendienaar was. Maulana Muhammad
Ali schrijft echter dat deze persoon niet zijn echte vader was, maar een vooraanstaande oudere
binnen zijn gemeenschap, die ook door Abraham werd aangesproken als “mijn vader” (abī).
Abraham zei tegen hem:
“Waarom aanbidt u wat niet hoort en niet ziet en u gans niet baat? O mijn oudere!
inderdaad is tot mij de kennis gekomen die niet tot u gekomen is.”
Abraham richtte zich tot hem met logische redeneringen, gebaseerd op kennis, en probeerde hem
ervan te overtuigen waarom afgoderij zinloos is. De oudere zei tegen Abraham dat hij moest
weggaan, anders zou hij hem zelf wegjagen. Abraham besloot zich terug te trekken en zei:
“Vrede zij over u. Ik zal mijn Heer smeken u te vergeven. Waarlijk, Hij is mij zeer
goedhartig.“
Hij zei in wezen: Gaat u door met het aanroepen van uw afgoden, ik zal mijn Heer aanroepen, en:
“Wellicht zal ik niet van zegeningen verstoken blijven in het aanroepen van mijn Heer”.
De koran noemt twee gelegenheden waarbij Abraham niet ophield te bidden voor vergeving van
kwaaddoeners met betrekking tot wie Allah beslist had dat zij te ver waren gegaan in hun zonden
en gestraft moesten worden. Hoewel Allah hem bevolen had geen vergeving voor hen te vragen,
zegt Allah bij één gelegenheid dat Abraham dit deed omdat hij “teerhartig en verdraagzaam” was
(9:114). Het Arabische woord voor “verdraagzaam” is ḥalīm. Dit betekent iemand die geduldig veel
van mensen verdraagt.
De tweede gelegenheid betreft het volk van de profeet Lot, ofwel Lūṭ, (vrede zijn met hem). Hij was
een profeet in dezelfde tijd van profeet Abraham. Allah deelde Abraham mee dat het volk van
profeet Lot vernietigd zou worden vanwege hun verderfelijke daden. Allah zegt in de koran:
“Hij (Abraham) begon bij Ons te pleiten voor Lots volk. Waarlijk, Abraham was
verdraagzaam, teerhartig, zich veel wendende (tot Allah).” – 11:74–75
Allah antwoordde hem:
“O Abraham! houd u zich hiervan weg. Waarlijk, het besluit van uw Heer is reeds
uitgegaan. En waarlijk, tot hen moet een straf komen die niet afgekeerd kan worden.” –
11:76
Bij geen van deze beide gelegenheden werd Abraham hier blij van en dacht hij bij zichzelf: “Goed
zo, Allah’s vijand zal vernietigd worden.” In plaats daarvan smeekte hij Allah om hun vergeving, en
hij hield pas op toen Allah hem rechtstreeks had laten weten dat er geen hoop meer was voor die
mensen. Bij een derde gelegenheid luidde Abrahams gebed ten behoeve van de verwerpers van
de waarheid als volgt:
“Mijn Heer! Waarlijk, zij hebben vele mensen op een dwaalspoor gebracht. Derhalve, wie
mij volgt, is waarlijk van mij. En wie mij niet gehoorzaamt, dan waarlijk, U bent
Vergevensgezind, Genadig.” – 14:36
Degenen die hem volgden, beschouwde hij als behorend tot zijn eigen gemeenschap, net zoals
wij als moslims behoren tot de umma (gemeenschap) van de heilige profeet Mohammad. Maar
wat betreft degenen die hem niet aanvaardden, voor hen bad Abraham tot Allah voor hun
vergeving.
De vraag is dan: kan iemand die zó “teerhartig” was, dat hij keer op keer bad voor de vergeving van
de mensen die hem verwierpen en de boodschappen van Allah afwezen, tegelijkertijd zó
gevoelloos en onverschillig zijn tegenover zijn naasten, dat hij hen in de wildernis achterliet zonder
enige hulp en bereid was het mes op de keel van zijn zoon te zetten? Hij kon dit slechts doen omdat
hij een volledig vertrouwen had in Allah’s belofte dat alles goed zou aflopen met hen, en dat er
vanuit hen een groot volk zou voortkomen.
We lezen ook in de koran dat Abraham voortdurend over zaken redeneert, discussieert en
debatteert. Hij voerde discussies en debatten met zijn volk (21:52–67), met zijn hierboven
genoemde oudere (19:42–49), met zijn koning (2:258), en zelfs in zichzelf (6:76–79). Om dit laatste
punt verder toe te lichten: zijn volk, en in feite alle volkeren in zijn tijd, aanbaden naast afgoden
ook de hemellichamen die zij boven hun hoofd zagen — de sterren, de maan en de zon. De koran
vertelt het verhaal dat Abraham op een avond een ster zag en bij zichzelf dacht: Zou dit mijn Heer
kunnen zijn?
Maar toen ging de ster onder, en hij trok daaruit de conclusie dat iets wat ondergaat en verdwijnt,
geen god kan zijn.
