Laatste verzen van Soera al-Baqara (2)

Vrijdag choetbah van dr. Zahid Aziz, voor Lahore Ahmadiyya UK, 11 maart 2022 ‘De Boodschapper gelooft in wat aan hem van zijn Heer is geopenbaard, en (zo ook) degelovigen. Zij allen geloven in Allah en Zijn engelen en Zijn Boeken en Zijnboodschappers. Wij maken geen onderscheid tussen wie van Zijn boodschappers. En zijzeggen: wij horen […]

Vrijdag choetbah van dr. Zahid Aziz, voor Lahore Ahmadiyya UK, 11 maart 2022

‘De Boodschapper gelooft in wat aan hem van zijn Heer is geopenbaard, en (zo ook) de
gelovigen. Zij allen geloven in Allah en Zijn engelen en Zijn Boeken en Zijn
boodschappers. Wij maken geen onderscheid tussen wie van Zijn boodschappers. En zij
zeggen: wij horen en gehoorzamen. Onze Heer, Uw vergiffenis (verlangen wij naar), en
tot U is de uiteindelijke weg.’ – 2:285

In mijn vorige choetba heb ik vers 284 van hoofdstuk 2 behandeld. Dit is het tweede van de
drie verzen waarmee hoofdstuk 2 wordt afgesloten. Het laat zien dat de islam is gebaseerd op
de openbaring die profeet Mohammed (vrede en zegeningen van Allah zij met hem) heeft
ontvangen. In de eerste plaats geloofde de Profeet zelf in zijn eigen openbaring. Er wordt wel
beweerd dat profeet Mohammed, toen hij zijn allereerste openbaringen ontving, er niet zeker
van was dat het een openbaring van Allah was. Maar feit is dat hij er nooit aan getwijfeld heeft
dat het een openbaring van Allah was. Als hij enige twijfel had en daarvoor geruststelling nodig
had, dan was het zijn vrees dat hij niet opgewassen zou zijn tegen de grote taak die Allah hem
had opgedragen. Vervolgens zegt het vers dat de gelovigen ook in zijn openbaring geloofden.
Het was omdat de Profeet zo’n krachtig en diep geloof had dat anderen ook in zijn openbaring
geloofden.

Hierna worden de fundamentele geloofspunten van de islam genoemd met betrekking tot
openbaring. Alle gelovigen, inclusief profeet Mohammed zelf, geloven in Allah, Zijn engelen,
Zijn boeken en Zijn boodschappers. Allah is Degene Die openbaringen stuurt. De engelen
brengen het naar de mensen, in het bijzonder naar de boodschappers. De openbaring wordt
doorgegeven aan latere generaties via de boeken van Allah.

Samen met deze fundamentele punten van geloof wordt ook gezegd dat de gelovigen ‘geen
onderscheid maken tussen wie van Zijn boodschappers.’ Deze boodschappers verschenen onder
alle volkeren. In dit zelfde hoofdstuk wordt gezegd:

‘De mensheid is één enkel volk. Daarom deed Allah profeten opstaan als brengers van
goed nieuws en als waarschuwers. En Hij openbaarde met hen het Boek met waarheid,
opdat het tussen mensen zou oordelen in datgene waarin zij van mening verschilden.’ –
2:213

Omdat de mensheid één enkele volk is, betekent dit dat Allah al haar onderverdelingen in
landen, rassen en naties op dezelfde manier moet behandelen. Daarom deed Allah in alle
volkeren profeten verschijnen met boeken. En net zoals Allah geen onderscheid maakt tussen
volkeren, zo wordt aan de gelovigen in de islam verteld om geen onderscheid te maken tussen
de boodschappers die naar de verschillende volkeren waren gezonden, zodat zij in sommigen
wel maar in anderen niet geloven

In een vers ergens in het midden van dit hoofdstuk 2 worden moslims verplicht gesteld om in
alle openbaringen van Allah te geloven:

‘Zeg: wij geloven in Allah en (in) wat aan ons is geopenbaard, en (in) wat is geopenbaard
aan Abraham, en Ismaël en Izaäk en Jacob en de stammen, en (in) wat werd gegeven
aan Mozes en Jezus, en (in) wat werd gegeven aan de profeten van hun Heer. Wij maken
geen onderscheid tussen wie van hen. En aan Hem onderwerpen wij ons.’ – 2:136

Hier wordt, na enkele profeten bij naam te hebben genoemd, in algemene termen gezegd: ‘en
wat werd gegeven aan de profeten van hun Heer.’