1 Vervolgens keek profeet Abraham naar de maan, die uiteraard veel groter voor
het oog is dan een ster, en vroeg zich af: Zou dit mijn Heer kunnen zijn? Maar ook de maan ging
onder. Dus trok hij daarover dezelfde conclusie. Daarna zag hij de zon, en omdat deze zo groot
was, vroeg hij zich af: Zou dit mijn Heer kunnen zijn? Is dit de allergrootste? Maar ook de zon ging
onder. De koran zegt over deze gebeurtenis:
“En zo toonden Wij Abraham het koninkrijk der hemelen en der aarde, en opdat hij van
degenen zou worden die zeker zijn.” – 6:75
Hij kwam tot de zekerheid dat er slechts één God is door de natuur te observeren en door zijn
logisch redeneren. De koran zegt hierover ook:
“En dit was Onze bewijsgrond die wij Abraham tegen zijn volk gaven.” – 6:83
Hij bracht argumenten naar voren tegenover zijn volk om de waarheid te bewijzen van hetgeen hij
hen verkondigde. Zijn volk antwoordde dat zij trouw zouden blijven aan hun afgoden, omdat hun
voorouders dat ook altijd hadden gedaan. Abraham legde hun daarop uit Wie God is en waarom
hij Hem aanbad. Hij zei dat de Heer der werelden Degene is:
“Die mij geschapen heeft, en mij dan de weg heeft getoond. En Hij Die mij te eten en mij te
drinken geeft. En wanneer ik ziek ben, dan geneest Hij mij. En Hij Die mij zal doen sterven, vervolgens mij leven zal geven. En Die mij, hoop ik, op de Dag des Oordeels mijn fouten
zal vergeven.” – 26:78-82
Hij beschrijft Allah als Degene Die voorziet in de menselijke behoeften. Allah schiep de mens met
het vermogen om te kiezen tussen goed en kwaad, en toonde hem ook de rechte weg. Mensen
hebben eten, drinken en een gezond lichaam nodig, en Allah zorgt voor die middelen. Profeet
Abraham zei niet dat Allah de mens hongerig, dorstig of ziek maakt – hij zei dat Allah hem
verlichting brengt in deze omstandigheden. Ook zei hij dat het menselijk leven niet tot een
nutteloos einde komt, maar dat Allah de mens na de dood weer tot leven brengt, en hij hoopte dat
Allah hem, wanneer het oordeel aanbreekt, zijn fouten zal vergeven.
Abraham was een van de grootste profeten van God die verschenen waren, en later werd hij
vereerd door joden, christenen en moslims – het merendeel van de wereldbevolking. Zijn
grootsheid blijkt uit een hadith in Sahih Muslim, waarin een man de heilige profeet Mohammed
aansprak met “Yā khair-ul-bariyya” (“O beste der schepselen”), waarop de heilige Profeet
antwoordde: “Dat was Abraham,” (boek 43, hadith 2369a). Toch was deze grote man zich bewust
van fouten die hij mogelijk had begaan, en hij sprak de “hoop”uit – geen garantie – dat de Heer der
werelden hem zou vergeven.
Nadat hij dit tegen zijn volk had gezegd, voegde hij er het volgende gebed aan toe:
“Mijn Heer! schenk mij wijsheid, en verenig mij met de goeden. En beschik voor mij een
schone vermelding onder de nakomelingschap. En maak mij tot (een) van de erfgenamen
van de tuin van gelukzaligheid. En vergeef mijn oudere, want waarlijk, hij behoort tot de
dwalenden. En maak mij op de dag als zij opgewekt worden niet te schande. De dag
waarop noch bezitting, noch zonen zullen baten. Behalve hem die met een hart vrij (van
kwaad) tot Allah komt.” – 26:83-89
Wanneer we dit gebed beschouwen, zien we dat het belangrijk is om wijsheid te bezitten, tot de
goeden te behoren, en zo te leven dat latere generaties met respect over je spreken. Wanneer
rechtschapen nakomelingen met goedkeuring over iemand spreken, is dat op zichzelf al een teken
dat hij de Tuin van het hiernamaals heeft ontvangen. Opnieuw zien we dat profeet Abraham
smeekte om vergeving voor die zekere oudere van zijn gemeenschap die het verkeerde pad volgde.
En toen hij zag dat die man het verkeerde pad opging, schepte hij niet op in leedvermaak,
denkende: “Kijk, hij is een dwalende en ik volg het rechte pad.” In plaats daarvan bad hij dat hijzelf
niet beschaamd voor Allah zou staan. Zoals hij verder zei: rijkdom bezitten of zonen hebben die
uw familielijn voortzetten, tellen niet in uw voordeel wanneer Allah over u oordeelt. Wat telt is dat
uw hart zuiver is en volledig aan Allah gewijd is, zonder enige zwakte in geloof dat u van Allah
verwijdert. Wat ertoe doet is dat uw hart in uw religie lag, niet slechts in uw lichaam.
Moge Allah ons daarom in staat stellen hetzelfde pad van verstandig denken en vergeving te
bewandelen zoals Abraham dat aan ons toonde. Amin.
1 Ik wil erop wijzen dat sterren niet alleen verdwijnen wanneer de nacht voorbij gegaan is, maar dat vele
sterren, vanuit een bepaald punt op aarde, slechts zes maanden zichtbaar zijn en de andere zes maanden
niet aan de nachtelijke hemel verschijnen.
Vertaald door Reza Ghafoerkhan