Ik zal hier een ander punt verduidelijken. Men denkt in het algemeen dat er een verschil bestaat
tussen een boodschapper, ook wel rasoe¯ l genoemd, en een profeet, ook wel nabī genoemd.
Men zegt dat een boodschapper een speciaal soort profeet was die in zijn openbaring een boek
van Allah ontving. De andere profeten, de overgrote meerderheid van hen, ontvingen geen enkel
boek, hoewel ze wel openbaring ontvingen. Maar de koran ondersteunt deze gedachte niet. Op
de manier dat deze woorden ‘boodschapper’ en ‘profeet’ in de koran worden gebruikt, kunnen
we afleiden dat elke profeet ook een boodschapper was. Als profeet ontving hij openbaringen
van Allah, en als boodschapper bracht hij die openbaring over aan de mensen.

Neem het vers dat ik zojuist heb aangehaald, vers 136 van hoofdstuk 2. Er staat dat moslims in
Allah geloven en in wat geopenbaard is aan verschillende genoemde profeten. Van die zes
genoemde profeten, Abraham, Ismaël, Izaäk, Jakob, Mozes en Jezus, ontvingen er drie geen
enkel boek (Ismaël, Izaäk en Jakob). Bovendien gaat het vers verder met te zeggen dat moslims
geloven in de openbaring aan alle profeten. Maar in het vers dat ik aan het begin las, vers 285
van hoofdstuk 2, staat dat moslims in Allah en in zijn boek en zijn boodschappers geloven. Dus
dezelfde groep mensen wordt op de ene plaats ‘profeten’ genoemd en op een andere plaats
‘boodschappers’.

Er is nog een ander vers in hoofdstuk 2 dat als volgt begint:

‘Het is geen rechtschapenheid dat jullie je gezichten naar het oosten en het westen keren,
maar rechtschapen is degene die in Allah gelooft, en de laatste dag, en de engelen en het
boek en de profeten.’ – 2:177.

Wat in dit vers ‘het boek en de profeten’ wordt genoemd, wordt in vers 285 ‘Zijn boeken en
Zijn boodschappers’ genoemd.

Er wordt vaak gedacht dat terwijl Mozes een boodschapper van Allah (een rasoe¯ l) was,
aangezien hij een boek van Allah bracht, de thora genaamd, was zijn broer Aäron, die zijn
helper was, geen boodschapper maar slechts een profeet (nabī) aangezien hij geen boek bracht.
Maar volgens de koran richtte Allah zich tot hen beiden en zei: ‘gaan jullie beiden naar Farao’,
en zeg tegen hem: ‘wij zijn twee boodschappers van uw Heer,’ (20:43 en 20:47). Op een andere
plaats zegt de koran over Mozes en Aäron:

‘En Wij gaven hen beiden het duidelijke boek. En Wij hebben hen beiden op de rechte
weg geleid. En Wij schonken hen beiden onder de latere generaties (de begroeting):
vrede zij met Mozes en Aäron.’- 37:117-120

Ze stonden allebei op gelijke voet, maar waren verantwoordelijk voor verschillende taken:
Mozes voor het geven en onderwijzen van de wet, en Aäron voor het onderwijzen van de
handelingen van aanbidding.

Wat betekent het precies, zoals er staat in het vers dat ik aan het begin las, dat moslims in ‘Zijn
boeken en Zijn boodschappers’ geloven? Het betekent niet dat net zoals ze in de koran geloven
zij ook zo geloven in de boeken die men beschouwt als de boeken van de vroegere profeten. De
originele geopenbaarde teksten van die boeken werden niet opgetekend en doorgegeven aan de
volgende generaties op de manier waarop de koran werd opgetekend toen die werd geopenbaard
en vervolgens doorgegeven werd aan de volgende generaties. Wat we aantreffen in de vroegere
geschriften zijn woorden die door mensen zijn overgeleverd over wat de profeten zeiden. Van
moslims wordt verwacht dat ze geloven dat de leringen van de profeten zelf openbaringen van
Allah waren. Daarom respecteren we de eerdere geschriften en kunnen we ervan leren over het
leven van de eerdere profeten, en hoe ze dezelfde principes en waarheden naar voren brachten
die de koran ook leert. De koran vertelt ons bijvoorbeeld dat vasten wordt voorgeschreven aan
moslims zoals het werd voorgeschreven in de vorige religies. Daarom moeten we in de boeken
van de vroegere profeten kijken, vooral de bijbel, om te zien wat het leert over het principe van
vasten. Wat we daar lezen is niet bindend voor ons in termen van de specifieke manier van
vasten, maar het illustreert ons wel de redenen om te vasten.

We kunnen ook meer details over het leven van de profeten te weten komen via de vroegere
geschriften, zoals de verhalen van Jozef en Mozes. We kunnen echter niets accepteren dat tegen
de leer van de koran ingaat. De eerdere geschriften, waaronder de bijbel, vertellen bijvoorbeeld
over bepaalde voorvallen uit het leven van hun profeten waaruit blijkt dat ze zonden en
immorele daden begingen. We accepteren deze voorvallen niet als waarheden, omdat de koran
ons leert dat profeten, hoewel ze sterfelijke mensen zijn met menselijke beperkingen, zulke
daden nooit zouden kunnen begaan. Als profeet Mohammed een zelfzuchtig persoon was
geweest, had hij die verhalen kunnen uitbuiten om zichzelf te presenteren als iemand met een
superieur karakter vergeleken met de eerdere profeten. Maar in tegenstelling hiertoe leert de
koran dat geen enkele profeet zonden beging. In feite verwerpt de koran rechtstreeks enkele
van de aantijgingen die de bijbel tegen de profeten van de bijbel aanvoert. Ik noemde Aäron net
hierboven. In het bijbelverhaal, toen Mozes zijn volk een paar dagen verliet, gingen ze weer
over naar afgodenaanbidding. Ze vroegen Aäron om voor hen een gouden kalf te maken om te
aanbidden, en maakte hij het kalf voor hen dat ze toen aanbaden. Volgens de koran was het
iemand anders die de volgelingen van Mozes misleidde om het kalf te maken. Aäron had hen
in werkelijkheid gewaarschuwd om het kalf niet te aanbidden en zei dat ze zijn bevel moesten
gehoorzamen (20:90).

Je kunt het geloof van moslims in de eerdere geschriften vergelijken met het hun geloof in de
ḥadīth-boeken. Hoewel een overgrote meerderheid van de moslims de ḥadīth erkent als een
bron van islamitische leerstellingen, verwerpen dezelfde moslims die in de ḥadīth geloven veel
verslagen in de ḥadīth-boeken als zijnde niet-authentiek. Zelfs met betrekking tot de
overleveringen die men wel accepteert, gelooft geen enkele moslim dat de Profeet elk woord in
zo’n overlevering in de exacte vorm waarin het is overgeleverd heeft uitgesproken. Ḥadīthverslagen worden altijd beoordeeld in hoe verre die in overeenstemming zijn met de koran. Als
een overlevering in strijd is met de koran, dan wordt het verworpen of krijgt het een interpretatie
die past bij de koran. Als een verslag niet in strijd is met de koran, kan het alsnog worden
afgewezen op grond van rede of bekende historische feiten. Zo niet, dan kunnen wij zo’n verslag
aanvaarden als het ons meer details geeft over een bepaald punt dat in de koran wordt genoemd.

In het vers dat ik aan het begin las (2:285), en in een ander vers in hetzelfde hoofdstuk (2:136),
staat dat degenen die in de islam geloven (moe’minoe n) en moslims degenen zijn die ‘geen
onderscheid maken tussen wie van Zijn boodschappers.’ Moslims geloven dus in gelijke mate
in alle boodschappers van Allah. ‘Geen onderscheid maken tussen hen’ verwijst naar hoe de
joden en de christenen onderscheid tussen hen maakten. De christenen maken onderscheid
tussen Jezus en de Israëlitische profeten die voor hem kwamen, omdat ze Jezus beschouwen als
de geliefde en dierbare van God in exclusieve zin, ver boven de andere profeten. Hij is de enige
zondeloze, terwijl alle andere profeten zonden hebben begaan, zo beweren ze. De joden maken
onderscheid door te weigeren in niet-Israëlitische profeten te geloven. Zij zeiden: ‘en geloof
niet behalve in hem die uw religie volgt,’ (3:73).

De profeet Mohammed eiste van zijn volgelingen dat ze in alle boodschappers geloofden, ook
al kwamen ze bijna allemaal van buiten zijn eigen volk van de Arabieren.

Moge Allah ons in staat stellen om in Zijn openbaringen te geloven en ze tot onze belangrijkste
bron van leiding te maken.

Ameen.
Gepubliceerd door: IslamLab
Vertaald door: Reza Ghafoerkhan

Select the fields to be shown. Others will be hidden. Drag and drop to rearrange the order.
  • Image
  • SKU
  • Rating
  • Price
  • Stock
  • Availability
  • Add to cart
  • Description
  • Content
  • Weight
  • Dimensions
  • Additional information
Click outside to hide the comparison bar
Compare